Kinderspel

Een motor loopt op benzine. Kinderen lopen op aandacht. Drie weken thuisonderwijs veranderen daar niets aan. ’s Morgens doen we de schoolopdrachten en klinkt de stem van juf via de ipad op zolder. ’s Middags gaan ze hun gang of verzinnen we projecten. De jongste gaat het liefst haar eigen gang. In haar projecten spelen lijm, glitters en viltstiften de hoofdrol. Ik heb niet zoveel met glitters. Op andere vlakken kunnen we elkaar beter vinden. Toneel bijvoorbeeld. Af en toe een half uurtje toneeloefeningen tussen de bedrijven door werkt als een dolle. Een dier uitbeelden en dat je broertje dan moet raden welk dier het is. Of  met je ogen dicht aandachtig luisteren. Eerst naar de geluiden buiten het huis. Dan naar het geluid in de kamer. Dan naar het geluid dicht bij je zelf en ten slotte naar de geluiden die je in je eigen lichaam hoort.

De oudste is een ander verhaal. Die is van de vogels, de beestjes en de onverstoorde concentratie. In het vogelhuisje dat we drie weken geleden maakten zit inmiddels een koolmees. Gister zijn we twee uur bezig geweest in zijn nieuwe tuintje. Radijsjes zaaien, plantuitjes planten, een klimrek opzetten voor de peultjes en ten slotte een paar flinke handen bloemenzaad er in. Want groente in je tuin is leuk, maar er moeten ook bloemen zijn. Na twee uur was het mooi geweest. Toen moest er gespeeld worden met soldaatjes en playmobil.

Zondag hebben we een eind gefietst. We kwamen langs het Zwartje Laantje en de spoorbrug, waar we zomers lang speelde, vuurtjes fikten en ik met mijn vriendjes de bevrijding nog eens dunnetjes over deed. Op de picknickplek halverwege de fietstocht lag een boom over het water. De twaalf jarige werd al snel weer in mij wakker. Zonder kleerscheuren of een nat pak haalde ik via de boom de overkant. De spelende mens; homo ludens, in de jaren dertig van de vorige eeuw uitgevonden door de historicus Johan Huizinga

Na drie weken quarantaine is de spelende mens wakker geworden. De spelende mens moet de zin van zijn bestaan zelf vorm geven nu hij niet langer terug kan vallen op de dagelijkse dosis sociale bevestiging van de normale staat der dingen. Het spel als overlevingsstrategie. Om de moed er in te houden. Om de tijd door te komen. Om even te ontladen.

Kinderen spelen anders dan volwassenen. Aandachtiger. Serieuzer. Vanzelfsprekender. Niet om te overleven, maar omdat het spel het leven is. Met die blik kijken, met die aandacht leven, dat doet de spelende mens.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Thee

Er groeit altijd wel een kop thee in de tuin, denk ik, terwijl op zolder de kinderen zitten te werken aan hun thuisschool opdrachten, mijn vrouw in de woonkamer zit te videoconferencen met collega’s en ik op de slaapkamer mijn wekelijks blog tik. Dit is de nieuwe normaal in een land dat sociaal op slot is gegaan.

Grondbeestjes en een egelhotel

De stemming thuis is prima. Naast taal, rekenen en spellen verzinnen we wat extra opdrachtjes in en om het huis. Zo hebben we vorige week de inhoud van twee scheppen tuinaarde op de aanwezigheid van beestjes onderzocht. Vierenveertig wormen, een half dozijn duizendpoten, een paar miljoenpoten, springbeestjes en arthopoden en nog zo wat meer was de score.

Gister met Daniël een egelhotel gebouwd van een oude bouwemmer, een paar bakstenen, een hoop oude bladeren en wat stro. Ondertussen ook een defect broodmes van een nieuw heft voorzien.

Tussen de bedrijven door is er thee. Bij hoestjes en kuchjes in het huis gaat daar een flinke lepel honing door en vervang ik het theezakje uit de supermarkt door een flinke hand vol verse kruiden. Zo vroeg in het seizoen is de munt nog niet weer boven de grond. De salie is de zachte winter goed doorgekomen, dus die gaat er in ruime hoeveelheden in. Rozemarijn en tijm werkt ook goed in de thee. De brandnetels komen net weer op. Een paar jonge toppen zijn genoeg voor een flinke pot. Een beetje gemberkan ook, maar dan moet ik die toevallig nog in huis hebben. In de supermarkt schijnt het niet meer te krijgen te zijn.

Hamsteren

Op advies van de overheid wordt er namelijk flink gehamsterd. Zo lees ik op crisis.nl dat het een goed idee is om een noodvoorraad houdbaar voedsel, toiletpapier en desinfecterende handgel aan te leggen. Ook de politie doet op haar website onder de kop rampen vrolijk de oproep om een noodvoorraad aan te leggen voor het geval er een griep- of andere epidemie heerst. De mensen doen in deze crisis precies wat de overheid ze in al die jaren zonder acute crisis met spotjes, folders en website’s heeft gevraagd. Alleen doen ze dat niet als er geen crisis is, maar als pas als de pleuris is uitgebroken. En dan is het veel te laat natuurlijk. Ondertussen krijgt de burger de schuld.

Hamsteren doe je in goede tijden, zodat je in slechte tijden een voorraad hebt. Dat weet elke aardappel. Je zou zelfs kunnen zeggen, dat dat de essentie van een aardappels is: in de zomer gehamsterde zonnestralen om te bewaren voor het voorjaar.

Vrijmarkt

Het is crisis. In de vensterbank staan de tomatenplantjes voor de verkoop op vrijmarkt op Koningsdag lekker met hun koppies in de zon. Geen vrijmarkt dit jaar. Dan maar proberen ze langs deze weg kwijt te raken.

Door de crisismaatregelen gaat de vrijmarkt in Loppersum op Koningsdag niet door.  Wilt u de tomaten van Koken met Kropotkin dit jaar toch niet missen? Stuur dan een mailtje met je bestelling naar info(at)kokenmetkropotkin.nl en we regelen een corona-proof deal. Zolang de voorraad strekt uiteraard.

Dit jaar in de aanbieding:

  • vleestomaten Purple Calabash, Black Seaman en Coeur de Boeuf, Tiny Tim
  • kerstomaat: Brown Egg Cherry, Tiny Tim
  • saladetomaat: Black Ethiopian, Quadro

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De impact van het hoogst onwaarschijnlijke

De nieuwe school van onze kinderen

De wereld staat op zijn kop. Welkom in extremistan. Een kleine tien jaar geleden maakte ik kennis met het werk van Nassim Taleb. Deze tegendraadse denker schrijft over de impact van het hoogst onwaarschijnlijke (The Black Swan ) en over dingen die sterker worden van wanorde (Antifragile: Things That Gain From Disorder).

Het werk van Taleb is te veel omvattend om er in een simpele blogpost recht aan te kunnen doen. Ga deze boeken lezen. Een beter advies kan ik niemand geven. Onze wereld is fragiel. De kennis van onze experts is fragiel. Onze kennis over de impact van hoogst onwaarschijnlijke gebeurtenissen is te beperkt. Ons geheugen laat ons te snel in de steek.

De wereld kan er van vandaag op morgen anders uitzien. Dat werd mij duidelijk op 9 november 1989. De muur viel en de wereld was niet langer hetzelfde. Ik was net veertien. Deze gebeurtenis heeft mij een diep wantrouwen tegen de onveranderlijkheid van het heden, de status quo, bij gebracht. Panta rhei. Alles stroomt. Niets is onveranderlijk.

Wat leren lege schappen in de supermarkt ons over de fragiliteit van ons voedselsysteem? Wat leert het sluiten van restaurants en kroegen ons over het vermogen ons zelf te vermaken? Wat leert het sluiten van scholen ons over ons vermogen om onze kinderen iets zinvols bij te brengen?

In de economie tellen we slechts als consumenten. Die economie staat nu stil. Dat geeft tijd en ruimte om onszelf opnieuw uit te vinden. Als maker. Als producent. De overdaad van ons economisch systeem heeft ons opgezadeld met een schreeuwend gebrek aan materiële schaarste. Als alles altijd voor handen is, hoef je nooit een beroep te doen op je creatieve vermogen om improviserender wijs een gat te vullen met iets dat niet voor handen is. Schaarste maakt creatief. 

In de post Viva Extremistan! heb ik eerder het werk van Taleb ter sprake gebracht. Extreme gebeurtenissen bevatten vitale informatie. Observeer. Leer van de komende weken. Ga koken. Bak eens een brood. Pluk een onkruidsalade bij elkaar. Leg een moestuin aan. Start een composthoop. Schrijf een lied of een gedicht. Brei een muts. Lees Taleb.

 

 

Bowassie? Bokashi!

Gister waaide een nieuwe term mijn mailbox in. Bokashi. Of ik daar iets over kon schrijven. Prima, maar ik weet niet zoveel over bokashi en wat ik er van weet heb ik ook maar ergens opgescharreld. Ik maak het zelf niet. De vraag of het echt wonderen doet in de tuin, kan ik dus niet uit eerste hand beantwoorden.

Bokashi is hip en happening in de groene wereld. Het is een methode om groene reststromen te verwerken tot een natuurproduct dat de bodemvruchtbaarheid een boost geeft. Bokashi maak je in een luchtdichte emmer met een gistingsproces, dat lijkt op de manier waarop je zuurkool maakt.

Alle keuken en etensrestjes gaan met een speciaal mengsel van “effectieve micro-organismen” in een afsluitbare bak. In deze zuurstofloze omgeving vindt een gistingsproces plaats, waarbij de koolhydraten uit het keukenafval omgezet worden in melkzuur. De zure brij die zo ontstaat zou bijzonder heilzaam voor het bodemleven zijn en wordt uitgespreid tussen de planten of ondergewerkt in de bodem.

In de bodem wordt de bokashi door het bodemleven omgezet in humus. De bokashi is dus een soort tussenstap in de afbraakcyclus van energierijk organisch materiaal. Wormen schijnen er gek op te zijn.

Bokashi is dus iets anders dan compost. Bij compost is de omzetting van het organisch materiaal veel verder gevorderd en is het eindproduct een relatief stabiele vorm van humus. Ook lekker voor het bodemleven, maar niet per se het favoriete kostje van iedere regenworm.

Zelf zal ik niet snel aan de bokashi beginnen. Koolhydraatrijke keukenrestjes gaan bij ons naar de kippen. Deze zetten de restjes om in een krachtige mest, gezelligheid en eieren. Wat niet naar de kippen of konijnen gaat composteren we in een VAM-compostvat.

Composteren is in dit geval een groot woord. Het VAM-vat is de plaats voor een min of meer gecontroleerd rottingsproces dat soms richting een groot wormenhotel gaat en soms meer weg heeft van klassiek composteren. Heel soms gaat het mis. Dan ontstaat zuurstofloze rotting.

Met dat laatste ben ik  meestal niet zo blij. Rotten zonder zuurstof geeft potentieel bijzonder akelige bijproducten zoals methaan, amoniak en zwavelzuurachtige verbindingen. Niet zo fris en zeker niet iets wat zonder meer het bodemleven tot grote bloei brengt. Ongecontroleerde anaerobe rotting is precies hetgeen waar je voor op je hoede bent bij het composteren.  Daarom moet een composthoop met enige regelmaat omgekeerd worden; op die manier komt er weer zuurstof in de hoop.

Terug naar de bokashi. Wat mijn natuurlijke argwaan wekt is dat het alleen schijnt te werken als er iets uit een duur flesje bij gaat. Want zonder een preparaat van effectieve micro-organismen gaat het blijkbaar niet. Op zich is dat niet raar. In een luchtdichte afgesloten container krijg je een micro-organismen orgie van de gasten die toevallig op de afvalresten zijn beland en dan is het maar net de vraag wie ongecontroleerd de overhand krijgt. Daar kunnen best rare jongens tussen zitten. Een preparaat met de gewenste organismen helpt om de race bij voorbaat te winnen.

De bokashi starters die ik tegen kom bestaan meestal uit met  melkzuurbacteriën geïmpregneerde tarwezemelen. Misschien dat een zakje havermout en een scheutje biologische karnemelk hetzelfde doet. Wellicht een leuk experiment als je geen ruimte hebt voor een kippenhok en composthoop. Als je die ruimte wel hebt lijkt me het gedoe van bokashi niet opwegen tegen de gezelligheid een paar scharrelende kippen en het genot van een vers geraapt ei.

Bij één van de claims die ik rond bokashi aantref heb ik zo mijn vraagtekens. Bokashi produceert geen CO2 in tegenstelling tot composteren. Amahoela denk ik dan. De prut gaat na het fermentatieproces alsnog de tuin in, waar het bodemleven het uiteindelijk omzet in humus en … CO2.

Alles bij elkaar denk ik dat bokashi een mooie techniek kan zijn voor de klein behuisde medemens die bewust aan de slag wil met zijn groene reststroom. Een wormenhotel kan dan natuurlijk ook. Of stiekem toch twee minikippetjes.

 

 

 

Lappenmand met honing

Yvet’s honing

Vanwege ronddwalende verkoudheden, kuchen, rochels en ander ongemak houden we het deze week kort. We zitten in de lappenmand. Kopjes tijmthee en theelepels honing, een half ui naast het bed, een extra portie zuurkool voor de vitamine c en dan snel weer onder de wol.

Honing helpt vanwege de anti-bacteriële eigenschappen van honing. Deze verdwijnen echter als je de honing te veel verhit, zoals een in gloeiendhete thee. De anti-bacteriële eigenschappen komen van enzymen en deze enzymen vallen uit elkaar als je ze verhit.

Daarom is honing rechtstreeks van de imker het best. Deze is niet gepasteuriseerd of aangelengd met suikerwater en bevat daarom precies de heilzame eigenschappen waar de snotterende mens naar op zoek is.

Nu ben ik gezegend met een imkerende echtgenote en een imkerende vader, en op die manier verzekerd van een stabiele toegang tot eerste klas honing. Heb je dat geluk niet, stap dan eens op de fiets en bel aan bij een huis waar zo’n bordje met de boodschap “honing te koop, rechtstreeks van de imker” aan de deur hangt.

 

 

 

 

 

Waterbelastingontduiking

Waterbelastingontduiking. Doet u mee?

Na de extreem droge zomer van 2018 kwam de niet zo extreem, maar toch wel behoorlijk droge zomer van 2019. Opnieuw een zomer met regelmatig akelig lege regentonnen. Vooral in de kas gaan er in de zomer flink wat gieters door. Zestig liter op een dag is zo weg, zelfs als we flink wat voorzorgsmaatregelen tegen verdamping nemen, zoals een dikke mulchlaag op de bodem.

Een lege regenton vul ik niet graag met leidingwater. Het wonder van ons goedkoop, schoon en veilig drinkwater wordt namelijke steeds wonderlijker. Nitraatuitspoeling, landbouwgif, medicijnresten, microplastics, rommel uit de mijnbouw; de lijst rotzooi die langzaam doorsijpelt naar onze drinkwaterbronnen wordt steeds langer. Twee voor twaalf is het, volgens de club van drinkwaterbedrijven, die september vorig jaar een alarmerend rapport over de kwaliteit van ons drinkwaterbronnen publiceerde.

Toch hoef ik het gebruik van drinkwater in de tuin om het geld niet te laten. Leidingwater is in Nederland belachelijk goedkoop. Per kuub betaal je ongeveer € 1,65 als je alle kosten zoals vastrecht, BTW en waterleidingbelasting meerekent en op jaarbasis ongeveer 100 kuub verbruikt. Een groot deel van deze kosten, ongeveer 30%, bestaat uit belasting. BTW van 9% en daarnaast een speciale leidingwaterbelasting van bijna 35 cent per kuub die iedere gebruiker over de eerste 300 m3 betaald.

Het idee achter deze belasting is dat we dan met zijn allen zuiniger met water omgaan. Waarom de grootverbuikers, waar een beetje zuinig omgaan met water logischerwijs wat meer aantikt, vrijgesteld zijn, blijft me een raadsel. Het zal wel iets te maken hebben met de verdorvenheid van de Belastingdienst in het algemeen en in het bijzonder met de voorliefde van onze regering om lasten zoveel mogelijk op de burgers af te wentelen in plaats van het bedrijfsleven naar rato bij te laten dragen.

Sterker nog, wil je als burger een steentje bijdragen aan een lager waterverbruik door een regenton te installeren, dan betaal je dubbel, want die regenton komt meestal niet gratis. Wil je serieus gebruik maken van regenwater, dan is één ton niet genoeg. Met wat rekenwerk kom ik uit op een benodigde opslagcapaciteit van ongeveer 1500 liter om met enige zekerheid met regenwater in het waterverbuik van de tuin te kunnen voorzien, mochten we weer een droge zomer krijgen.

De handige ritselaar komt met een paar euro een heel eind, terwijl een splinternieuwe regenwatertank van die omvang al snel richting de 500 euro gaat. Als we voorzichtig rekenen is 150 euro voor anderhalf kuub geen raar bedrag. Dat is een investering van het equivalent van drie jaar waterbelasting, die je extra betaalt, bovenop de belasting die je al betaalt hebt om het waterverbruik van de industrie te sponsoren.

Het wordt nog gekker als je de verontreinigingsheffing er bij betrekt. Elke kuub regenwater die niet in het riool verdwijnt hoeft ook niet gezuiverd te worden door het waterschap. Korting op de rioolheffing in verband met de 60.000 liter regenwater die we het afgelopen jaar niet het riool in hebben laten lopen, maar hebben omgezet in eerste klas tomaten en komkommers zit er waarschijnlijk niet in. Er zijn wel gemeenten of waterschappen die een symbolische subsidie geven op regentonnen, maar echt serieus wordt het nergens.

Voor serieuze belastingontduiking moet je een brievenbus firma oprichten, met lege BV’s op de Bahama’s en een trustkantoor op de Zuidas. En zo kan het gebeuren dat ik als groene burgert oneindig veel meer belasting betaal over drinkwater dan een willekeurig multinationaal oliebedrijf zoals Shell aan winstbelasting in Nederland betaalt. Die betalen namelijk precies 0 euro, zo onthulde Trouw eind 2018. Een groene belastingmoraal is in Nederland nog ver te zoeken.

Schrale troost bij dit alles is de wetenschap dat een beetje regenbui mij een slorigde 15 cent aan waterbelastingontduiking oplevert. Ik vang die regenbui het liefst op in de groene kliko, die met gemak 200 liter bergen kan en gratis door de gemeente werd geleverd (afgezien van een x bedrag vastrecht in het DIFTAR-systeem dat onze gemeente hanteert). Composteren kan ik zelf wel, dus voor het aanbieden van GFT-afval heb ik die bak niet nodig. En reken ik 60.000 liter om naar die kostprijs van  € 1,65 dan komt er jaarlijks voor een slordige honderd euro aan water op ons dak vallen.  Toch weer een meevaller, op deze druilerige januari-ochtend.

Schoon en veilig drinkwater. Een groot deel van onze planeet doet er een moord voor. Letterlijk. De oorlogen van de 21e eeuw zullen om drinkwater gaan wordt wel eens beweert. In Nederland hebben we geen wateroorlog. Hier hebben we al eeuwenlang het waterschap. Een afzonderlijke bestuurslaag om al onze collectieve belangen rond water netjes te regelen. Verkiezingen voor het waterschapsbestuur maken het democratisch feestje compleet. De geborgde zetels (die krijgen ze gratis, zonder dat er voor gestemd hoeft te worden) voor de agrarische sector en het bedrijfsleven zorgen er voor dat de rekening netjes bij de burger in plaats van bij boeren en bedrijven terecht komen, zoals de Trouw in een boeiend artikel over de verdeling van de waterschapslasten onlangs liet zien.

Ik ben er inmiddels wel klaar mee. Dankzij een paar nieuwe regentonnen zet ik dit jaar in op maximale waterbelastingontduiking. Doet u mee?

 

 

 

 

Spitten

Regenwormen aan het werk in een jampot experiment

Ik spit niet. Al een paar jaar niet. Vroeger  wel. Ieder najaar moest de tuin om. Minimaal één steek diep. Een prima manier om eelt op de handen te kweken, hier op de Groninger klei.  Ik spitte zoals mijn vader ook spitte. Eerst een geul van één steek. De steek uit de tweede rij in de geul keren, zodat er een nieuwe geul ontstaat en zo door naar de laatste rij, waar tenslotte de grond uit de eerste geul in komt. Voor het spitten ging de compost over de grond, zodat die mooi ondergespit werd.

Ik verbaasde me er elk jaar opnieuw over, dat ik van deze compost amper iets terug vond in de bodem. Humus in de grond. Dat wilde ik hebben. Dus geen kunstmest, maar kruiwagens vol compost. Tergend langzaam zag ik de bodem iets verbeteren: van donkerblauwe klei naar iets wat op zwarte grond ging lijken.

De moestuin werd groter. Een verwilderd hoekje met wat door bramen overwoekerde sneeuwbes moest er aan geloven. Ik verwonderde me er over hoe prachtig zwart en los de grond in dat hoekje was, nadat ik de struiken had opgeruimd en er de schop in zette. Een jaar later verwonderde ik me opnieuw. Hoe belabberd die grond in korte tijd geworden was.

Ik ging me wat meer verdiepen in bodemvruchtbaarheid en ontdekte de wereld van de niet-spitters. Spitten is slecht, duivels zelfs, voor de bodem. Het vernielt de bodemstructuur, is funest voor het bodemleven en jaagt de humus de grond uit. Dat was de boodschap. Ik geloofde er geen klap van. Niet spitten op zand? Prima. Daar kom je er wel mee weg, maar ik kom van de klei en klei moet gespit.

Niet dus. Die verdwenen, prachtige zwarte grond van het hoekje struiken bleef knagen.  Waar ik nooit kwam verscheen spontaan de meest prachtige grond en zodra ik ging zwoegen verdween die. Bij wijze van experiment besloot ik een jaar niet te spitten. Dat ging moeizaam. Ik bleef twijfelen. Na een jaar was ik om.

In plaats van zelf te spitten, laat ik de regenwormen het nu voor mij doen. Het enige dat die er voor terugvragen is een constante stroom organisch materiaal in de vorm van compost, organische mest of mulch. De regenwormen zorgen voor een gatenkaas: macroporiën die er voor zorgen dat zuurstof, regenwater en plantenwortels makkelijk de bodem in kunnen.

Amoëbes, protozoën, schimmeldraden en ander microscopisch klein bodemleven zorgt voor een constant recyclen van organisch materiaal tot humus en het vrijmaken van de voor plantengroei belangrijke mineralen in dat organisch materiaal. In deze ondergrondse orgie klonteren niet-organische bodemdeeltjes zoals zandkorrels en kleideeltjes samen met humus tot een soort korrige structuur. Een door schimmeldraden geproduceerd bioplaksel onder de naam glomaline speelt een belangrijke rol in het aan elkaar plakken van die bodemdeeltjes. Deze korrelstructuur noemen we bodemaggregaten. In een levende bodem worden deze bodemaggregaten constant gevormd. Nu is dit bioplaksel zelf ook weer onderdeel van de ondergrondse voedselketen, dus na verloop van tijd heeft een of andere bacterie de lijm opgesnoept en valt de korrel weer uit elkaar.

Elke keer als ik ging spitten vernielde ik deze ondergrondse wereld. Dat zette een enorme rem op het vormen van nieuwe korrels. Met het spitten joeg ik ook een enorme stoot zuurstof in één klap de bodem in. Een uitnodiging aan al het aanwezige (bacteriële) bodemleven om de aanwezige humus in één grote vreetpartij zo snel mogelijk weg te werken. Het resultaat: een compacte, dicht geslagen bodem met amper humus, waar het water op blijft staan, in plaats van dat het wordt opgenomen, die uitdroogt in de zomer, in plaats van het water vast te houden als een spons.

Slake-test in de vensterbank. Na 24 uur nog steeds stabiele aggregaten.

De afgelopen weken was ik met onze oudste druk in de weer met wat experimentjes rond het thema bodem. Wat doen regenwormen in een pot met zand? Wat doet een laagje mulch met een gesimuleerde regenbui? Hoe goed blijven kluiten aarde door het bioplaksel aan elkaar plakken in een zogenaamde slake test? Fascinerend, die bodemwereld. Of je nu 8, 44 of in de 80 bent.

 

 

 

 

 

 

Rauwe melk

We zijn er al weer doorheen…

Als het even kan halen we elke week drie liter rauwe melk. Deze halen we in Winsum, bij Kleikracht. Het is even rijden of fietsen, dus het schiet er wel eens bij in. Toen de kinderen nog voor en achter op de fiets pasten was het mijn vaste uitje op papadag. Een heerlijke tocht: via Huizinge naar Fraamklap, over het jaagpad langs het Winsumerdiep, door Onderdendam en dan naar Winsum. Een uurtje fietsen, even bij de koeien kijken, praatje maken met de boerin. Drie liter melk, stukje kaas en weer terug. Onderweg even zitten; een paar slokken melk drinken, de kaas proeven en genieten van het uitzicht op Westerwijtwerd.

Over rauwe melk wordt veel beweerd. Superfood, dat bol staat van goede bacteriën en gezonde anti-stoffen volgens de een. Een gezondheidsrisico, dat een bron is voor voedselvergiftiging door e.coli en listeria infecties volgens de overheid.

Bij mijn oma op de boerderij werd de rauwe melk altijd gekookt in een grijze emaille melkkoker. Dat is een schenkkan met een geperforeerde tuitdeksel die de kokende melk terug laat vloeien in de kan. De melk bij oma was altijd warm en daar kwam dan bij het afkoelen een vel op. Heerlijk vonden we dat.

Het obsessief koken van rauwe melk komt uit de tijd dat het een bron van TBC-besmetting kon zijn. De officiele bijsluiter van de NVWA bij de verkoop van rauwe melk is nog steeds: koken. Gekookte melk kan je moeilijk meer rauw noemen. Gekookte melk is gesteriliseerd. Daar zit dus weinig leven meer in. Ik vind het advies om rauwe melk te koken als je rauwe melk wilt drinken dan ook een raar advies.

Gelukkig heb ik meer vertrouwen in de boerin, dan in de adviesen  van de overheid. Rauwe melk is een vertrouwensproduct en dat zijn producten waar de overheid moeite mee heeft. De overheid denkt in industriële ketens, in kruisbesmetting, in toezicht, perverse prikkels en risicomodellen en niet in een één op één relatie tussen producent en consument.

In het industriële model produceert de overheid het vertrouwen in de veiligheid van het voedsel, betaalt de consument de rekening en gaat de supermarkt er met de winstmarge vandoor.

Wij proberen als het even kan de industriële voedselketen te ontwijken. Niet met alles, wel met veel. Dat betekent ook dat we voor de veiligheid van het ons voedsel niet op een overheidsstempel vertrouwen, maar op onze eigen  oordeelsvermogen en op de gedrevenheid van de mensen waar we zaken mee doen. Dit is een wezenlijk onderdeel van wat ook wel voedselvrijheid wordt genoemd: de vrijheid om te eten wat je wilt en dat voedsel te betrekken van wie je dat wilt. Zonder blokkades van overheid, EU of industrie.

Veilig rauwe melk drinken begint dus met een boer die je vertrouwt en vertrouwen werkt het beste als je elkaar een beetje leert kennen. Brandschone flessen is ook een must, net als gekoeld vervoeren en bewaren. Met drie liter komen we een dag of vier vooruit. Veel langer bewaren we hem eigen nooit.

Of rauwe melk gezonder is? Ik weet het niet. Dat ligt eraan waar je het haalt. Waar wij hem halen, smaakt hij heerlijk en ieder seizoen weer anders. Heel af en toe ontroom ik de melk en maak ik daar boter of zure room van.

Voor mij geen ekosojamelk uit de industriële keten.  Je zal er niet dood aan gaan, maar ik kan de boer die het boontje verbouwde niet recht in de ogen kijken en daarom vertrouw ik die rommel niet.

 

 

 

 

 

Snijmoes

Op snijmoes de winter door

Gisteravond aten we aardappelpuree met spekjes, een salade van snijmoes met appel, rozijn, sesam, anijs en venkelzaad en een dressing van olijfolie, citroensap en honing. Daarbij dronken we een glas rode Boskoop Glorie uit de kas en als toetje een bakje stoofperen. De peren, aardappels, snijmoes, honing en wijn komen uit de tuin. De spek hebben we in november gerookt. Die maaltijd vat het jaar in en om de moestuin aardig samen. Als ik het jaar afmeet aan wat er op mijn bord ligt, was een uitstekend jaar.

No farmers, no food! hoor ik de laatste tijd veel in mijn omgeving. Gelul, denk ik dan. Iedereen die een paar vierkante meter over heeft kan zijn eigen voedsel maken. There is no excuse, om met La Thunberg te spreken. De revolutie begint op mijn bord.

Het werd een strijdbaar jaar, dat somber begon met een containerramp op de Noordzee, die pijnlijk zichbaar maakte hoeveel nutteloze zooi er dagelijks de wereld rondgepompt wordt. In mei werden we wakker met wederom een flinke aardbeving. Deze zijn het gevolg van de aardgaswinning in Groningen, waar Shell, ExonnMobile en de Staat der Nederlanden miljarden aan verdienden, terwijl ze vertikken de rotzooi op te ruimen. Kut aartbefingen. Zo vatte mijn zoon de situatie treffend samen op zijn protestbord tijden de klimaatmars in maart. En toen was er ineens de stikstof discussie en gingen de boeren massaal op de trekker naar Den Haag. Niet om Shell lesje te leren, maar om, tegen beter weten in, een failliet landbouwsysteem nog een tijdje aan de beademing te krijgen. De grond waait liever weg, dan dat het lijdzaam blijft liggen om nog een lading drijfmest te verwerken.

Ik begon dit blog ooit met het idee dat iets anders doen overtuigender is dan zeggen dat het anders moet. Hoe ver reiken daden? Hoe ver reiken woorden? Het was een verwarrend jaar, dat 2019. Het einde van een tijdperk, zonder dat echt duidelijk is van het tijdperk van wat. In 1989 was het simpel. Ik was veertien jaar, had mijn zakken vol rotjes, strijkers en ander explosief materiaal. De muur was gevallen. We gingen knallend een nieuwe toekomst tegemoet.

Gister heb ik de snijmoes opgeruimd. De plantjes leken me nog niet helemaal uitgeleefd. Ik heb ze onder een laag stro in potten nieuwe grond op een plekje in de zon gezet. Misschien lopen ze weer uit.

Op naar 2020.

 

 

 

 

 

 

, .