Gif, piepers en gezondheid

Nieuwe oogst Anaïs

Op 29 juni 2020 kwam de Gezondheidsraad met een advies over het gebruik van landbouwgif en de gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Kort samengevat komt het hier op neer. Spuit uit voorzorg in de landbouw toch maar een beetje minder gif, want er zijn in de internationale wetenschappelijke literatuur sterke aanwijzingen dat gif toch wel, nou ja, … , giftig is.

De timing van het rapport is perfect. We zitten eind juni in een periode met wisselend warm en vochtig weer en dat betekent ideale omstandigheden voor plagen, zoals de schimmelziekte phytophtora. Deze agressieve plantenziekte heeft het vermogen om in een paar dagen een complete aardappel- of tomatenoogst te vernietigen. De aardappelteelt neemt een kwart tot een derde van het gif dat in de Nederlandse landbouw wordt gebruikt voor zijn rekening.

Wij wonen in Noordoost Groningen in aardappelland. Elke avond tuft er een trekker voorbij, met daarachter een spuitinrichting en honderden liters gif. Kalenderspuiten heet het fenomeen. “Onder kalenderspuiten wordt verstaan het regelmatig preventief op een vast moment gebruiken van een gewasbeschermingsmiddel om te voorkomen dat een plaag, ziekte of onkruid zich ontwikkelt…” lees ik in een officiële bekendmaking.

“Proefdieronderzoek en onderzoek naar werkingsmechanismen laten zien dat verbanden tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en de ziekte van Parkinson en ontwikkelingsstoornissen bij kinderen plausibel zijn…” lees ik in de samenvatting van het eerder genoemde advies van de Gezondheidsraad.

“Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren, en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.” dichtte Willem Elsschot.

Aardappels in verhoogde bakken met mulch
Een van de vakken vroege aardappels, half mei

Ik tuinier zonder gif. Tomaten en aardappelen zijn, qua opbrengst, mijn twee grootste teelten. Beide planten uit de familie van de nachtschade zijn gevoelig voor Phytophtora. Dit kan een vloek zijn als je zonder gif wil tuinieren.

Afgelopenweek oogste ik het eerste vak vroege aardappels. Deze aardappels waren van het ras Anaïs. Een heerlijke licht kruimige aardappel, met een behoorlijke resistentie tegen phytophtora. Gepoot in de eerste week van maart, zodat ik vroeg in het seizoen en hopelijk voor de grootste infectiedruk aan, kan oogsten.

De oogst bedroeg 8,9 kilo van een vak van twee vierkante meter met vijftien poters, op een half schaduw lokatie. Omgerekend naar een hectare zou dat uitkomen op een kleine 45 ton. Voor consumptieaardappelen in een extreem droog jaar geen rare opbrengst.

Deze aardappelen zijn amper bemest in de klassieke zin van het woord. Ze groeien in een verhoogde bak die wel wat weg heeft van huegelkultur: een laag halfvergane stammetjes met daarop een ruime hoeveelheid ruwe compost. Het vak heeft een kruiwagen konijnenmest gehad in de winter. De planten zijn opgegroeid in een dikke laag mulch, die in twee fasen is aangebracht; een laag gehakselde beukenhaag in april en een laag ruwe compost in mei.

De planten lieten een krachtige, gezonde groei zien, met een flinke loof ontwikkeling. Na een korte regenbui begin juni groeiden er spontaan paddestoelen tussen de aardappelplanten. Dit duidt op een schimmelgedomineerde stuctuur van het bodemleven. Bij de oogste was het loof gezond, net als de knollen, op een handjevol door wormen aangevreten exemplaren na.

De aardappelziekte Phytophthora verandert. Er zijn nieuwe stammen gekomen die agressiever zijn dan we voorheen gewend waren. (…) Deze nieuwe stammen vormen meer vlekken en sporen en de vlekken groeien sneller. (…) Dit betekent dat bij warm en vochtig weer de interval tussen bespuitingen verkort dient te worden… las ik onlangs in dit bericht in AkkerbouwActueel.

Hoe meer de boer spuit, hoe agressiever de natuur reageert.  Gezonde groei begint in een gezonde bodem; niet in een bodem die is doordrenkt met synthetische meststoffen en gif, met amper organische stof en waar iedere samenhang en leven door overmatige bewerking uit is verdwenen.  Het is opvallend hoe weinig aandacht er is voor bodemvruchtbaarheid, organische stof gehalte en de een gezond bodemleven in de discussie rond landbouwgif. Ook in het rapport van de Gezondheidsraad ontbreekt de link naar een gezonde bodem in het streven naar een vermindering van het gebruik van landbouwgif.  Het chemisch landbouwmodel gaat de wereld niet voeden. Een gezond bodemleven wel.

Gifvrij aardappels telen is niet makkelijk, maar het kan. Wat ik tot nu toe geleerd heb:

  1. Blitzkrieg: vroeg poten en vroeg rooien om de ergste besmettingsdruk in de zomer voor te zijn.
  2. Resistente rassen: gifvrij telen met rassen die bekend staan om hun vatbaarheid voor phytophtora is vragen om problemen. Meervoudig resistente rassen zoals Sarpo Myra zijn een onmisbare strategie en smaken uitstekend, in tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt.
  3.  Levende bodem: een gezonde bodem is een levende bodem. Beperk verstoring, spit niet, voedt het bodemleven met organisch materiaal en diversiteit in het teelplan en werk toe naar een bodem die schimmelgedomineerd is. Gebruik geen kunstmest, maar compost of organische mest, voorkom naakte grond en mulch, mulch, mulch.
  4. Tel uw regenwormen één voor één. Tel ze alle en vergeet er geen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Potgrond

Compositie van  doe-het-zelf potgrond, koolzaailingen, grondzeef, compostvork en regenton

Nederland is verslaafd aan potgrond. Ook bij ons gaat er aardig wat doorheen. Ik probeer er zuinig mee te zijn, want ik vind drie, vier euro voor 40 liter organisch materiaal best een stevige prijs. Daar mag je gerust nog een eurotje bovenop tikken als je voor de bio-variant gaat.

Naast de prijs kleven er nog andere bezwaren aan potgrond. Turf is momenteel het voornaamste ingredient van de meeste potgrond. Turf is gedroogd veen. Het is een delfstof. Nederland gebruikt er jaarlijks ruim 4 miljoen kuub van. Een derde van die berg komt voor rekening van de consument.¹

Onze Nederlandse turf is op. Wat achterbleef is het veenkoloniaal landschap van Oost-Groningen en Drenthe en de grote petgaten en veenplassen in Holland. Wat er nog aan veen over is, is natuur. Onze turfhonger stillen we nu met turf uit Estland. Grote veengebieden worden daar afgegraven voor onze Begonia’s. De natuurfilmer Melchert Meijer zu Slochtern  filmde de gevolgen van de potgrondindustrie voor het hoogveen in Estland en schreef er onlangs een blog over.

We moeten dus van onze turf verslaving af. Als de commerciele variant niet deugt is zelf een betere variant maken over het algemeen mijn eerste keus. Potgrond maken dus.

Potgrond gebruik ik voornamelijk om in te zaaien en om zaailingen in te verspenen, voordat ze de tuin in gaan. Voor deze toepassingen is onze eigen compost, die ik door een zeef heb gehaald, een prima alternatief.

Deze verse compost zit boordevol leven; wormen, pissebedden, duizend- en miljoenpoten, etc. Het enige nadeel is dat mijn eigen compost door de relatief lage temperatuur bij het composteren nog aardig wat onkruid- en andere zaden bevat. Verder houdt het minder makkelijk vocht vast dan potgrond uit de winkel. Bij droogte wat extra in de gaten houden dus.

Gezeefde compost, prima alternatief voor potgrond

De hoeveelheid voedingsstoffen die deze compost bevat zal van keer tot keer verschillen. Composteren op kleine schaal is meer een kunst dan een wetenschap en afhankelijk van het uitgangsmateriaal zal het eindproduct variëren. Voor het maken van je eigen potgrondcompost zijn twee instrumenten onontbeerlijk: een stevige grondzeef en een compostvork. Mijn grondzeef is een afdanker die jaren ongebruikt in een achtertuin rondzwierf. Een kruiwagen, vat of regenton om de ruwe compost boven te zeven is ook handig. Ik bewaar een voorraadje gezeefde compost in een afgesloten oude regenton. Na een tijdje beginnen dan de eerste onkruidzaden te ontkiemen. Wat in het vat al ontkiemd is, ontkiemd niet meer in de pot.

Mocht je geen vertrouwen in de voedingswaarde van je eigen compost hebben, dan kun je deze natuurlijk altijd oppeppen met een organische stikstof, kali en/of fosfor bron. Maar naar mijn idee kan je deze NPK-mentaliteit net zo goed achter je laten en je vooral richten op een gezond bodemleven. Die vruchtbaarheid komt dan vanzelf.

¹Deze cijfers komen uit dit rapport van de Landbouwuniversiteit Wageningen uit 2011.

Tussen-, combi- en multiteelt

Anderhalve meter; het voelt onnatuurlijk. De mens is een door en door sociaal wezen. Het liefst klitten we op in en aan elkaar op een zo klein mogelijke ruimte, vooral als we jong zijn.

De voorschriften van de  anderhalve meter samenleving geven met lijnen en pijlen aan hoe we ons tot elkaar dienen te verhouden. Demonstreren mag, maar allemaal netjes op je eigen stip.  Voelt ongemakkelijk. Gelukkig hoef ik niet meer zo vaak te demonstreren. Ik heb tussen mijn zestiende en zesentwintigste zoveel gedemonstreerd dat ik een soort van morele ontheffing heb.

De stippen en pijlen doen me aan iets denken. De pictogrammen op zakjes zaaigoed. Bietjes: 30 cm in de rij, 20 er tussen. Kool: 50 bij 40. In de moestuin is de anderhalve meter samenleving voor planten al jaren de norm. Terwijl planten net mensen zijn. Ook zij klitten het liefst op en aan elkaar in een zo klein mogelijke ruimte.

Planten in een monocultuur met de voorgeschreven afstand voelen zich eenzaam. Eenzame en depressieve planten worden in de moestuin al snel opgeruimd door het slakkenvolk.

Ui en wortel, een klassieke combinatie

Rijtjes en afstanden zijn er zo ingeramd in de moestuin, dat het moeilijk afscheid nemen is. Het doorbreken van een monocultuur met combinatieteelt is een klassieker. Naast wortelen hoort ui, want die helpen elkaar van hun plagen af. Een andere, minder bekende zijn de drie gezusters: mais, pompoen en bonen. Tussenteelt is ook geen onbekende voor de doorgewinterde moestuinier. Tussen twee rijen bonenstaken past best een rijtje andijvie of sla. Als de timing goed is, is de sla klaar als bonen gaan klimmen en de zon wegnemen.

Klaver met prei?

Het blijft allemaal wat magertjes en onbeholpen als je het afzet tegen de radicale diversiteit, die de standaard is in de natuur. In de moestuin is het voor mij nog een grote zoektocht naar de kracht van die radicale diversiteit. Tussen de rijtjes door groeien de experimenten. Snelle groeiers doen het goed tussen snelle groeiers. Zo is mosterd en phacelia prima te combineren met peultjes en capucijners. Klavers met prei? Geen idee, maar we gaan het proberen.

Snelle groeiers
Saladebar!

De salade bar is in ieder geval een doorslaand succes. Dit is een mix van twee vierkante meter snijmoes, rucola, veldsla, biet en andere gebladerte voor de dagelijkse salade. Elke avond een flinke bak en er lijkt geen einde aan te komen. De rucola staat nu bijna in bloei en de snijmoes krijgt wat de overhand. Binnenkort alles één keer afknippen en de weelde begint weer van voren af aan.

 

 

 

 

 

Peul en pasta

 

Peul en pasta met geitenkaas en honing

Het is vroeg in de zomer. Tijd voor peultjes. Peultjes zijn in februari, maart een van de eerste groenten die ik voorzaai in de kas. Het zijn klimplanten, dus ze trekken zich met kleine grijparmpjes graag op aan een hekwerk van gaas, takken of draad.

Eind mei, begin juni zijn de eerste peultjes klaar. Om de dag loop ik langs de rijen peultjes en pluk ik de grootste er tussen uit. Hoe meer je plukt, hoe meer nieuwe bloesem en dus peultjes de plant aanmaakt. Peultjes eten we zo vers mogelijk. Hoe verser, hoe knapperiger, hoe lekkerder. Ik pluk ze dus als het even kan vlak voor het koken.

Rauw zijn ze al lekker, maar het liefst blancheer ik ze een halve minuut in water dat net van de kook is en spoel ze dan onder koud water, zodat ze niet verder garen. Deze groente ís de prille zomer.  Alles wat fris, groen en verwachtingsvol is, zit in de smaak en bite van dat groene hoesje met nog niet ontwikkelde zaden.

Een bescheiden groente, die tevreden is met een bijrol in een salade van snijmoes, rucola en veldsla, tot je hem de hoofdrol geeft in een huisgemaakte pasta.

Over zelf pasta maken gaan we het later nog eens uitgebreid hebben. Dat is een verhaal apart. Sinds mijn studententijd ben ik de gelukkige bezitter van een pastamachine. Het thuis pasta maken gaat met vlagen van elke week tot soms jaren niet.

Pasta maken, een verhaal apart

Tagliatelle met peultjes, geitenkaas en honing

De laatste tijd halen we de pastamachine weer vaker uit de kast. Leuk project met de kinderen, pasta maken. Voor pasta gebruik ik het liefst boem van harde tarwe (type 00), maar dat heb ik niet altijd in huis en dan wil het met patentbloem ook wel lukken. Voor vier porties reken ik 300 gram bloem, 3 eieren, een beetje zout en een flinke scheut olijfolie. Maak hiervan een pastadeeg en verwerk deze tot tagliatelle. Hang de verse pasta aan een stok te drogen, terwijl je met de rest van de voorbereidingen bezig bent.

Blancheer de peultjes en zet deze apart. Rasp een flinke hand vol oude geitenkaas. Snij een flinke bos verse oregano en (appel)munt in dunne sliertjes. Breng anderhalf liter huisgemaakte en ontvette kippenbouillon aan de kook en kook de tagliatelle in 4 minuten gaar. Verdeel de pasta over de borden en voeg de peultjes, oregano en munt toe. Besprekel licht met een goede olijfolie en een beetje citroensap. Bestrooi met de geraspte geitenkaas en kwengel er aan het eind een flinke lik voorjaarshoning over. Bij voorkeur van het bijenvolk van je echtgenote. Bij gebrek hieraan mag honing van een andere imker uit de buurt natuurlijk ook. Op smaak brengen met peper en zout.

Serveren met een niet al te ingewikkelde droge witte wijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

Honing slingeren

Raten ontzegelen

Mei is alweer half voorbij. De meeste fruitbomen zijn uitgebloeid. De paardebloemen hebben hun gele kopjes ingewisseld voor een grijze bol zaden. Tijd om honing te slingeren. Afgelopen zaterdag was het zover. De bovenste honingkamer op het bijenvolk van Yvet zat goed vol. Tijd voor de oogst.

Met een honingslinger, een soort centrifuge, slinger je de honing uit de raten. Maar voor het zover is moet je ze eerst ontzegelen. Bijen sluiten hun voorraadpotjes namelijk af met een dekseltje. Net zoals wij doen met een potje chocopasta. Alleen is het dekseltje van de bijen van was.

Met een getand mes wip je de dekseltjes er af. Daarna gaan de raten in de slinger en moet er flink gedraaid worden. Daar gebruiken we in de familie het liefst kinderarbeid voor. Zo hielpen wij vroeger mijn vader bij het slingeren en is het nu de beurt aan onze kinderen. De beloning? Even met je vinger door die gouden stoom verse honing.

Snoepen is gezond.

Zwieneerappels

Kook in de schil voor hipsterknollen…

Vorige week hebben we nieuwe aardappels gegeten. Niet ingevlogen uit Israël of Marokko, maar gewoon uit de tuin. Hoewel gewoon… Een aardappel moet je normaliter niet al in mei uit de grond willen halen. Sterker nog, het is niet eens zo raar als je half mei de laatste late aardappelen poot.

Met de lauwe winters die we de laatste jaren hebben loont het de moeite om een gokje te wagen. Deze winter hebben we amper vorst gehad. Vrijwel heel januari en februari bleven vorstvrij. In het vroege voorjaar hebben we een paar koude nachten gehad, maar alles bij elkaar stelde het niet veel voor.

De eerste week van januari heb ik in de kas een paar bakken met extra vroege aardappelen klaar gezet. De bakken bestaan uit 60 liter speciekuipen, waarin ik afwateringsgaten heb geboord. Onder in de bak gaat een laagje stro. Daarop komt een laag konijnen- en kippenmest. Dan een laag aarde met aardappels en een beetje houtas voor de extra kali. Het geheel dek ik af met een mulchlaag van houtsnippers of stro.

Per bak drie poters van een vroeg ras, bijvoorbeeld Eersteling, Anaïs of, zoals dit jaar, Tiamo. De mest gaat broeien en zorgt, samen met de winterzon in de kas, voor wat extra warmte. Begin maart kwamen de eerste scheuten boven. Begin april verhuisden de bakken van de kas naar buiten om plaats te maken voor de zaailingen van tomaten en ander warmte minnend spul. De extra vroege aardappelen komen dan op een beschutte plek tegen een muur op het zuiden.

Extra vroeg in speciekuip met mulch

Begin mei zijn deze aardappelen al zo’n 120 dagen onderweg. Normaal is dat ruim voldoende voor vroege aardappels, maar die koude korte dagen in het voorjaar zetten natuurlijk weinig zoden aan de dijk. Begin mei haal ik een  handje vol krieltjes uit zo’n bak. Erg lekker, maar de opbrengst is nog wat zuunig. Vanaf half mei gaat het de goede kant op. Een mooi formaat aardappels met opbrengst van ongeveer een pond per plant.

Zwieneerappels vs hipsterknollen

De lekkerste aardappels van het jaar zijn de eerste. Die eet je natuurlijk met schil en al. Zwieneerappels, noemt mijn vader dat, met een verwijzing naar de oude gewoonte om de aardappelschillen aan de varkens te voeren. Je zou het ook hipsterknollen kunnen noemen, naar de gewoonte van foodies om grootmoeders keuken in een nieuw jasje als eigen uitvinding aan de man te brengen. Deze bijzonder verse aardappelen koken we daarom kort in de schil en bakken we daarna goudbruin in een klontje boter met flink wat verse rozemarijn en tijm. Een lenteuitje erdoor kan ook prima. Op smaak brengen met grof gemalen zwarte peper en grof zeezout. Serveren met een goeie bel syrah, ingemaakte groente en desgewenst een entrecôte van uw favoriete bioknuffelboer (hipsterknollen) of een gehaktbal met vette jus (zwieneerappels).

Ondertussen in de moestuin…

Verhoogde bakken met mulch

Ondertussen steken in de moestuin overal de aardappels de kop boven de grond. De extra vroege bakken lopen uiteraard voorop; de laatste late aardappelen komen net boven. Na de zachtste winter hebben we nu het droogste voorjaar ooit. Daarom mulch ik nog fanatieker dan andere jaren. Wel of geen muchlaag maakt een enorm verschil in de hoeveelheid vocht die verdampt, zeker in het voorjaar als er nog amper loof boven de grond staat. Houtsnippers, compost, gehakt stro, gemaaid gras… de jonge scheuten komen er vanzelf doorheen en groeien, na wat plaagstootjes van het slakkenvolk, vrolijk verder.

In zakken met mulch

Vermijd open ruggetjes

Op ruggetjes met mulch

De late aardappels teel ik op ruggetjes. Zonder mulch om de verdamping tegen te gaan is zo’n open ruggetjes systeem vragen om moeilijkheden bij droogte. Een mooi laagje stro tussen die ruggetjes houdt het vocht goed vast en geeft bovendien een extra boost aan het bodemleven. Stro, compost, onkruid, gemaaid gras; alles past er tussen, zolang het loof nog niet te hoog staat.

 

 

Zalf

perenbloesem

De lente werkt als zalf op de ziel in deze vreemde tijden. Nieuw leven, in de knoppen, in de bloesem, in scheuten die ontspringen aan de bladkool die moeiteloos deze laffe winter is doorgekomen. Na een langdurige staking zijn de kippen weer aan de leg. Het bijenvolk van mijn vrouw heeft een nieuwe standplaats gevonden. Van een tuin bij vrienden in het dorp naar een plek achter een oude kwekerij net buiten het dorp. Volgens Yvet hebben ze het naar hun zin op hun nieuwe plek. Met het mooie lenteweer wordt er flink gevlogen. Met klompjes tegelijk brengen ze het stuifmeel binnen. De kersen en de peer zijn aan de bloei begonnen. De appels maken nog geen aanstalten.

April is een drukke maand in de tuin. De tomatenplanten moeten verspeend, verpot en wachten op een nieuw huis. Er moet veel de grond in, waaronder de ruim 200 pootaardappels die ons dit jaar hopelijk voor het eerst jaar rond van onze eigen aardappelen gaan voorzien. Woekerende wilde bramen moeten de grond uit. De composthoop moet gekeerd, de kas klaargemaakt voor een nieuw seizoen, bonen voorgetrokken en staken opgezet.

Recept calendula zalf

Tuinieren doe ik doorgaans met blote handen. Grondcontact maakt gelukkig. Daar passen geen handschoenen bij. Deze intensieve omgang met de tuin laat zijn sporen na op mijn handen; spinters, kloven, rouwranden en een ruwe huid.

Tegen ruwe of uitgedroogde handen, kloven en schaafplekken heb ik één remedie: waszalf. De basis van deze zalf is olijfolie en bijenwas. De verhouding is ongeveer één deel bijwas op zes delen olie. De was komt van omgesmolten raten van ons bijenvolk. Voor de olie gebuik ik een huis-tuin-en-keuken olijfolie. Verwarm de olie au-bain-marie, laat de was er in smelten en giet de zalf in een potje. De zalf stolt vanzelf tot een substantie met de consistentie van … zalf. Vind je de zalf te hard, gebruik dan minder was en vice versa.

Van de huis-tuin-en-keuken olijfolie kan je calendula-olie maken door er zes weken lang een flinke lading goudsbloemblaadjes in te laten macareren. Olie en bloemblaadjes in een grote pot in de vensterbank lekker in de zon laten trekken. Daarna de olie zeven. Op deze manier krijg je eenvoudig een calendula-olie. Gebruik je deze olie voor de zalf dan heb je een goudeerlijke calendula zalf.

Zowel goudsbloem als bijenwas staan bekend om hun helende en ontstekingsremmende eigenschappen. Huid en olijfolie is zo oud als Rome. Gecombineerd geeft het een superieure zalf. Dit spul werkt.

 

Bowassie? Bokashi!

Gister waaide een nieuwe term mijn mailbox in. Bokashi. Of ik daar iets over kon schrijven. Prima, maar ik weet niet zoveel over bokashi en wat ik er van weet heb ik ook maar ergens opgescharreld. Ik maak het zelf niet. De vraag of het echt wonderen doet in de tuin, kan ik dus niet uit eerste hand beantwoorden.

Bokashi is hip en happening in de groene wereld. Het is een methode om groene reststromen te verwerken tot een natuurproduct dat de bodemvruchtbaarheid een boost geeft. Bokashi maak je in een luchtdichte emmer met een gistingsproces, dat lijkt op de manier waarop je zuurkool maakt.

Alle keuken en etensrestjes gaan met een speciaal mengsel van “effectieve micro-organismen” in een afsluitbare bak. In deze zuurstofloze omgeving vindt een gistingsproces plaats, waarbij de koolhydraten uit het keukenafval omgezet worden in melkzuur. De zure brij die zo ontstaat zou bijzonder heilzaam voor het bodemleven zijn en wordt uitgespreid tussen de planten of ondergewerkt in de bodem.

In de bodem wordt de bokashi door het bodemleven omgezet in humus. De bokashi is dus een soort tussenstap in de afbraakcyclus van energierijk organisch materiaal. Wormen schijnen er gek op te zijn.

Bokashi is dus iets anders dan compost. Bij compost is de omzetting van het organisch materiaal veel verder gevorderd en is het eindproduct een relatief stabiele vorm van humus. Ook lekker voor het bodemleven, maar niet per se het favoriete kostje van iedere regenworm.

Zelf zal ik niet snel aan de bokashi beginnen. Koolhydraatrijke keukenrestjes gaan bij ons naar de kippen. Deze zetten de restjes om in een krachtige mest, gezelligheid en eieren. Wat niet naar de kippen of konijnen gaat composteren we in een VAM-compostvat.

Composteren is in dit geval een groot woord. Het VAM-vat is de plaats voor een min of meer gecontroleerd rottingsproces dat soms richting een groot wormenhotel gaat en soms meer weg heeft van klassiek composteren. Heel soms gaat het mis. Dan ontstaat zuurstofloze rotting.

Met dat laatste ben ik  meestal niet zo blij. Rotten zonder zuurstof geeft potentieel bijzonder akelige bijproducten zoals methaan, amoniak en zwavelzuurachtige verbindingen. Niet zo fris en zeker niet iets wat zonder meer het bodemleven tot grote bloei brengt. Ongecontroleerde anaerobe rotting is precies hetgeen waar je voor op je hoede bent bij het composteren.  Daarom moet een composthoop met enige regelmaat omgekeerd worden; op die manier komt er weer zuurstof in de hoop.

Terug naar de bokashi. Wat mijn natuurlijke argwaan wekt is dat het alleen schijnt te werken als er iets uit een duur flesje bij gaat. Want zonder een preparaat van effectieve micro-organismen gaat het blijkbaar niet. Op zich is dat niet raar. In een luchtdichte afgesloten container krijg je een micro-organismen orgie van de gasten die toevallig op de afvalresten zijn beland en dan is het maar net de vraag wie ongecontroleerd de overhand krijgt. Daar kunnen best rare jongens tussen zitten. Een preparaat met de gewenste organismen helpt om de race bij voorbaat te winnen.

De bokashi starters die ik tegen kom bestaan meestal uit met  melkzuurbacteriën geïmpregneerde tarwezemelen. Misschien dat een zakje havermout en een scheutje biologische karnemelk hetzelfde doet. Wellicht een leuk experiment als je geen ruimte hebt voor een kippenhok en composthoop. Als je die ruimte wel hebt lijkt me het gedoe van bokashi niet opwegen tegen de gezelligheid een paar scharrelende kippen en het genot van een vers geraapt ei.

Bij één van de claims die ik rond bokashi aantref heb ik zo mijn vraagtekens. Bokashi produceert geen CO2 in tegenstelling tot composteren. Amahoela denk ik dan. De prut gaat na het fermentatieproces alsnog de tuin in, waar het bodemleven het uiteindelijk omzet in humus en … CO2.

Alles bij elkaar denk ik dat bokashi een mooie techniek kan zijn voor de klein behuisde medemens die bewust aan de slag wil met zijn groene reststroom. Een wormenhotel kan dan natuurlijk ook. Of stiekem toch twee minikippetjes.

 

 

 

Waterbelastingontduiking

Waterbelastingontduiking. Doet u mee?

Na de extreem droge zomer van 2018 kwam de niet zo extreem, maar toch wel behoorlijk droge zomer van 2019. Opnieuw een zomer met regelmatig akelig lege regentonnen. Vooral in de kas gaan er in de zomer flink wat gieters door. Zestig liter op een dag is zo weg, zelfs als we flink wat voorzorgsmaatregelen tegen verdamping nemen, zoals een dikke mulchlaag op de bodem.

Een lege regenton vul ik niet graag met leidingwater. Het wonder van ons goedkoop, schoon en veilig drinkwater wordt namelijke steeds wonderlijker. Nitraatuitspoeling, landbouwgif, medicijnresten, microplastics, rommel uit de mijnbouw; de lijst rotzooi die langzaam doorsijpelt naar onze drinkwaterbronnen wordt steeds langer. Twee voor twaalf is het, volgens de club van drinkwaterbedrijven, die september vorig jaar een alarmerend rapport over de kwaliteit van ons drinkwaterbronnen publiceerde.

Toch hoef ik het gebruik van drinkwater in de tuin om het geld niet te laten. Leidingwater is in Nederland belachelijk goedkoop. Per kuub betaal je ongeveer € 1,65 als je alle kosten zoals vastrecht, BTW en waterleidingbelasting meerekent en op jaarbasis ongeveer 100 kuub verbruikt. Een groot deel van deze kosten, ongeveer 30%, bestaat uit belasting. BTW van 9% en daarnaast een speciale leidingwaterbelasting van bijna 35 cent per kuub die iedere gebruiker over de eerste 300 m3 betaald.

Het idee achter deze belasting is dat we dan met zijn allen zuiniger met water omgaan. Waarom de grootverbuikers, waar een beetje zuinig omgaan met water logischerwijs wat meer aantikt, vrijgesteld zijn, blijft me een raadsel. Het zal wel iets te maken hebben met de verdorvenheid van de Belastingdienst in het algemeen en in het bijzonder met de voorliefde van onze regering om lasten zoveel mogelijk op de burgers af te wentelen in plaats van het bedrijfsleven naar rato bij te laten dragen.

Sterker nog, wil je als burger een steentje bijdragen aan een lager waterverbruik door een regenton te installeren, dan betaal je dubbel, want die regenton komt meestal niet gratis. Wil je serieus gebruik maken van regenwater, dan is één ton niet genoeg. Met wat rekenwerk kom ik uit op een benodigde opslagcapaciteit van ongeveer 1500 liter om met enige zekerheid met regenwater in het waterverbuik van de tuin te kunnen voorzien, mochten we weer een droge zomer krijgen.

De handige ritselaar komt met een paar euro een heel eind, terwijl een splinternieuwe regenwatertank van die omvang al snel richting de 500 euro gaat. Als we voorzichtig rekenen is 150 euro voor anderhalf kuub geen raar bedrag. Dat is een investering van het equivalent van drie jaar waterbelasting, die je extra betaalt, bovenop de belasting die je al betaalt hebt om het waterverbruik van de industrie te sponsoren.

Het wordt nog gekker als je de verontreinigingsheffing er bij betrekt. Elke kuub regenwater die niet in het riool verdwijnt hoeft ook niet gezuiverd te worden door het waterschap. Korting op de rioolheffing in verband met de 60.000 liter regenwater die we het afgelopen jaar niet het riool in hebben laten lopen, maar hebben omgezet in eerste klas tomaten en komkommers zit er waarschijnlijk niet in. Er zijn wel gemeenten of waterschappen die een symbolische subsidie geven op regentonnen, maar echt serieus wordt het nergens.

Voor serieuze belastingontduiking moet je een brievenbus firma oprichten, met lege BV’s op de Bahama’s en een trustkantoor op de Zuidas. En zo kan het gebeuren dat ik als groene burgert oneindig veel meer belasting betaal over drinkwater dan een willekeurig multinationaal oliebedrijf zoals Shell aan winstbelasting in Nederland betaalt. Die betalen namelijk precies 0 euro, zo onthulde Trouw eind 2018. Een groene belastingmoraal is in Nederland nog ver te zoeken.

Schrale troost bij dit alles is de wetenschap dat een beetje regenbui mij een slorigde 15 cent aan waterbelastingontduiking oplevert. Ik vang die regenbui het liefst op in de groene kliko, die met gemak 200 liter bergen kan en gratis door de gemeente werd geleverd (afgezien van een x bedrag vastrecht in het DIFTAR-systeem dat onze gemeente hanteert). Composteren kan ik zelf wel, dus voor het aanbieden van GFT-afval heb ik die bak niet nodig. En reken ik 60.000 liter om naar die kostprijs van  € 1,65 dan komt er jaarlijks voor een slordige honderd euro aan water op ons dak vallen.  Toch weer een meevaller, op deze druilerige januari-ochtend.

Schoon en veilig drinkwater. Een groot deel van onze planeet doet er een moord voor. Letterlijk. De oorlogen van de 21e eeuw zullen om drinkwater gaan wordt wel eens beweert. In Nederland hebben we geen wateroorlog. Hier hebben we al eeuwenlang het waterschap. Een afzonderlijke bestuurslaag om al onze collectieve belangen rond water netjes te regelen. Verkiezingen voor het waterschapsbestuur maken het democratisch feestje compleet. De geborgde zetels (die krijgen ze gratis, zonder dat er voor gestemd hoeft te worden) voor de agrarische sector en het bedrijfsleven zorgen er voor dat de rekening netjes bij de burger in plaats van bij boeren en bedrijven terecht komen, zoals de Trouw in een boeiend artikel over de verdeling van de waterschapslasten onlangs liet zien.

Ik ben er inmiddels wel klaar mee. Dankzij een paar nieuwe regentonnen zet ik dit jaar in op maximale waterbelastingontduiking. Doet u mee?

 

 

 

 

Stikstof

Spontane brandnetel tussen de aardbeien en de Oost-Indische kers

Een netelige kwestie. Stikstof. De kranten staan er vol mee. Onze kinderen behandelen het bij “nieuwsbegrip” op de basisschool, maar wat is het eigenlijk?

Losgeslagen N

Overal om ons heen is stikstof. De atmosfeer bestaat voor 78% uit stikstofgas: N2. In de lucht doet dit stikstofgas niet zoveel. De twee N-atomen zitten stevig aan elkaar vast. Zo stevig, dat ze niet de behoefte hebben om te reageren met allerlei andere atomen. Bliksem is een van de weinige natuurlijke manieren om ze los te peuteren.  Het kan ook synthetisch via het Haber-Boschproces en dan heb je de grondstof voor explosieven en kunstmest te pakken. Een losgepeuterd stukje N is namelijk een heel ander verhaal. Een losgeslagen N reageert als een wilde. Met zuurstof, met waterstof. Je krijgt dan dingen als ammoniak, nietriet en nitraat. Deze verbindingen vormen de essentiele bouwstenen voor iedere levensvorm: zonder stikstof geen DNA, geen eiwitten of aminozuren. Maar dus ook geen springstof en kunstmest.

Stikstofkringloop

Net als water kent stikstof een natuurlijke kringloop. Planten nemen stikstof op uit de bodem en gebruiken dit om organisch materiaal te maken, dat door mensen, dieren, schimmels en bacterien wordt opgegeten en verteerd. Tijdens dit verteren komt de stikstof weer in minerale vorm beschikbaar voor planten en zo begint de cyclus opnieuw. Vlinderbloemigen, dat zijn planten zoals klaver, bonen, erwten en lupine, hebben een bijzondere plek in deze natuurlijke cyclus. Door hun samenwerking met een speciale groep bacterien hebben deze planten de unieke eigenschap om stikstof uit de lucht vast te leggen in de bodem.

Explosieve vruchtbaarheid

In de moestuin ben ik dol op stikstof, simpelweg, omdat ik zonder stikstof niet kan tuinieren. Het is een van de essentiele elementen om de bodem vruchtbaar te houden. Stikstof is explosieve vruchtbaarheid. Deze kennis is eeuwenoud en terug te vinden in religieuze voorschriften, voedselwetten, volksverhalen en sprookjes. Zou vinden we in de bijbel het gebod om geen bloed te eten, maar dit bloed over de akkers te laten lopen, om de welvaart van jezelf en je nageslacht te verzekeren (Deuteronomium 12: 23-25). Bloed is een enorm krachtige stikstofbemesting en wordt als zodanig ook in de (biologische) landbouw gebruikt in de vorm van bloedmeel. In menig sprookje spelen vlinderbloemige toverbonen de hoofdrol als armlastige boeren iets van welvaart proberen te vergaren.

Stikstof is dus explosieve vruchtbaarheid. In de moestuin gaan we daar voorzichtig mee om en proberen we zoveel mogelijk aan te sluiten bij de natuurlijke stikstofkringloop. Dat betekent voldoende erwten, boontjes en andere vlinderbloemigen opnemen in het teelplannen en zorgen dat de stikstof die is vastgelegd in plantenresten door compostering en mulchen ook weer beschikbaar komt in de bodem.

Brandnetel als signaalgewas

Sommige planten zijn extra dol op stikstof. Brandnetels bijvoorbeeld of smeerwortel. Op plekken in de tuin waar deze spontaan gaan groeien zit voldoende stikstof in de bodem. Het is dus een signaalgewas voor de aanwezigheid van stikstof. Vaak is dat op de randen van heggen, paadjes en groentebedden. Regelmatig pluk ik deze brandnetels om ze in de vorm van mulch of brandnetelgier aan planten te geven die nog wel een beetje stikstof kunnen gebruiken. Kool is er dol op.

Ik zou deze brandnetels natuurlijk ook gewoon kunnen eten: blancheren en dan in een soep verwerken of een paar jonge toppen in een glas kokend water nuttigen als heilzame brandnetelthee. Meestal vind ik dat zonde en gebruik ik het liever om er een composthoop of een kwart kuub regenwater mee te pimpen.