Bijen: beestjes met een missie

Ons nieuwe volk

Het gaat niet goed met de bijen en mijn vrouw heeft besloten daar iets aan te doen. Ze is begonnen met de imkercursus van de Nederlandse BijenhoudersVereniging en afgelopen zondag heeft ze haar eerste bijenvolk opgehaald. Deze staat nu op een mooi plekje achter in de tuin bij vrienden in het dorp. 

Daniel inspecteert de nieuwe aanwinst

Haar bevlogenheid met bijen heeft ze niet van een vreemde. Ze is aangestoken door mijn vader, die al meer dan 40 jaar imkert in Loppersum. De typische geur van honing, bijenwas, propolis en muffe oude raten is de geur van mijn jeugd. Ik hielp mijn vader vaak mee met het verplaatsen van de bijenkasten naar het koolzaad, de klaver, de karwij, de zeeasters en terug naar de kwekerij in het dorp waar hij zijn vaste standplaats had. Tijdens een van deze tochten ging er iets mis en ben ik meer dan 20 keer gestoken. Sindsdien vliegt mijn immuunsysteem in de overdrive als ik door een bij gestoken wordt. Imkeren is dus niets voor mij. 

Toen mijn vrouw het plan opperde om bijen te gaan houden, was ik eerst wat sceptisch. Ik ken weinig mensen die zo panisch kunnen reageren op spinnen en andere beestjes als Yvet. Maar goed, haar liefde voor honing overwon het van de insectenfobie en sinds zondag heeft ze dus haar eerste bijenvolk onder de hoede.

Zoek de koningin

Fascinerende beestjes

Ze mag er graag over praten. Bijen zijn fascinerende beestjes, zegt ze, de cyclus die ze doorlopen, het systeem waarin ze samenwerken en de rolverdeling die daar binnen bestaat. De intrigerende manier van communiceren en hoe elke bij bijdraagt aan het functioneren van het hele volk. Door me te verdiepen in de bijen ben ik bewuster van de natuur en mijn omgeving geworden, vertelt ze. Onkruid en landbouwgif is een mooi voorbeeld. Vroeger moest alles wat me niet aanstond wijken. Nu kijk ik anders: je moet de natuur niet bestrijden, maar zoeken naar alternatieven en met de natuur mee denken.

Het gaat slecht met de bijen en ze hebben onze hulp nodig. Die notie heeft zeker meegespeeld bij haar besluit met de imkercursus te beginnnen. Bijen zijn beestjes met een missie: de bestuiving van allerlei planten waar we voor ons voedsel afhankelijk van zijn. Daar mogen ze de credits wel voor hebben, vindt ze,  zo’n klein beestje met zo’n grote impact op het ecosysteem. Daar moet je wel voor opkomen. Zonder de bij geen mens, zo kan je het stellen.

Op cursus

De cursus

De cursus, daar komt wel het nodige bij kijken. Naast de theorie leer je de praktijk van het imkeren. Het zijn de mensen, die de cursus het leukst maken, vertelt ze, allemaal mensen met compleet verschillende achtergronden, maar vergelijkbare beweegredenen die met hetzelfde enthousiasme het avontuur aangaan. Maar vergis je niet. Het is best arbeidsintensief, en je moet niet bang voor steken zijn. Je draagt uiteindelijk de verantwoordelijkheid voor je bijenvolk en als je het niet goed doet vliegen ze weg of ze gaan dood.

Een nieuwe generatie imkert onder toeziend oog van mijn vader

Samenwerken

Je doet het samen met de bijen. De imker grijpt in op de juiste momenten, bij ziekte of gevaar van buitenaf. Je maakt een gunstiger leefklimaat voor de bij en zorgt voor voldoende voeding.  Je maakt het ze wat makkelijker. Kunstraat bijvoorbeeld, dat is net alsof ze een casco huis krijgen, dat ze verder naar eigen inzicht kunnen inrichten. De imker krijgt daar honing voor terug. 

Honing is al sinds de oudheid bij de mens bekend. Het is een fantastische suikervervanger en erg voedzaam; medicinaal, cosmetisch, honing is zo breed toepasbaar. Bijen maken altijd meer honing dan ze nodig hebben voor hun wintervoorraad en daar kunnen wij van meegenieten. 

Viva Extremistan!

Ondergelopen tuin

Zondagnacht trok er een flinke onweers- en hoosbui over het dorp. Niets van gemerkt, tot ik de volgende ochtend in de tuin keek en een nieuwe vijver ontdekte. Ruim 30 mm had de bui achtergelaten. Niet extreem extreem, maar toch wel vrij veel en vooral ook vroeg in het seizoen. Daar waren we duidelijk nog niet klaar voor.

Greppels en poelen

Drainagegreppel tussen twee groentebedden in de moestuin
Drainagegreppel tussen twee groentebedden in de moestuin

Niet dat ik niet begonnen was. Greppeltje hier, kikkerpoel daar, gootje onder de heg door, regenton onder de afvoer van het nieuwe groene dak. De elementen lagen er en deden afzonderlijk hun ding, maar te weinig om een flinke hoosbui op te vangen. Het leemstucwerk dat ik twee dagen eerder op de wand van de nieuwe schuur had aangebracht bleek ook niet geheel bestand tegen deze natuurkrachten. Dat had ik moeten afschermen zolang het nog niet goed op gedroogd was. Dom natuurlijk. Aan de andere kant kan ik het ook beschouwen als een extreme praktijktest. Zelf zou ik niet snel een uur lang de tuinsproeier op dit stukje huisvlijt zetten om te kijken hoe het pas ontdekte avontuur met leem en vlechtwerk zich houdt. Moeder natuur draait daar haar hand niet voor om. Die laat rustig 30 mm regen uit de meest ongunstige hoek (noordnoordoost) op je bouwwerkjes los. En dan heeft het materiaal zich naar omstandigheden goed gehouden.

Effect van harde regen vers op leem en vlechtwerk
Effect van harde regen op vers leem en vlechtwerk

Extreme informatie

Om dergelijke tegenslagen te verwerken bestaan er gelukkig praktische filosofen, zoals mijn grote vriend Nassim Taleb, die de wereld indeelt in drie categorieën: iets is fragiel (gaat stuk door er op te meppen), robuust (meppen heeft geen invloed) of iets is antifragiel (hoe harder het meppen, hoe sterker het wordt). Een belangrijke notie in het werk van Taleb is, dat (willekeurige) extreme gebeurtenissen (stressors) vitale informatie bevatten. De mooiste extremen zijn extreem genoeg om een systeem flink te testen, zonder dat ze onherstelbare schade veroorzaken. Het is dan wel zaak om te leren van de bende die je voor je ziet en het systeem er op aan te passen.

Wat hebben we geleerd?

De belangrijkste les: shit happens. Met een klimaat op drift zijn extremen in het weer vaker te verwachten. Stenen eruit, een paar greppels en een kikkerpoel helpen om extreme neerslag op te vangen en vast te houden. Water wil stromen en het blijft staan waar het niet weg kan. Soms is een lijntje van A naar B genoeg om een systeem te verbeteren.  Soms een geultje.

 

 

Tomaten planten

Deze post is een vervolg op Tomaten zaaien.

De kas in augustus

Een zongerijpte tomaat uit de volle grond. Dat lijkt de normaalste zaak ter wereld, maar het is inmiddels een zeldzaamheid. De Hollandse fabriekstomaat is een waterig bleekneusje dat met zijn voeten in de steenwol staat en in de winter niet kan groeien zonder de kas flink op te stokens en de tl-bakken vol aan te zetten. In de jaren 80 noemden de Duitsers het Holländische Wasserbomben en gelijk hadden ze. De biologische tomaat smaakt al een stuk beter en staat  gewoon met beide benen in de grond.

Nachtschade

Gelukkig kan je tomaten ook zelf verbouwen. Het is niet moeilijk, maar het is ook weer niet de meest makkelijke plant. Tomaten horen tot de nachtschade familie, waar ook de aardappel toe behoort. Dat betekent dat tomaten, net als aardappels vatbaar zijn voor de phytophthora schimmel. Deze steekt de kop op bij de combinatie van warm en vochtig weer. Die combinatie hebben we vaak in loop van juli, zo vlak voor de eerste tomaten rijp zijn. Wat een prachtige oogst beloofde te worden kan dan in een week tijd verandert zijn in een berg snotterige bruine ellende.

Kas of buiten?

De teelt van tomaten gaat daarom het makkelijkst in een kas. Buiten telen kan in ons klimaat, maar is wel een flinke uitdaging. Een beschutte zonnige plek is dan een absolute voorwaarde voor succes. Een afdakje kan helpen om de planten droog te houden om zo de kans op een phytophthora infectie terug te dringen. Om nattigheid bij het water geven te beperken graven we bij het uitplanten naast de stam een aardewerken bloempot in. Het water gieten we dan in de bloempot, zodat de plant zelf mooi droog blijft. Vorig jaar had ik een paar planten van het ras Brown Egg Cherry buiten tegen de muur op het zuiden en dat ging eigenlijk prima.

Snelle  groeiers

Klaar voor de groeispurt

Tomaten zijn snelle groeiers en de ruimte in een kas is per definitie beperkt. Geef ze de ruimte. Minimaal een halve meter tussen de rijen. De meeste rassen kunnen vrij groot worden. Als je de top laat zitten groeien ze door zolang ze het naar hun zin hebben. Ze kunnen daarom wel wat steun gebruiken. Zelf bind ik ze op aan bamboe stokken. Dit opbinden is een terugkerend klusje tijdens het groeiseizoen.

Dieven

Diefje in de oksel van het blad

Een ander terugkerend klusje is  het dieven. Tomaten zijn niet alleen snelle groeiers; ze zijn ook uitbundig. In de oksel van elk tomatenblad ontstaat een nieuwe scheut. Deze scheuten worden dieven genoemd, omdat ze uitgroeien tot een nieuwe tak, met weer nieuwe dieven en zo de energie stelen die de plant beter in het vormen van tomaten kan steken. Deze dieven knip je weg. Doe je dat niet, dan wordt het een grote groene bende. Ook is het verstandig om op een gegeven moment de onderste bladeren van de plant weg te knippen. De tomaten krijgen dan meer zon en rijpen beter. Laat altijd minimaal een stuk of zes volwassen bladeren staan.

Tikken

Tomaten vormen mooie gele bloemetjes die bevrucht moeten worden om tomaten te vormen. In de open lucht helpen wind en insekten bij dit proces. In de kas waait het niet en de hommels weten de weg naar  de kas ook niet altijd te vinden. Deuren en ramen van de kas dus open bij mooi weer, dan komen ze makkelijker binnen. Om de vruchtzetting te bevorderen helpt het om regelmatig, liefst dagelijks, een paar tikken tegen de stam van de tomatenplant te geven. Dit wordt ‘tikken’ genoemd.

Bemesting

Tomaten houden van rijk bemeste grond. Voor de bemesting van de tomaten gebruik ik meestal compost en een paar handen houtas voor wat extra kali. Tijdens het groeiseizoen mest ik ze soms wat bij met compostthee of brandnetelthee. Verder is het verstandig om tussen de planten een mulchlaag aan te brengen. Hierdoor droogt de grond minder snel uit en ga je onkruid tegen.

Meet & greet

Tomatenplantjes, klaar voor de markt

Als je tomaten wilt telen loont het de moeite op zoek te gaan naar bijzondere rassen. En net als voorgaande jaren sta ik ook dit jaar weer op Koningsdag met een aantal bijzondere rassen op de vrijmarkt in Loppersum. Lokatie: schepperij, tegenover Wiemersheerd.  Meet & greet de mens achter de blogger en neem een paar bijzondere tomatenplantjes op de koop toe. Dit jaar heb ik de volgende rassen staan:

  • Black Seaman (vleestomaat)
  • Purple Calabash (vleestomaat)
  • Coeur de Boeuf (vleestomaat)
  • Black Ethiopian (saladetomaat)
  • Millefleur (cherrytomaat)

 

Kleien

Grunneger klaai

Eigenlijk zou iedereen eens een grondboor in zijn tuin moeten zetten om te kijken op wat voor bodem hij of zij leeft. Als je in een flatje woont gaat dat natuurlijk moeilijk. Daarom kan je beter niet in een flatje wonen als je wat avontuurlijk bent aangelegd. Wij wonen op klei. De meest stugge, vette Groninger klei die je maar kan vinden.

Klei is een bijzonder materiaal. Het bestaat uit microscopische kleine plaatjes die water en mineralen beter vasthouden dan bijvoorbeeld zand. Van nature is het daardoor een vruchtbare bodem, maar wel een die moeilijk te bewerken is. Keihard en vol krimpscheuren als het uitdroogt in de zon en een kleverige gladde massa als het nat is.

Klei +zand = leem

Klei nodigt uit om er mee te klooien. Vermengd met zand en stro geeft het een leemachtige bouwmatriaal dat sterk genoeg is om er dragende muren van te bouwen. Bekender is de combinatie van leem met vlechtwerk in een vakwerkconstructie. In Twente en Limburg was dit vroeger een gangbare manier om huizen te bouwen. In Groningen bakten ze liever kloostermoppen van hun klei. Nu zijn bakstenen ideaal om mee te bouwen, maar ze hebben een groot nadeel. De productie van bakstenen en cement kost veel energie en levert een grote bijdrage aan de uitstoot van koolstofdioxide.

Leem hoef je niet te bakken. Je maakt het makkelijk zelf door zand of zanderige grond te mengen met klei.  Dit zijn grondstoffen die bijna overal makkelijk lokaal te vinden zijn. De extreem vette klei die hier amper dertig centimeter onder de grond ligt leek me ideaal om eens mee te experimenteren.

Enige speurwerk op internet leerde me dat er geen vaste regels zijn voor de verhouding klei, zand en stro. Het is een kwestie van experimenteren en je uitgangsmateriaal leren kennen. Een minimum van 20% klei in het mengel lijkt wel een basisregel. Het zand zorgt voor de sterkte van  het materiaal. De kleideeltjes zijn veel kleiner dan de zandkorrels en lijmen deze als het ware aan elkaar. Door er stro of andere vezels aan toe voegen maak je het extra sterk en voorkom je dat het te veel gaat scheuren bij het drogen. Traditioneel wordt er paarden-, koeien- of varkensmest aan het mengsel toegevoegd. Vanwege de vezels die hier in zitten en om het meer water afstotend te maken. Ook wordt wel kalkmortel, bloem of bloedmeel om dezelfde redenen toegevoegd.

Naast de klei uit de tuin heb ik brekerzand gebruikt. Dit is wat grover en hoekiger van structuur dan metsel of ophoogzand en dat schijnt de sterkte ook weer ten goede te komen. Als vezel heb ik gehakte stro gebruikt.

Poten in de klei

Leem mengen gaat het makkelijkst met de blote voeten op een stuk zeil. De kunst is eerst de klei en het zand goed te mengen en dat gaat weer het beste als de klei even heeft liggen weken in een emmer water. Je stampt de klei en zand plat met je voeten en deze pannenkoek rol je steeds weer om door de rand van het zeil een eindje omhoog te trekken. Als je een mooi egaal mengel hebt dan kan je de stro er door heen trappen.

Je brengt de leem aan op het vlechtwerk door er een bal ter grote van een flinke sneeuwbal van te kneden en de deze met de hand tegen het vlechtwerk te smeren. Met de onderkant van een metseltroffel strijk je het lemen stucwerk vervolgens glad. Verder afwerken kan met een roestvrijstalen spaan.

Al met al een intensief werkje. De workout krijg je er dus gratis bij. Hoe het materiaal opdroogt en hoe weerbestendig het is moet nog blijken. Wordt vervolgd dus…

leem en vlechtwerk
Leem en vlechtwerk

 

 

 

 

 

 

 

Aardappels

Het pootgoed voor dit jaar

De aardappel. De onvolprezen aardappel. Supervoedsel. Geen groente, geen fruit, een categorie op zichzelf. Volksvoedsel. Culinaire onderknuppel. De aardappel. Ik krijg er steeds meer waardering voor. Een aardappel zit barstensvol energie en explodeert van de vitaminen.

Aardappels kan je op de gekste manieren verbouwen. We experimenteren al een paar jaar met verschillende teeltmethoden en rassen. Traditioneel verbouw je aardappels in de volle grond op ruggen, maar je kan ze ook prima in bakken en zakken of onder een dikke laag mulch verbouwen. Dit jaar doen we alle drie. Een hoekje traditioneel op ruggetjes. Een flink stuk onder een mulchlaag van oud stro en hooi en daarnaast nog een bonte verzameling in bakken en zakken.

Aardappels verbouwen is op het eerste gezicht niet zo niet moeilijk. Je steekt een pieper in de grond en er groeit vanzelf een nieuwe plant. Maar er is altijd een maar. In dit geval is dat een pseudoschimmel onder de naam phytophthora infestans. Tussen 1845 en 1850 kamen meer dan een miljoen Ieren door hongersnood om het leven in wat bekend kwam te staan als The great famine. De belangrijkste directe oorzaak van deze hongersnood was de verwoestende uitwerking van phytophthora op een monocultuur van aardappels, destijds volksvoedsel nummer één in Brits koloniaal Ierland.

Phytophthora

Phytophthora is een schimmelziekte die bij aardappels haast onvermijdelijk de kop op steekt bij de combinatie van warm en vochtig weer. Dat is vaak het geval in de loop van juli. De reguliere landbouw spuit zich ongans tegen deze schimmel. Wij doen het zonder gif en dat kan ook prima als je met een aantal zaken rekening houdt. Om te beginnen is een strikte teeltwisseling van maximaal eens in de vier jaar de aardappel (of andere plant uit de  nachtschadefamilie) op dezelfde plaats van belang. Dit is meer een algemene voorzorgmaatregel om je bodem gezond te houden.

Gifvrij aardappels verbouwen: twee tactieken

Om de phytophthora voor te zijn kan je het best vroeg beginnen met het poten van  vroege rassen en dan de planten rooien zodra (de kans op)  phytophthora zich voordoet. Je moet dan maar hopen dat er inmiddels genoeg knollen zijn gevormd. Dat betekent eind maart, begin april de aardappels poten. Pas op met late nachtvorst rond eind april en begin mei. Dek de jonge aardappelplanten die dan net hun kop boven de grond steken bij de kans op nachtvorst ’s nachts desnoods even af met een zeil. Een of twee graden vorst kunnen ze hebben, maar wordt het kouder, dan sterft het jonge loof af. Je bent dan zo een paar weken verder voor ze daar weer doorheen gegroeid zijn en dat betekent weer minder opbrengst op het moment dat je moet rooien. Zodra je de ziekte spot in je aardappelplanten is het einde oefening: loof eraf en rooien.

Kortom, het is een soort blitzkriegtactiek in de moestuin: op volle vaart erin, je slag slaan en niet vergeten om op tijd terug te trekken. Niet ieder aardappelras leent zich voor deze tactiek; je hebt er de vroege of extra vroege rassen voor nodig. Als vroege rassen hebben wij jaar  tiamo en anaïs.

De tweede manier om zonder gif succesvol aardappels te telen heet Sarpo Myra en is afkomstig van een proefstation in voormalig communistisch Hongarije. De Soviets wilden een superaardappel, die zonder westerse landbouwgif een betrouwbare oogst gaf. Veertig jaar lang werden duizenden aardappels bestookt met alle ellende die moeder natuur te bieden heeft. In de afvalrace bleef één pieper over: de sarpo myra. En toen viel de muur en raakte dit socialistisch wonder in de vergetelheid. Nu, ruim een kwart eeuw later, begint deze oostblok pieper langzaam aan een opmars in de biologische moestuin. Het is voor zover ik weet de meest resistente, klassiek veredelde aardappel op de planeet. Super resistent, goed van smaak, prima opbrengst. Zonder gmo, zonder gif. Mirakels.

We verbouwen de sarpo myra nu drie jaar en zelf in de meest beroerde zomer nog geen knol verloren door de phytophthora. Er zijn ook andere rassen met een hoge mate van resistentie die heel goed geschikt zijn voor de biologische teelt, zoals de texla en de bionica, maar met deze rassen heb ik zelf nog geen ervaring.

Wordt vervolgd…

 

Paddo’s

Shiitakes op stam
Shiitakes

Het vroege voorjaar en het gesnor van kettingzagen; ze horen bij elkaar als paddenstoelen en kabouters. Nog voordat de sapstroom in de bomen weer op gang komt en alles weer uitbot is het tijd om te snoeien. Dat betekent dat het voorjaar ook de ideale tijd is om paddenstoelen te zaaien. Paddenstoelen zaaien? Het is geen groente. Dat klopt. Een paddenstoel behoort uiteraard tot het rijk der schimmels. Ze vermenigvuldigen zich met sporen en soms ook met ondergrondse schimmeldraden. En je kan ze prima zelf verbouwen.

Nu is de paddenstoel een beetje een ondergeschoven kindje in de Nederlandse keuken. De enige paddenstoel die we op grote schaal kweken en eten is het saaie bleekneusje van de familie: de champignon. De champignon is in feite niet meer dan een beetje gecultiveerde paardenmest. Terwijl er zoveel meer te halen is in de wereld van de schimmels en gisten.

Neem bijvoorbeeld de Aziatische eikenzwam of shiitake. Deze zwam voelt zich te goed voor paardenmest en zetelt bij voorkeur op vers afgestorven eikenhout. En dat proef je. De smaak en structuur van de shiitake zijn van een compleet andere orde dan de champignon.

Wintereik, zomereik, Amerikaanse eik, Moeraseik, Beuk, Berk of populier: allemaal prima geschikt om shiitakes op te kweken. Ander loofhout kan ook, naaldhout is ongeschikt. Van belang is dat het verse stammetjes zijn, die minimaal een maand de tijd hebben gehad om wat te besterven.

Ideaal zijn stammetjes van een halve tot een hele meter lengte en een doorsnee van 10 tot 20 cm. Op deze stammetjes kan je de zwam enten. Hiervoor zijn speciale entpluggen verkrijgbaar. Dat zijn houten deuvels, die doorgroeid zijn met de zwam. De stammetjes kan je enten door er een aantal rijen gaten in te boren met een houtboor met dezelfde diameter als de pluggen. Vervolgens tik je met een hamer de entpluggen in de gaten. Dat is alles. Voor een stam van 10 cm doorsnee bij een meter heb je al gauw 20 pluggen nodig.

Nu komt het moeilijkste deel van het zwammen kweken: wachten. De schimmel heeft tijd nodig om door de stam heen te groeien. Afhankelijk van de dikte van de stammen en de hoeveelheid pluggen die je hebt gebruikt kan dit makkelijk één à twee jaar duren. Bewaar de stammen al die tijd op een schaduwrijke, vochtige plaats. Het is van belang dat de stammen niet uitdrogen, dus als het erg droog wordt kan je ze best een keer water geven.

Als de zwam volledig door de stam gegroeid is kun je proberen de zwam tot knopvorming te bewegen. Dompel de stam een dag of twee onder in koud water, bijv. de regenton. De zwam denkt dan dat het voorjaar is in Japan en zal knoppen gaan vormen. Op de bast van de stam ontstaan bobbeltjes van ongeveer een centimeter doorsnede die in twee weken uitgroeien tot paddenstoelen. Deze kan je het best plukken als de rand nog een klein beetje naar binnen is gekruld.

De shiitake is een subtropische zwam. Bij temperaturen lager dan 15°C komt de paddenstoel zijn nest niet uit. Het pluk seizoen voor shiitakes loopt dus zo’n beetje van mei tot september. Afgelopen september hebben we op deze manier de eerste paddenstoelen geplukt van stammetjes die we in 2015 hebben geënt. Zoek dus voordat al je snoeihout de paasbult opgaat de mooiste stammetjes er uit en bestel een zakje entpluggen op internet.

Deze aflevering verscheen eerder in Ien en om ’t Wiergat, de dorpskrant van Westeremden

Eerste bewoners

Deze post is een vervolg op Het dak

Insekten en andere hotels onder de dakrand

De afgelopen maand hebben we hard gewerkt om het nieuwe schuurtje annex kippenhok zo ver af te krijgen dat de vaste bewoners er hun intrek kunnen nemen. Afgelopen zaterdag was het zo ver en konden we de kippen van hun tijdelijke huisvesting in de kas verhuizen naar hun nieuwe verblijf. Deze klus deed ik zo rond de avondschemering samen met mijn zoon. Bij het vallen van de avond zitten de kippen al te dutten op hun stok en pluk je ze er zo vanaf. Dat scheelt weer een hoop rennen voor mij en stress voor de kippen.

Een nieuw hok

Groen dak

Voordat de dames hun intrek konden nemen in hun nieuw verblijf moest er nog wel het een en ander gebeuren. Eind februari was de dakconstructie klaar en konden we beginnen met de aanleg van het groene dak. Om kosten te besparen hebben we dit zo simpel mogelijk gehouden. Op de dakconstructie van liggers, dwarslatten en kippengaas hebben we een dubbele laag oranje dekzeil aangebracht. Het zeil hebben we vastgezet met latjes op de daklijst. De ondiepe badkuip die zo ontstaat hebben we opgevuld met graszoden en teelaarde en vervolgens beplant met verschillende soorten sedum.

We hebben geen dakgoten. Op de laagste rand van het dak ligt een drainagebuis in een bed van brekerzand. Het idee is dat het regenwater dat niet door de beplanting en aardelaag wordt geabsorbeerd op deze manier afgevoerd wordt naar een regenpijp op een van de hoeken.

Groen dak in aanleg
Groen dak in aanleg

De graszoden hebben we her en der uit de voortuin gestoken en liggen op het meest steile deel van het dak. De rest hebben we aangevuld met aarde en sedumbeplanting, die op den duur het hele dak over moet gaan nemen. Dat kan nog wel paar jaar duren.

De bovenkant van de  daklijst hebben we afgewerkt met gehalveerde conservenblikjes, ongeveer 200 in totaal. Het idee voor de daklijst van blikjes kreeg ik na een experiment met een blikken dak voor een konijnenren. Ik schat dat de blikjes het een jaar vier à vijf volhouden. Nu glimmen ze nog in de zon. Aan het eind van de zomer zullen ze een donkerbruin patina hebben. Als de roest er eenmaal vat op krijgt dan gaat het snel. Er praktisch is het niet, maar behalve tijd kost het niets en ik vind het wel een mooi statement over afval, recycelen en vergankelijkheid.

Kippenhok

Hok en schuur

Met een voltooid dak kon bouw van het eigenlijke kippenhok beginnen. Ook hier was de insteek een zo laag mogelijk budget en een zo laag mogelijke ecologische voetafdruk. Dat is een uitdaging op zich. Gelukkig zijn er dan goede buren. In dit geval niet de bewoners van het pand op de achtergrond van de foto, maar een bevriend stel een paar huizen de andere kant op. Deze stelden kostenloos een stapeltje douglas schaaldelen, die van de bouw van een nieuwe schutting overgebleven waren, ter beschikking. Ruim genoeg voor een stevige achterwand van het hok en het raamwerk voor een deur. Voor de rest bestaat het hok uit gerecyclede lundia- en andere kasten, een paar lariks regels, kippengaas en wat gebikte baksteen.

De kippen zijn verhuisd, de rommel heeft zijn plek. Het project is nog niet af,  het dak lekt her en der, de afvoer heeft nog wat finetuning nodig, er ontbreken nog wat schoren, er zijn nog akelig open wanden, maar het is bijna april en dat betekent andere prioriteiten. Zaaien en poten!

Wordt vervolgd…

 

Compost

composthoop
Groen en bruin matriaal, op zoek naar de ideale mix

Een van de grondleggers van de biologische landbouw is tevens de uitvinder van het composteren. De plantkundige Sir Albert Howard zwaaide in het begin van de vorige eeuw de scepter over een agrarisch proefstation in Brits koloniaal India, waar hij onderzoek deed naar de effecten van humus op de bodemvruchtbaarheid.

De groene revolutie

Howard had een scherp oog voor de natuur en traditionele landbouwmethoden. In Howards visie is bodemvruchtbaarheid de basis voor iedere duurzame vorm van landbouw en de basis voor die bodemvruchtbaarheid is humus. Howard onderzocht de effecten van organische bemesting op allerlei gewassen en begon hij te experimenteren met verschillende methoden om te composteren. Zo stond hij aan de basis van het Indore proces: de methode om plantaardige en dierlijk restmateriaal om te zetten in humus. Deze methode vormt nog steeds overal ter wereld de basis voor de compostering van groene reststromen. Vergeet Wageningen, de echte groene revolutie begon in India.

Composteren kun je leren

Het leuke van composteren is dat het de makkelijkste manier is om zelf een gesloten kringloop te maken. In plaats van je GFT-afval in de groene container te mikken kan je het ook in een hoekje van de tuin composteren. De compost is weer ideale mest voor de tuin. Composteren kan op vele manieren. Youtube staat vol met handleidingen en leuke filmpjes over compost. De basis is altijd hetzelfde: organisch materiaal. De essentie van composteren is het creeren van de ideale omstandigheden voor schimmels en bacterien om organisch materiaal om te zetten in humus. Dat begint met het matriaal dat je wilt composteren. Ideaal is een mix van koolstofrijk en stikstofrijk materiaal. Koolstof zorgt voor de structuur van de compost. Stikstof werkt als een soort Red Bull voor de micro-organismen, die er voor zorgen dat het organisch materiaal wordt omgezet in compost. Verder zijn een beetje vocht en vooral veel zuurstof nodig. Oftewel: mix koolstofrijk en stikstofrijk organisch materiaal met een beetje vocht en veel zuurstof en er ontstaat vanzelf compost. Hoe beter de mix, hoe heftiger het composteringsproces. Bij een optimale mix kan de temperatuur in de composthoop oplopen tot ruim 70°C. Bij een minder optimale mix verloopt de compostering langzamer en is de omzetting van ruw organisch matriaal naar humus minder compleet. De hoge temperatuur helpt om onkruidzaden en ziektekiemen op te ruimen.

Een composthoop bouwen

Een composthoop in de tuin kan je het best opbouwen in laagjes. Eerst wat grove takken zodat er van onder op de hoop voldoende zuurstof de hoop in kan. Dan een laag “bruin” materiaal. Dat is in composttermen al het koolstofrijk matriaal, zoals stro, takken, dode bladeren, zaagsel, etc. Dit matriaal is vaak bruin en droog. Vervolgens een laagje “groen” matriaal. Dat is de slang voor stikstofrijk materiaal zoals pas gemaaid gras, mest, keukenafval, etc. Dit matriaal is vaak groener en vochtiger. Na een laagje groen weer een laagje bruin, enzovoorts. Zo bouw je een luchtige hoop van ongeveer een meter bij een meter. Hoe fijner het matriaal, hoe beter het werkt. Lange of dikke stukken even met een snoeischaar in stukken knippen. Als je de hoop goed hebt opgebouwd is het zelden nodig extra water te geven. Bij een goede mix zal de hoop na een paar dagen op temperatuur komen en binnen een paar weken flink inzakken. Na een week of zes is het tijd om de hoop om te zetten: met een vork meng je alles weer goed door elkaar. Materiaal van de buitenkant van de hoop is minder goed verteerd, dus dat gaat naar binnen en vice versa.

Het lukt niet!

Als het niet lukt, dan ligt dat bijna altijd aan de mix: te veel bruin, te weinig groen, te nat, te droog, te weinig zuurstof, te grof materiaal. Te koud kan ook. Dat zijn de knoppen waar je aan kan draaien. Keer de hoop nog eens om, beetje water er bij of juist wat afdekken bij overvloedige regenval, beetje meer groen matriaal, de boel wat fijner hakken. Ingewikkelder is het niet.

Variaties

Bij een compostvat werkt het proces hetzelfde. Het voordeel van een vat is dat het proces wat meer beschut is. Geen last van regen of uitdroging, geen last van ongedierte. Wij hebben een hoop en een compostvat. De hoop gebruiken we voor het grove werk: snoeiafval, konijnenmest en de resten uit de groentetuin. Het vat gebruiken we voor de keukenresten. We composteren alles wat organisch is en wat niet wordt opgegeten door de kippen en konijnen. De kippen zijn op hun beurt weer dol op compost. In de composthoop wemelt het van de wormen, pissebedden en andere beestjes. In de zomer zitten de kippen er graag in te wroeten en in de winter krijgen ze regelmatig een emmertje verse compost in hun ren. De compost van de hoop is wat grover dan die uit  het vat. Die van de hoop gaat bij ons vooral naar de fruitbomen en bessestruiken. Die uit het vat gaat vormt een belangrijk deel van de bemesting van de moestuin en de kas.

Meer weten?

Lees dan An agricultural testament, van Albert Howard. Inspirerend en nog altijd hyperactueel.

Bemesting

Bordje N-P-K van organische oorsprong, lekker en voedzaam voor de bodem

Afgelopen zondag liep ik met een groene container vol oude schapenmest door het dorp. Mooie, gecomposteerde, oude stalmest. De ultieme bemesting voor iedere moestuin. De mest hebben we opgehaald bij een bevriend stel in het dorp. Zwart goud. Zo moet ongeveer het spul er uit gezien hebben dat eeuwenlang de schrale zandgronden in Drenthe van een beetje vruchtbaarheid voorzag. Schapen graasden op de woeste heide en lieten in de winter hun mest achter op heideplaggen in de schaapskooi. Deze laag mest werd dan in het voorjaar uitgereden op de akkers.

Een mooi systeem dat vraagt om een balans tussen de hoeveelheid weidegrond, akkerland, heide en schapen. Als je het goed doet, bouw je met dit systeem door de eeuwen heen een steeds dikkere bodemlaag op. Deze verhoogde akkers (bolle essen) zijn op verschillende plekken in Oost Nederland goed te zien.  De keerzijde van dit systeem is ook nog zichtbaar in het landschap. Te veel schapen op te weinig heide en je krijgt zandverstuivingen.

Nederland en de natuur

Tegenwoordig zijn het beschermde natuurgebieden; de extreme omstandigheden zorgen voor een unieke leefomgeving voor zeldzame planten en dierensoorten. Van waardeloze grond door te intensieve landbouw gepromoveerd tot waardevolle natuur. Dat maakt nieuwsgierig hoe we over 500 jaar kijken naar dat geouwehoer over de op natuurlijke wijze uitgemelgelde grote grazers achter een hekje in de Oostvaardersplassen. Nieuwe natuur in een polder die we hebben aangelegd om onze honger naar vruchtbare landbouwgrond te stillen. Het is een beetje schizofreen, de verhouding tussen Nederland en de natuur als je het mij vraagt.

Kanonnen, kunstmest en koken

Ondertussen is de winter voorbij. Tijd om de tuin te bemesten. Een moestuin vraag veel van de grond. Als je alleen van de grond neemt en nooit iets terug geeft, dan is de liefde natuurlijk een keer voorbij. Bemesten dus, zonder gaat het niet. Nu is het met mest net als met koken. Het kan volledig kunstmatig en chemisch, met pakje en zakjes. Dat noemen we in de tuin kunstmest. Kunstmest is een uitvinding van de wapenindustrie. Dat is een beetje kort door de bocht, maar er zit wel een kern van waarheid in. De zelfde jongens die in 1914-1918 de explosieven voor de slagvelden van Vlaanderen en Verdun verzorgden brachten na de Eerste Wereldoorlog nagenoeg hetzelfde product, synthetische nitraatverbindingen, onder de naam kunstmest op de markt. En boeren vonden het geweldig. Geen gezeul  meer met karrenvrachten mest en magere opbrengsten, maar een handzaam korreltje dat op magische wijze een dorre vlakte in een een groene oase verandert.

Nu heeft kunstmest een paar belangrijke nadelen, die de heren van de wapenlobby er niet bij vertelden. Kunstmest in de vorm van kunstmatige stikstof put de natuurlijke vruchtbaarheid van de bodem uit, doordat de humus in de bodem versneld wordt afgebroken. En humus is nu juist hetgene dat in de natuur voor vruchtbaarheid in de bodem zorgt. Vul je deze humus niet aan met mest, compost of ander organisch materiaal dan wordt de bodem steeds schraler en verliest ze haar samenhang, met als gevolg: zandverstuivingen.

Organisch materiaal

We voeden de moestuin dus niet met synthetische vruchtbaarheid uit pakjes en zakjes, maar met organische materiaal. Mest van onze kippen en konijnen, compost, oude stalmest, organische mulch in de vorm van stro, gemaaid gras, houtsnippers, etc. Het organisch materiaal voedt het bodemleven. Dit bodemleven bestaat uit een complex netwerk van bacteriën, schimmels, amoebes, nematoden, protozoën, pissebedden, wormen en andere beestjes, die niets anders doen dan gratis en voor niets organisch materiaal omzetten in humus en mineralen. De humus zorgt voor structuur in de bodem en dat is nu net wat planten nodig hebben: een luchtige, kruimige bodemstructuur waar planten makkelijk in kunnen wortelen. Daarnaast houdt humus vocht vast. De mineralen, zoals diverse vormen van stikstof (N), fosfor (P) en kalium (K), voeden de plant. Over bemesting wordt vanuit een synthetische bril vooral in hoeveelheden N-P-K gedacht. Deze mineralen zijn van belang, maar niet het hele verhaal achter bemesting. Misschien nog wel belangrijker is het verhaal van koolstof, water en zuurstof.  Dat is het verhaal van organische mest, die voornamelijk uit koolstofverbindingen bestaat. Koolstof zorgt voor humus en humus zorgt voor een luchtige bodem die vocht vasthoudt voor als het nodig is.

De basis is dus organische koolstof. Doen we dan niks aan stifstof, kalium en fosfor? Zeker wel, maar voor mij is dat toch een beetje bijzaak. Schone houtas bevat veel kalium en gaat bij de planten die dat graag lusten, zoals tomaten en aardappels. Fosfor zit veel in botten en botten krijgt onze tuin genoeg uit de composthoop. Stikstof is de enige meststof die ik nog wel eens aanschaf en dan in de vorm van bloedmeel.

Wordt vervolgd…

 

Tomaten zaaien

De kasbewoners van dit jaar

Maart is begonnen en dan is het tijd om tomaten te zaaien. Ik was in februari al begonnen met de pepers en aubergines, maar die wilden niet opkomen. Dan nog maar een poging. Tomaten, aubergines, pepers, paprika’s; het kan ze niet warm genoeg zijn. Daarom beginnen we vroeg, maar binnenshuis. Zo hebben we tegen eind april, begin mei aardige planten die uitgeplant kunnen worden in de kas, zodra de kans op nachtvorst daar verdwenen is.

Rassen

Ik heb dit jaar weer dezelfde tomatenrassen gezaaid als vorig jaar. Drie soorten vleestomaten, namelijk de Black Seaman, de Purple Calabash en de Coeur de Boeuf. Daarnaast een soort cherry tomaat, de Brown Egg Cherry en een “gewone” saladetomaat, de Black Ethiopian.

Twaalf keer drie potentiële plantjes

Keep it simpel

Tomaten zaaien kan je zo ingewikkeld maken als je zelf wil. Ik hou het vrij simpel. Gewone potgrond, eventueel een beetje brekerzand erdoor in een plastic zaaibakjes.  Grond licht aandrukken, drie zaadjes per bakje en afdekken met een beetje zand. Vervolgens de potgrond vol laten zuigen met water, labeltje er bij en het bakje kan in de propagator. Dat is in mijn geval een duur woord voor een houten kist met een krant er onderin en een glazen plaat er boven op. Deze staat in de woonkamer op de meest zonnige vensterbank die we hebben. Het geheel werkt als een minibroeikasje in de woonkamer. Als het zonnig is loopt de temperatuur flink op. Tomaten kiemen het best bij temperaturen ruim boven de 20°C. Aubergines, pepers en paprika’s lusten nog wel een paar graden extra; die komen beneden de 25ºC hun nest amper uit. Je kan ook een elektrische propagator kopen met thermostaat en de hele rambam, maar zonder kan dus ook. Voor tomaten en pepers zelf prima, auberginezaden zijn en blijven verwende etterbakken in mijn beleving. Dat blijft zonder fancy climate control dus een beetje een gok.

Lekker in de zon op de vensterbank.

Vocht

Zonder water geen leven. De grond in de zaaibakjes moet constant een beetje vochtig zijn. Dagelijks even de plantenspuit er op is voldoende. De combinatie van vocht en warmte is ideaal voor schimmels. De combinatie schimmel en pas ontkiemde tomatenplantjes is dodelijk. De oplossing is simpel: voldoende ventilatie in de bak. Hou de glazen plaat altijd op een kiertje en dan is er niks aan de hand.

Ontkiemen

Na een week of twee zullen de tomaten ontkiemen en heel voorzichtig hun kopjes boven het zand steken. Als alles meezit zal een groot deel van de zaadjes opkomen. Van mijn eigen gekweekt tomatenzaad kwam vorig jaar bijna 100% op. De aubergines, pepers en paprika’s laten meestal wat langer op zich wachten; die zijn soms wel drie weken onderweg.

Na de kiemblaadjes komen de eerste twee echte bladeren. Als nummer drie en vier in aantocht zijn is het tijd om te verspenen: de plantjes gaan van hun benauwde zaaibakje naar een groter potje. Maar zover is het nog niet.

Wordt vervolgd…