Groenbemesters

Opschietende groenbemesters in een leeg groentebed

De eerste plekken raken weer leeg in de moestuin. Een groot deel van de aardappels is gerooid. Ik houd niet van lege plekken. Ik bedek ze doorgaans zo snel mogelijk onder een laag mulch. De natuur is immers een kuis wezen. Naakte grond dekt de natuur toe met plantjes die dol zijn vers gespitte aarde. Deze plantjes noemen we onkruid.

Dit jaar probeer ik eens wat anders. Groenbemesters. Dat zijn planten, die niet voor hun blad, zaden, knollen of vruchten gezaaid worden, maar om de bodem te beschermen, de bodemstructuur te verbeteren en de bodemvruchtbaarheid te vergroten. Ook worden ze gebruikt om te voorkomen dat voedingsstoffen in de bodem uitspoelen. Vanggewas noem je ze dan. De plant legt mineralen vast in zijn blad, stengels en wortels. Als het vastzit in een plant, kan het niet wegspoelen met het regenwater, zo is de gedachte. Zodra de plant vergaat in de winter of het volgend voorjaar komen de vastgelegde mineralen weer beschikbaar voor een nieuw teelseizoen.

Veel groenbemester horen bij de familie van de vlinderbloemigen. Deze plantenfamilie heeft de bijzondere eigenschap dat ze stikstof uit de lucht kan vastleggen in de bodem en stikstof, daar houden planten van. Erwten, bonen, klaver, lupine: allemaal vlinderbloemigen en dus geschikt om stikstof in de bodem vast te leggen.

Planten met een stevige, diepe wortel, zoals lupine, kunnen helpen de bodem los te maken en de structuur te verbeteren. Ook zijn er groenbemesters waar bijen dol op zijn. Phacelia is zo’n plant. Als je tegenwoordig in de nazomer grote akkers met paarse bloemetjes ziet is de kans groot dat het een groenbemester is zoals phacelia, lupine of klaver of een combinatie van deze.

Ik ga voor een mix van lupine, phacelia en mosterd. Het is al best laat in het seizoen voor een aantal van deze planten, maar met een beetjes mazzel en een zachte herfst zien we misschien zelfs nog wat bloei als de moestuin steeds leger raakt.

Veel groenbemesters gaan dood na de eerste vorst. De dode planten vormen dan een laagje organisch materiaal, dat je kan vergelijken met een mulchlaag. Lekker laten liggen in het voorjaar. Niet onderspitten.  Hooguit bij elkaar harken en op de composthoop mikken. Hoe minder je de grond spit, beter hij wordt, maar daarover later meer.

Wordt vervolgd…

 

 

 

 

 

 

Hagenpreek

Ons haag en huis

Om een groot deel van onze tuin staat een beukenhaag. Deze haag is zo’n beetje de ecologische hoofdstructuur van onze tuin en biedt een schuilplaats voor vlinders, vogels, hommels en bijen. Onze tuinegel gebruikt de haag als een snelweg om ongestoord van de ene kant van de tuin naar de andere te komen. De grond onder onze haag is zeer humusrijk en heeft een fantastische kruimelige structuur, waardoor het regenwater van een deel van ons dak er makkelijk in de grond verdwijnt. Eén en soms twee keer per jaar snoei ik de heg. Het snoeiafval leg ik vermalen als mulch tussen de groentebedden in de moestuin en helpt daar om het bodemleven te voeden, bepertkt de druk van onkruid en helpt de verdamping tegen te gaan. Hierdoor hebben mijn aardappels en bietjes zelfs in deze gortdroge zomer weinig dorst en hoef ik geen leidingwater te gebruiken om de tuin te sproeien. De haag houdt in het najaar de ergste wind uit de tuin en in de winter voer ik de jonge scheuten aan de konijnen, die dan naast hooi ook wel wat beukenbast en knoppen lusten.

Tuinen in Nederland verstenen. Groen eruit, terrastegels, beton en prefabschuttingen er in en elk ongewenst sprietje groen (help, onkruid!) met een sloot onkruidverdelger de nek om draaien. De gemiddelde aardappelboer gaat inmiddels bewuster met zijn gifspuit om dan de gemiddelde vinexwijkbewoner. De problemen van al dat beton zijn bekend. Al dat steen houdt de hitte van de zon overdag vast en straalt het ’s nachts weer uit. De hitte kan niet meer weg en er is geen groen dat als natuurlijke airco kan fungeren. Het water van de steeds vaker voorkomende stortbuien kan in die versteende tuinen niet meer de grond in zakken, waardoor de kans op wateroverlast toe neemt. Veel gemeenten en groene clubjes zoals operatie steenbreek roepen de burger daarom op de stenen uit hun tuin te halen en deze te vervangen door groen. De deal een plant voor een stoeptegel van de gemeente Groningen werd deze zomer een doorslaand succes.

Ook de groene gemeente Loppersum, landelijk bekend van fenomenen als aardbevingen door de winning van fossiele brandstoffen, uitbuiting van burgers door multinationals en overheidsfalen van on-Nederlandse proporties, ondersteunt dit soort initiatieven doorgaans van harte. Dat is maar goed ook, want ook deze plattelandsgemeente loopt bij de eerste de best wolkbreuk onder water, zo bleek een jaar of drie geleden.

Gister kreeg ik bezoek van de gemeente Loppersum. Ik stond al klaar om de aanmoedigingsprijs “meest groene gezin van de gemeente” met een bescheiden “Dank u wel, dit is te veel eer, we proberen gewoon ons best te doen voor de buurt, de beestjes en het milieu…” in ontvangst te nemen. De vertegenwoordiger van de gemeente had zich voor de gelegenheid in het uniform van een handhavingsambtenaar gestoken en begon zijn verhaal met een preek over mijn heg. Deze moest ik snoeien, want er had iemand geklaagd. Wie dat was, dat bleef geheim, want zo doen we dat in Nederland, waar de overheid haar burgers actief stimuleert om anoniem aangifte te doen van misdaden, misstanden en overhangende heggetakjes.

Ik stond even paf en dat wil wat zeggen voor iemand met mijn vocabulair. Het college van burgemeester en wethouders heeft inmiddels een pittige brief van mij ontvangen en ook u, mijn trouwe lezers, wil ik deze hagenpreek niet onthouden. Want laten we wel wezen, een folder met groene tips van de gemeente is al snel gedrukt, maar het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn dat burgers hun leven en leefomgeving ook daadwerkelijk op een groene manier gaan inrichten en gebruiken.

 

 

 

 

 

Voedsel van morgen

Bordje bodemvruchtbaarheid van organische oorsprong, lekker en voedzaam

Wat ligt er in 2050 op je bord? Waar komt dit voedsel vandaan? En hoe wordt het gemaakt? Over deze drie vragen gaat het in de tentoonstelling Voedsel van morgen, die van 10 juli tot en met 6 oktober 2019 in wetenschapsmuseum NEMO in Amsterdam te zien is.

Voor mij is het antwoord op deze vragen vrij simpel. In 2050 eet ik gebakken aardappels met tijm, ui en knoflook, een salade van tomaat en komkommer met een ommelet van shiitakes en scharrelkippenei. Al dit voedsel komt uit mijn achtertuin. Hoe dit voedsel gemaakt wordt kan iedereen lezen op dit blog. Wie echt heel nieuwsgierig is mag langskomen om het zelf te zien. De entree is gratis.

Omdat ik de antwoorden al weet, hoef ik niet naar de tentoonstelling in NEMO in Amsterdam. Dat is jammer, want NEMO is over het algemeen een leuk museum om met je kinderen in rond te dwalen. Bij de uitnodigende tekst van deze tentoonstelling vraag ik me af of dit wel zo geschikt is voor kinderen. Ik geef toe, op de kermis is er ook een spookhuis en dat is best lachen, maar om mijn kinderen nu de stuipen op het lijf te jagen met een toekomst die bestaat uit plofinsekten, hamburgers uit kweekvlees en voedselpoeder op basis van je DNA-profiel…

Ik vind plofkippen moreel verwerpelijk, dus ik zou niet weten waarom we als mensheid hetzelfde geintje met insekten zouden moeten uithalen. De ontwikkeling van kweekvlees lijkt met het ideale pad om nog meer macht over ons voedselsysteem in de handen van een kleine groep multinationals te leggen. U weet wel, die vriendelijke firma’s die met hun dodelijke cocktail van gif, GMO en monocultuur aan de wieg staan van het instorten van complete ecosystemen en de massale uitroeiing van insekten, oftewel het ecologisch armageddon. Bovendien is mijn DNA-profiel privee. Dat ga ik niet delen met het agrochemofarma-industrieel complex.

Het klinkt misschien nog ver weg, maar met een groeiende wereldbevolking moeten we goed nadenken hoe we in de toekomst ons voedsel verbouwen… lees ik verderop in de tekst over de tentoonstelling. Dat is natuurlijk een waarheid als een koe. Het is belangrijk dat we goed nadenken over hoe we ons voedsel verbouwen. Dat is precies de reden dat ik hier elke week met veel plezier een stukje tik om te laten zien hoe je haan uit de achtertuin kan eten in plaats van hamburgers uit de fast food-industrie.

Er is een groep mensen, die denken dat we de wereld gaan voeden door ons voedsel te vertechnologiseren. Deze stroming noemen we ook wel de ecomodernisten. Ecomodernisten geloven dat technologie de oplossing is voor de ecologische vraagstukken van de mensheid. Ze verzinnen dan een zeecontainer volgestouwd met led-lampen, computers, sensoren en zonnecellen om een paar blaadjes sla mee te produceren. Ik denk dan: zoek een paar onderbenutte vierkante meters aarde, composteer een berg herfstbladeren en plant die sla met zijn voetjes in de grond en zijn kroppie in het zonnetje.

De mensheid kan zichzelf met gemak voeden in 2050. Niet door technologisch fata morgana’s na te jagen of door massaal over te stappen op een veganistisch dieet. Om de mensheid te voeden heb je een vruchtbare bodem nodig. De kern van ieder voedselvraagstuk is: hoe kan je oogsten zonder de vruchtbaarheid van de bodem uit te putten?  Zoals de uitvinder van het moderne composteringsproces Sir Albert Howard in zijn klassieker An Agricultural Testament al aantoonde komt het antwoord op die vraag uit het achtereind van een koe. Zonder dieren gaan we het niet redden en vooral niet zonder de stront, die aan de basis ligt van elke bodemvruchtbaarheid.

Wordt vervolgd…

 

 

 

Airco

Bij mijn buurman in de tuin staan dag en nacht tien airco’s aan. Gelukkig lopen ze niet op stroom, maar op regenwater, mineralen en koolstofdioxide. Eigenlijk zijn het er ook geen tien, maar is het één hele grote. Het is een onderhoudsarm model dat erg lang meegaat; drie honderd jaar of langer is geen uitzondering. Aan het eind van zijn leven is het apparaat ook nog eens om te bouwen tot nachtkastje, barkruk of bezemsteel.  Ze zijn bovendien in heel veel merken en modellen beschikbaar. De buren hebben er een van het merk Es.

Bij elke hittegolf komt het verhaal van de boom en de tien airco’s weer te voorschijn. Bomen koelen actief door de verdamping in de bladeren. Bovendien geven ze schaduw en slaan ze de warmte niet op, zoals beton, steen en asfalt dat wel doen. Het verschil tussen een tegelpad en een stukje groen is na zonsondergang al snel 5°C.

Veel mensen vinden bomen in de tuin van de buren lastig. Er zit bijvoorbeeld geen uitknop op een boom en die heb je op een airco wel. Die schaduw heb je de hele zomer, dus ook als er even geen hittegolf is, maar een periode van intens trieste druilerigheid. Bovendien geven bomen rommel. Ze trekken vogels aan, die de boel onderschijten en iedere herfst weer drapperen ze een heel pakket blaadjes in de tuin.  Prima spul om te composteren, om als mulchlaag te gebruiken of om bladaarde van te maken.

Ik moet toegeven: de es in de tuin van de buren is enorm. Onze kas staat schuin onder deze gigant en in een slechte zomer hoor ik de tomaten wel eens klagen over een gebrek aan zon. Als het stormt hoop ik dat er niets groter dan een bezemsteel naar beneden komt zeilen. Tot nu toe is dat altijd goed gegaan. Twee jaar geleden heeft een boomwerker de kruin verzorgd en een anker geplaatst. Als één van de stammen gaat, vangt de ander hem op.  De es kan weer jaren mee. Dat is maar goed ook, want de soort heeft het zwaar. Door een schimmelziekte verdwijnen er steeds meer essen uit het landschap.

Zonde, want de es hoort bij het cultuurlandschap. Er zijn ongeveer 100 planten, mossen en inspectensoorten specifiek afhankelijk van de es lees ik in een publicatie van de WUR. Van oudsher wordt het veerkrachtige hout van de es vooral gebruikt voor stelen van gereedschap en meubels. Ik heb eens een kaasschaaf en een stamppotstamper gerepareert met een stuk essentak. Werkt als een tierelier. Ook als airco zijn ze dus onovertroffen. Laat die hittegolf maar komen…

 

 

Wind

Afgelopen zaterdag belandden we onderweg naar vrienden die vlak over de Duitse grens wonen in een kleine zandstorm. We hadden amper de Dollard-klei achter ons gelaten of de horizon kleurde roestbruin. Een straffe wind blies de aarde van de akkers, die uitgedroogd en van hun humus beroofd weinig weerstand konden bieden tegen de kracht van de natuur. Een triest gezicht. Het deed me denken aan de Dust Bowl, de verwoestende stofstormen, die de uitgedroogde prairiegronden van de VS in de jaren 30 van de vorige eeuw teisterden.

In Nederland zijn vooral de veenkoloniale zandgronden gevoelig voor winderosie. Onze dust bowl ligt in de driehoek Hoogezand – Oude Pekela – Emmen. De bodem in dit gebied bestaat uit de arme zandgrond die achter bleef nadat de veenlaag was afgegraven. De grond is arm aan humus, mede door intensief gebruik van kunstmest. Er worden veel fabrieksaardappelen geteeld, die in de fabrieken van Foxhol, Gasselternijveen en Ter Apelkanaal worden omgezet in  aardappelzetmeel.

Aardappelzetmeel is het belangrijkste ingrediënt van mostersoep. Maar niet alleen daarvan. Ook van vleesjus, spaghettisaus, champignonesoep en kip tandori. Dat wil zeggen, als je de ingrediëntenlijst van zetmeel- en zoutmenger Knorr er bij neemt.

Zo’n zakje aardappelzetmeelsaus kost per kilo 28 euro en 37 cent bij de Appie. Ter vergelijking: een kilo biologisch biefstuk kost bij dezelfde grootgrutter 26 euro en 99 cent. Ik vind dat hele dure aardappelmeel. Knorr is onderdeel van Unilever, een gezellige en kneiter duurzame multinational die met één sms-je onze premier zo ver kreeg de dividendbelasting af te schaffen. Ze hebben een duurzaamheidscode laten ontwikkelen door de boefjes van Landbouwuniversiteit Wageningen. In die code lees ik op zeven:

 Zorg voor de grond: Een gezonde bodem is letterlijk en figuurlijk een ‘grondprincipe’. Wij vragen van de voor Knorr werkende boeren een duurzaam bodembeheer en aandacht voor natuurbehoud om ook in de toekomst bodemgezondheid te behouden. Want een goed bodembeheer draagt bij aan kwalitatief betere en grotere oogsten.

Dat klinkt natuurlijk prachtig. Ik vraag me alleen af wat dat precies betekent, terwijl ik in de auto zit en om mij heen per hectare tussen de 5 en 50 ton teelaarde door de lucht vliegt.

 

Grondcontact

Met blote handen een kuiltje graven in kruimige aarde. Humus ruiken. Goed opletten. Mijten, wormpjes en ander minuscuul bodemleven zien. Voelen hoe de aarde door de handen glipt. Grondcontact; daar wordt een mens gelukkig van.

De bodem leeft. Dit leven bestaat uit een gigantisch web van elkaar voedende organismen. Het begint met organisch materiaal, dat door bacteriën en schimmels verder wordt afgebroken. De schimmels en bacteriën worden belaagd door protozoën, nematoden, arthropoden en andere micro-organismen, die op hun beurt weer voer zijn voor steeds grotere wezens, zoals oorwurmen, duizendpoten en regenwormen.

Dit gigantisch ondergronds web zet organisch materiaal om in vruchtbaarheid: de afbraak van organisch materiaal zorgt er voor dat de mineralen die daarin vastgelegd zijn weer beschikbaar komen voor de wortels van planten. Humus zorgt voor een betere structuur van de grond en houdt vocht vast. De gangenstelsels van wormen zorgen er voor dat de bodem kan ademen en regenwater in de bodem kan infiltreren.

In dat ondergronds web leeft ook de Mycobacterium Vaccae. Onderzoekers van de Universiteit van Bristol onderzochten het effect van deze bacterie op muizen. Wat bleek? De bacterie maakt gelukkig. Muizen die in aanraking kwamen met de bacterie bleken extra serotonine aan te maken. Daardoor konden ze sneller en met minder stress door een doolhof rennen. Onbezorgd door een doolhof rennen is kennelijk alles wat een muis nodig heeft om gelukkig te zijn.

De ontdekking van het serotonine verhogend effect van Mycobacterium Vaccae levert meteen het wetenschappelijke bewijs dat tuinieren gelukkig maakt. Door flink met je handen in de aarde te wroeten snuif je een flinke dosis Mycobacterium Vaccae op en heb je je natuurlijke portie antidepressiva weer binnen.  Of het waar is? Ik weet het niet. Het is in ieder geval een mooi verhaal.

Aanstaande donderdag is het hemelvaartsdag. De dorpsvereniging van Westeremden organiseert dan een open tuinen middag. Wij doen ook mee. Tussen 14.00 en 16.00 uur is onze tuin open voor gelukszoekers.  U bent van harte welkom.

 

 

 

Wakker worden!

In gesprek met minister Wiebes, foto (c) Hollandse Hoogte

Het liedje “Wakker worden!” van Jochem Myjer is bij onze kinderen een grote hit. Als papa en mama te lang in bed liggen, stormen ze de kamer binnen en roepen ze heel hard: “Wakker worden, wakker worden, wakker worden, tjik tjik!” Vanochtend was dat niet nodig. We werden om zes uur wakker van een aardbeving van 3.4 op de schaal van Richter. Het epicentrum lag vier kilometer verderop in het dorpje Westerwijtwerd. In Groningen zijn we al jaren wakker. Nachten lang soms. Terwijl Groningen ontwaakt met de zoveelste aardbeving probeert Den Haag ons in slaap te sussen met papieren beloftes. We gaan jullie schade vergoeden. Ooit. We gaan jullie huizen versterken. Ooit. We gaan een parlementaire enquête houden. Ooit. Jullie krijgen een zak met geld om het gebied weer leefbaar te maken. Ooit. We compenseren de waardedaling van jullie woningen. Ooit.

Groningen heeft geleerd wat de waarde is van Haagse beloften. Niets. De nieuwe aanpak van de schadevergoeding zit muur vast. De versterkingsoperatie ligt stil. De parlementaire enquête is op de lange baan geschoven. De zak geld voor leefbaarheid zit stevig in de handen van lokale bureaucraten en daar is voor burgerinitiatieven in het getroffen gebied maar moeizaam iets uit los te peuteren.

Veiligheid voorop en de gaskraan gaat dicht, dus kan het met de versterking wel een onsje minder, riep minister Wiebes na de beving in Zeerijp. Anderhalf jaar later staat de gaskraan nog steeds ver open, beeft de aarde even hard en is er geen huis veiliger geworden. Dat is hoe de zaken er daadwerkelijk voor staan in Groningen. Wie gelooft dat in Groningen de problemen zijn opgelost mag rustig verder slapen en hopen nooit in dezelfde nachtmerrie wakker te worden.

In Groningen vertrouwen we de overheid niet meer. Te vaak zijn beloften niet nagekomen. Te veel mensen zijn vermalen tussen de bureaucratische molens van de tientallen instanties die zich met schadeherstel en de versterking van huizen bemoeien. Te veel mensen leven in angst.

Niemand in Groningen zal beweren dat er simpele oplossingen zijn. Een overheid die het vertrouwen van haar burgers verliest, verliest ook het vermogen om met diezelfde burgers tot oplossingen te komen. De problemen in Groningen gaan allang niet meer over veilig wonen en versterking van huizen. De onwil en het onvermogen van de overheid om tot een oplossing te komen vormt inmiddels de kern van het probleem. Bij ieder debat over de gaswinning volhardt politiek Den Haag in haar geloof in een papier werkelijkheid en schijnoplossingen voor Groningen. Dringende adviezen, brandbrieven en noodkreten van burgers en bestuurders uit Groningen verdwijnen steevast in de Haagse mist.

Zonder publieke verantwoording komt er geen oplossing voor Groningen, schreef ik afgelopen januari in een opiniebijdrage voor de Volkskrant. Publieke verantwoording raakt het hart van onze democratie. Tot nu toe krijgen opeenvolgende kabinetten de politieke ruimte om ieder jaar een nieuw hoofdstuk aan de ellende in Groningen toe te voegen. Zelfs het zwaarste instrument voor publieke verantwoording, de parlementaire enquête, is naar de toekomst weg gemanoeuvreerd. Een minister of staatssecretaris die het vertrouwen van de Kamer verliest stapt op. Wat gedoe rond een lijstje met cijfers kan daarvoor voldoende zijn, bleek deze week. Politiek is er maar één antwoord mogelijk op de vertrouwenscrisis in Groningen en dat is een brief van de minster-president aan zijne majesteit de Koning. Pas dan geloof ik dat Den Haag echt wakker is geworden en bereid is de politieke verantwoording te nemen voor de ellende die mij om zes uur ’s ochtends met grof geweld het bed uit schudt.

Postscriptum

Dit stuk heb ik woensdagochtend na de beving van Westerwijtwerd geschreven en aangeboden aan de opinieredactie van de Volkskrant. Die besloot het stuk niet te plaatsen. Een dag later trof ik Wiebes in Westerwijtwerd en was ik in de gelegenheid kort met hem van gedachten te wisselen. De strekking van mijn verhaal was hetzelfde: minister, stap op, u bent niet meer geloofwaardig. Voor iedereen is dat beter. Dit moment werd door een fotograaf van Hollandse Hoogte vastgelegd en door de Telegraaf gebruikt als foto bij het artikel Wiebes onder vuur na bagatelliseren aardbeving. Het lijkt me niet onredelijk de persfoto, waarvan ik niet de auteursrechten bezit, op deze wijze van de juiste context te voorzien.

Slakken en ziekten

Als ik te veel heb lopen klooien met mijn telefoon of een ander slim aparaat en hij doet het opeens niet meer, dan bestaat er een noodknop. Deze heet “terugzetten naar de fabrieksinstellingen.” Gebruik die knop en het aparaat wordt weer zoals onze lieve Heer in China of Californië het aparaat bedoeld heeft.

Ook de natuur heeft deze noodknop en daar heet die “de slak”. Slakken en andere opruimers ruimen rommel op, zoals verkeerd geïnstalleerde pompoenplantjes, niet afgeharde slaplantjes, te bleke boontjes en door de kou depressieve aubergineplantjes. Ze werken 24/7 om alle fouten die ik maak te corrigeren. Ook en vooral als ik daar niet om gevraagd heb. Als dank voor hun goede diensten voer ik ze graag aan de kippen.

Gezonde groei is de uitgangspositie van de natuur. Als er iets mis is komt dat meestal omdat er een mens aan heeft lopen kloten. Ik probeer er van te leren als de slakken mij op mijn fouten wijzen en in dat leerproces sneuvelt nog wel eens een plant. Heel soms strooi ik nog wat biologische slakkenkorrels. Dat voelt als een soort noodkreet: laat me nog even zelf wat klooien voordat we teruggaan naar de fabrieksinstellingen.

Nectria Galligena

Een gesneuvelde pompoen is klein moestuin leed. Een appelboompje met vruchtboomkanker doet echt pijn. Afgelopen week trof ik in onze fruithaag een boompje aan met deze gevreesde zwamziekte, die in het Latijn Nectria Galligena heet. De directe ooorzaak is infectie van een beschadiging aan de bast door sporen van de zwam. Deze beschadigingen kunnen optreden door snoeien, hagel, bloedluis, schurende takken, binddraden, etc. Het is een wond- en zwakteparasiet, die vooral toeslaat als bomen om de een of andere reden verzwakt zijn. Het ene ras is er meer vatbaar voor dan het andere. De kwaliteit van de grond speelt een rol, overmatige stikstofbemesting ook.

Wat heb ik fout gedaan? Om te beginnen deugt het concept van de fruithaag met in palmet en waaier gesnoeide boompjes natuurlijk niet. Bomen leiden veroorzaakt stress bij de planten. Ze groeien ingesnoerd aan draden en bamboestokken en kunnen zo niet de optimale groei zoeken die ze van nature willen. De beschadiging is waarschijnlijk ontstaan door het schuren van een van de binddraden. Daar begint de ellende, met de tuinier die de natuur zijn wil op wil leggen. Naast deze stress hebben we vorig jaar nogal een extreem jaar gehad qua droogte en natheid. Meer extremen is meer stress. De keuze voor het ras valt ook wat ongelukkig uit. Het is een Brabantse Bellefleur en die is volgens de literatuur wat meer gevoelig voor Nectria Galligena, vooral op de kleigrond waar wij op tuinieren. De fruitbomen krijgen ruim compost en mulch om de structuur van de grond te verbeteren, maar dit is op klei een proces van lange adem. De schep verteerde potstalmest in het najaar was waarschijnlijk te veel stikstof. Kortom: een optelsom van foutjes, ongelukkige keuzes, omstandigheden en tuinieren tegen de natuur in.

Behandeling

Brabantse Bellefleur met wondbalsem

Dat was de diagnose. Nu de behandeling. De infectie zat midden op de stam, net na de tweede “etage” zijtakken van de palmet en zat bijna helemaal rondom de stam. Als de infectie helemaal rondom de stam zit, dan wordt de sapstroom doorbroken en sterft alles boven de geïnfecteerde ring af. Ingrijpen dus, met het risico driekwart van het boompje te verliezen. Met een scherp mes heb ik de infectie tot op het gezonde kernhout weggesneden. Het minst geinfecteerde deel heb ik laten zitten om een sapstroom naar de rest van het boompje over te houden. Helemaal gezond was het niet, maar het was kiezen voor het minst kwade. Dergelijke drastische ingrepen doe je normaal als de plant in rust is, dus in het najaar of de winter. Naar mijn inschatting hadden we deze tijd nu niet. De snoeiwond heb ik afgedekt met een geimproviseerde wondbalsem.

Boombalsem

Deze balsem heb ik gemaakt door ongeveer vier delen gesmolten bijenwas op een deel zonnebloemolie te mengen. De was sluit wond goed af en heeft van nature een zuiverende en desinfecterende werking. De olie is om het geheel iets smeerbaarder te maken. In gangbare boomwondbalsem recepten kom je naast was terpentine, hars en pek tegen. In plaats van terpentine leek me zonnebloemolie een iets minder agressieve weekmaker voor de was. Aanbrengen met een schone kwast en hopen dat de patient het overleeft.

Lessen…

Of het gaat helpen? Ik weet het niet. Het zou zo maar kunnen. De kans dat we een groot deel van het boompje gaan verliezen schat ik hoger in. Het is een noodgreep die ik uiteraard liever niet had toegepast. Maar wel een om van te leren. Naast de Brabantse Bellefleur leid ik een Court Pendu Plat. Deze staat uitbundig te bloeien. Een mooi oud appelras dat net als zijn Brabantse buurman gevoelig is voor dezelfde ziekte. Een wereld van verschil. Ander ras, zelfde bodem, zelfde manier van leiden en snoeien, een standplaats die een fractie meer zon en minder wind vangt, twee jaar eerder geplant. Ergens zit een les, alleen welke?

 

 

Druiven in mei

Persepolis stairs of the Apadana relief.jpg
De Armeense ambasadeur schenkt een goed glas, Foto CC-BY-SA Phillip Maiwald

Het is voorjaar en bijna alles heeft haast. De bonen die ik voortrek in de kas beuken zich een weg naar boven. De peer, pruim en kers zijn al weer uitgebloeid en laten de eerste vruchtbeginselen zien. De bijen zijn druk bezig hun tweede honingkamer te vullen. Met een paar weken kunnen we slingeren. De beukenhaag en de es zijn wat trager, net als het appelboompje van het oude ras Court Pendu.

De meeste haast heeft nog wel de druif. Als de knoppen van de druif  het wolstadium verlaten en openbreken verschijnt in rap tempo het ene na het andere blad. Na een paar bladeren is de eerste aanzet voor de bloemetjes te zien. Deze ontwikkelen zich later tot trossen druiven, die na een mooie zomer zo in de loop van augustus, september beginnen te rijpen.

De druif zet aan tot bloei

Gelukkig dat er supermarken zijn, waar je nu al een bakje pitloze druiven kan kopen, die in een plastic bakje per koelschip of vliegtuig van de andere kant van de wereld zijn aangevoerd. Vier de lente! Zo heet dat in de reclame van onze nationale grootgrutter. In de aanbieding, met een tros tomaten, nog zo’n typische lentevrucht. Moet een boeiende kantoortuin zijn, daar op de afdeling marketing.

Technologische devolutie

Nu is september nog ver weg. De enige manier om  nu alvast van die druiven te genieten is door een glaasje rood van de oogst van vorig jaar in te schenken. Wijn is verse druiven in mei voor wie niet kan wachten tot september. Eerlijk gezegd vind ik druiven in hun geconserveerde vorm lekkerder dan vers. Qua complexiteit en diepgang ken ik weinig dat zo smaakvol is als wijn. Daar steekt een bakje pitloze druiven echt lullig bij af. Een product pitloos noemen en claimen dat het vooruitgang is; ik noem het degeneratie. Druiven in mei. Het is een soort omgekeerde technologische revolutie: heel veel technologie en energie inzetten om een probleem om te lossen dat 80 eeuwen geleden reeds is opgelost met een superieur concept.

Druivenblad recepten

Ondertussen groeien de druivenranken lekker door. De trossen komen alleen op nieuw hout. Vandaar dat we afgedragen ranken in het najaar of de winter wegsnoeien. Als de nieuwe rank twee potentiele trosje heeft gaat de top er af. Wat er aan wilde zijscheuten opkomt nemen we ook weg. De konijnen zijn dol op dit soort groen. Je kan het natuurlijk ook in de keuken gebruiken. Er zijn legio mogelijkheden voor jong druivenblad. Bijvoorbeeld een handje vol door een salade of geblancheerd en gevuld met iets hartigs als dolma. Internet staat vol met prima dolma recepten. Nog een optie: een jong blad om een stukje jongbelegen geitenkaas vouwen en dan voorzichtig aan beide kanten bakken tot de kaas gesmolten is.

 

 

 

Waarde

Afgelopen zaterdag verkocht ik op de vrijmarkt tomatenplantjes. Een euro’tje per stuk. Dat is niet duur. Het was fris en druilerig weer, maar desondanks liep de verkoop prima. Om vier uur was het grootste deel van de handel verkocht en besloten we er een punt achter te zetten. In het geldkistje lag een mooie stapel biljetten en eurostukken. We konden tevreden zijn over de opbrengst.

Opbrengsten zijn leuk, maar wat kost dat nu? Dat ligt er aan hoe je naar de wereld kijkt. In euro’s is de investering in de tomatenplantenhandel beperkt. Een paar zakken potgrond. Daarmee houdt het wel zo’n beetje op. Voor de rest is het vrijwel gratis: hergebruikte plantenpotjes en yoghurtemmertjes kosten niks. De zaden komen van de tomaten van vorig jaar of van een ruiltafel, dus daar zitten de kosten ook niet in. Alles bij elkaar, laten we zeggen twee tientjes.

Het verhaal verandert als ik de tijd die ik in de plantjes steek meeneem.  Uurtje zaaien, paar uurtjes verspenen, verpotten, handel verkoop klaar maken, dagje verkopen. Alles bij elkaar kom ik op een volle werkweek. Per plant is dat een minuut of acht. Zet ik vervolgens de netto opbrengst af tegen het aantal uren, dan kom ik ongeveer uit op het minimumloon voor een 19 jarige of te wel een dikke vijf euro per uur.

Deze vijf euro per uur kom ik vaker tegen. Brood bakken kost me elke week ongeveer een uurtje. Dat levert drie heerlijke broden op, die me bij de warme bakker ruim een tientje hadden gekost. Trek ik de kosten van het meel, de gist, energie en afschijving van het keukenmateriaal er van af, dan levert een uurtje brood bakken me een dikke vijf euro op.

Nog een voorbeeld: aardappels. Biologische aardappels doen nu zo’n beetje één euro vijftig de kilo in de supermarkt. Als ik een kilo of honderd aan aardappels uit de tuin haal, maak ik daarmee een economische waarde van 150 euro. Kosten pootgoed à twee tientjes er af en delen door een dag of drie werk voor het poten en rooien. Het uurloon is wederom een dikke vijf euro.

Afgezet tegen het salaris dat ik ooit verdiende in de commerciele onderzoekswereld is dat natuurlijk een lachertje. In economische termen kan ik beter beleidsevaluaties dan tomatenplantjes verkopen; dat geeft 95% meer rendement. Wat ik doe is pure kapitaalsvernietiging; op het misdadige af als je het vanuit een louter economisch perspectief bekijkt.

Wat is de waarde van opgroeien met elke week de geur van vers gebakken brood in de keuken, met de smaak van biologische aardappeltjes uit de achtertuin en van volle grond tomaten? Ik weet het niet.

Als de kinderen uit school komen ben ik thuis. We maken dus geen gebruik van naschoolse opvang met een maximaal tarief van €6,89 per uur en ontvangen daarvoor geen toeslag van de belastingdienst. Ik heb geen vast inkomen uit arbeid en volgens de belastingdienst geen recht op allerlei heffingskortingen, die in het verleden bekend stonden als de aanrechtsubsidie. Dat betekent dat wij als eenverdieners, die per saldo minder gebruik maken van overheidspotjes, 30% meer belasting betalen dan een tweeverdiener met hetzelfde bruto inkomen. Ook vanuit fiscaal perspectief is wat wij doen pure waanzin.

We leven in een samenleving waarin bullshit jobs en plastic voedsel de norm zijn en van overheidswege ruim gesubsidieerd worden. Wil je iets anders? Iets dat zinvoller, gezonder en meer in lijn is met de ecologische draagkracht van deze planeet? Prima, maar dan mag je als burger eerst economisch zelfmoord plegen. We leven in een vrij land, niet waar?