Nachtvorst

Effect van microklimaat: zelfde soort, zelfde grond, zelfde zaai- en verspeen datum, ander microklimaat

Het is de tweede Koningsdag op rij zonder vrijmarkt. Normaal sta ik op 27 april met tomatenplantjes op de vrijmarkt in Loppersum. Voor de vaste klanten en de verkoop langs de weg heb ik wel wat planten staan, maar die hebben het moeilijk. Een koud voorjaar. De helft van de nachten nachtvorst. Stevige hagelbuien die drie, vier dagen aanhouden. Ouderwets aprilweer, waar wij bleke kasplantjes niet meer aan gewend zijn.

Ik moet toegeven dat ik er flink chagerijnig van kan worden. Geduld in het voorjaar is nu eenmaal niet mijn sterkste kant. De hele winter wacht ik tot ik weer los mag. In maart begin ik met de tomaten. Dat is vroeg, maar geeft bij een normaal tot mild voorjaar prima planten op 27 april, zonder dat daar een warmgestookte kas voor nodig is. Een paar nachten met lichte vorst overleven ze wel in de koude kas. Sterker nog, daar worden ze hard van.

Dit jaar hebben de tomatenplanten het moeilijk gehad. Normaal heb ik amper uitval van planten. Nu zit ik op zo’n 15% klimaatslachtoffers. Het weer kan ik moeilijk de schuld geven. Uiteindelijk ben ik degene die verzint dat hij al in maart met zijn tomaten in de weer wil. Volgend jaar beginnen we twee weken later. Aan de andere kant laat zo’n koud voorjaar ook zien welke tomatensoorten relatief meer en minder gevoelig zijn voor zo’n koude, stressvolle start. Extremistan is er om van te leren.

Een paar observaties

Om te beginnen de kas. Mijn doe-het-zelf kas is de afgelopen jaren flink gebutst geraakt. Het is een mooi ding, maar hij loopt na acht jaar op zijn laatste benen. Bij het ontwerp heb ik een paar fouten gemaakt, die de kas wat meer natuurlijke ventilatie geven dan de bedoeling is. Dat is mooi in een extreem hete zomer, maar een nadeel in een koud voorjaar.

Door enkele ontwerpfouten geen gebrek aan natuurlijke ventilatie

De tocht in combinatie met de schaduw van de buren zorgt voor verschillende in microklimaatjes in de kas. Ik heb de indruk dat vooral deze microklimaatjes bepalend zijn geweest voor het verschil in de mate waarin de plantjes de kou van het voorjaar het hoofd hebben weten te bieden. Ook het soort potje waar ze in staan draagt bij aan dit microklimaat. Klein potje, lager bij de grond, meer kou, groter potje, hoger van de grond, minder kou.

Dit effect van microklimaat is nog sterker bij de mobiele aardappels die al de hele maand april in cementkuipen buiten staan. Alleen de bakken die onbeschut tegen de noordenwind staan hebben noemenswaardige vorstschade opgelopen. Die schade is vooral ontstaan door de vier dagen hagel aan het begin van de maand.

Geen beschutting: aardappelplant met vorstschade
Beschut tegen de zuidmuur: aardappelplant in volle groei

De tomatensoort lijkt invloed te hebben, maar minder dan ik had verwacht. Twee soorten die ik nog maar één of twee jaar zelf vermeerder hebben op het oog meer last van de kou gehad en ook de uitval zat vooral bij deze twee soorten. Maar ook bij de soorten die ik al langer zelf vermeerder zijn er kleine verschillen, die op het oog op de soort zijn terug te voeren. De vleestomaten Purple Calabash en Black Seaman ogen me net wat vitaler dan de rest.

Alles bij elkaar is zo’n koud voorjaar misschien ook weer een geluk bij een ongeluk. De planten die de koude start in onze kas hebben overleefd, leveren het zaad voor de planten van volgend jaar en dat maakt ze net weer een tikje robuuster en meer aangepast aan onze lokale omstandigheden. Een plant die nooit wat meemaakt heeft geen karakter. Dat proef je. Toch had iets minder karakter dit voorjaar ook wel gemogen.

 

Voorjaar

En dan opeens is het voorjaar. Het groen schiet de grond uit. Bloesem knalt open. Er bloeit nog niet zoveel, maar toch vond één van de boompjes op de nieuwe tuin het nodig om uitbundig te gaan bloeien. Ik kon niet direct zien wat voor boompje het is. `Ik dacht even een krent,  die zijn er ook vaak vroeg bij, maar daarvoor lijken me de bloemblaadjes wat te rond. Wie het weet mag het zeggen.

Er is een hoop gebeurd de afgelopen weken. We hebben de wilg geknot en van de tenen moest natuurlijk een hut gebouwd. Met een beetje mazzel slaan de tenen aan en groeit de hut lekker dicht.

Er moest natuurlijk een hut gebouwd worden

Gespreid bedje

De bedden van slootmaaisel die we in januari hebben gemaakt, hebben deels hun werk gedaan. Na een week of acht is het grootste deel van de grasmat onder de bedden vergaan. Niet overal natuurlijk. Op plekken waar de strooilaag net iets minder dik was, prikken het speenkruid en enkele verdwaalde graspollen door de mulch. Het resultaat is naar mijn idee voldoende om er uien en aardappels in te zetten. In de half vergane zode prikken we met een stok een ondiep pootgat en daar verdwijnen de vroege aardappels  en plantuitjes in. Het geheel dekken we weer af met de laag slootmaaisel die we er net van af hebben geschoven.

Tegen mei zullen de eerste aardappel- en uienspruiten door de mulchlaag heen komen. Gedurende het voorjaar en de zomer vergaat de mulchlaag steeds verder en zullen de laag aanvullen met een nieuwe laag gemaaide ruigte. Op deze manier ontstaat een mooie, kruimige bodem onder de mulchlaag met, naar we hopen, een redelijke oogst aardappelen en uien.

Dit seizoen gaat het vooral om het vormen van een mooie losse bodem, zonder frezen en spitten.  De bodembiologie heeft tijd nodig om zijn werk te doen.

Onder de mulch van slootmaaisel is de zode aardig vergaan

Deze manier van aardappels verbouwen zonder ruggen of spitwerk is een  variant op de zogenaamde Ruth Stout methode. Deze Amerikaanse dame was een van de pioniers van het tuinieren zonder spitten met behulp van permanente mulchlagen.  Zij zaaide rechtstreeks op een onbewerkte bodem en dekte deze vervolgens af met een dikke laag oud hooi.

In 2018 heb ik met de aardappelen voor het eerst met deze methode ge-experimenteerd. In plaats van hooi gebruikte ik stro. De resultaten waren gemengd. De planten deden het uitstekend, ondanks een record droogte. Onder de mulchlaag kwam prachtige grond te voorschijn, maar de oogst viel tegen.

Sindsdien ben ik verder gaan experimenteren, met wisselende resultaten. In plaats van op de grond, zoals Stout adviseerde, plant ik de aardappels net in de grond. Ik heb de indruk dat de knollen dan net wat beter tot ontwikkeling komen. Het type mulch is ook van belang. Het diverser, hoe beter. Compost is prima, versnipperd heggesnoeisel werkt ook prima, net als een dikke laag gemaaid gras. Of een combinatie van deze.

Ongestoorde bodem

Houtige mulch, zoals heggesnoeisel, bevordert de vorming van schimmels en deze schimmels zijn cruciaal op de plant te voorzien van de nodige voedingsstoffen. De plant wisselt met de schimmels suikers voor de nodige mineralen, die de schimmels met hun netwerk van ondergrondse draden uit de wijde omgeving kunnen halen. Dit fenomeen heet mycorrhiza associatie en krijgt de laatste tijd steeds meer aandacht. Zoveel aandacht zelfs dat fabrikanten verzonnen hebben om deze schimmel in een potje te stoppen, dat je voor veel geld kan kopen en bij je planten strooien.

Dikke onzin, als het mij vraagt. Mycorrhiza ontstaat vanzelf als de omstandigheden gunstig zijn. Schimmelsporen zijn overal aanwezig. Geef een schimmel de goede omstandigheden en hij gaat groeien. Ongestoorde bodems in combinatie met houtige mulch zijn naar mijn ervaring een uitstekende uitnodiging voor de vorming van mycorrhiza netwerken. Intensief spitten helpt deze associatie om zeep. Vandaar dat ik de bodem het liefst zo min mogelijk verstoor.

Karton en compost

Het nadeel van slootmaaisel is dat het nogal grof kan zijn. Aardappels kunnen dat wel hebben, maar voor de schare tuinbonen, peultjes en broccoli en ander spul dat voorgekweekt in de kas staat te wachten  om uitgeplant te worden is het toch wat te grof. Daarvoor werkt een andere niet-spit methode prima. Deze werkt met een combinatie van karton en compost. Je legt een laag karton rechtstreeks op het  gras en over die laag karton gaat een laag van  minimaal tien centimeter compost. Vervolgens kan je voorgekweekte planten rechtstreeks in de compost uitplanten.

Afgelopen zaterdag legden we op deze manier een eerste compostbed aan. Tussen de hagelbuien door deden we ons best het karton niet te laten wegwaaien in de stevige maartse bries.

 

 

 

 

 

 

Enten

Na drie jaar wekelijks bloggen heb ik dit jaar de teugels iets laten vieren.  Een blogpost kost me gemiddeld een halve dag met uitschieters naar boven en beneden. Met de kinderen weken lang in het thuisonderwijs en een reeks andere klussen werd het me wat te veel. Niet dat er niks te schijven viel. Genoeg beleefd in de tuin, de keuken en op het nieuwe land.

Hoe om te gaan met kippen, konijnen en olijfbomen bij min 15? De ontdekking van risotto, maar dan anders. De geboorte van vier kuub slootmaaiselcompost, slaketende slakken, kippenkroos en andere avonturen.

We pakken de draad weer op bij fruitbomen. Rond het huis hebben we zes appelboompjes, drie peren, drie pruimen en twee kersenboompjes staan. De meeste zijn kleine boompjes op een zwak groeiende onderstam, naast een hoogstam en een halfstam. Meer kon ik er echt niet kwijt en eigenlijk is dit al veel te veel voor de ruimte die we rond het huis hebben.

Met een nieuwe stuk land is er ruimte voor nieuwe bomen. Met jonge bomen is het net als met voedsel; je kan ze bij de bomensupermarkt, de  bomenspeciaalzaak of de lokale bomenboer kopen. De meeste bomen die we hebben komen van de bio-dynamische kwekerij De Vrolijke Noot.

Nu kan je fruitbomen natuurlijk ook zelf laten groeien. Bij klein fruit zoals bessen en bramen is dat heel simpel: je snoeit een jonge tak af, die steek je in de grond en daar schiet hij vanzelf wortel.

Bij fruitbomen is dat lastiger. Die schieten niet zo snel wortel. Ook brengen spontane, wilde wortels niet per se de beste eigenschappen in een appel of peer naar boven. Daarom gingen kwekers de eigenschappen van twee bomen combineren door ze letterlijk op elkaar te laten groeien: een onderstam met de gewenste groei eigenschappen en een bovenstam met het gewenste fruitras.

De onderstam is bepalend voor de groeikracht van de boom. Je hebt zwakkere, middelmatige en sterke groeiers. Bij fruit telen is de combinatie van de eigenschappen van de onderstam, het fruitras en de bodemgesteldheid van belang.

Met nieuwe ruimte voor fruit leek het mij een mooie uitdaging zelf eens wat fruitbomen te enten. Voor mijn doe-het-zelf fruitbomen kwam ik uit bij wat zwakker groeiende onderstammen. M26 voor de appels, St. Julian A voor de pruimen en Kwee Adams voor de peren. Deze heb ik bij een kweker besteld. De eerste werden deze week geleverd. Op deze onderstammen heb ik diverse fruitrassen uit de tuin geënt.

Enten is een secuur werkje. Een tak is opgebouwd uit verschillende lagen. Eén van die lagen, het cambium, is in staat om te groeien. Door het cambium van de ent op het cambium van de onderstam te zetten kunnen deze met elkaar vergroeien.

Voor het enthout gebruik je eenjarige twijgen. Dat is het hout dat zich het afgelopen jaar gevormd heeft. Deze zijn gemakkelijk te herkennen. Ze hebben nog geen vruchtknoppen en vaak is de groeiring, de plek waar het eenjarige hout overgaat in het hout van het jaar daarvoor, goed zichtbaar.

Twijgen die je voor enten wilt gebruiken moeten nog volledig in ruste zijn, dus dit is een klus om uit te voeren voor de sapstroom eind maart op gang komt. Ook is het van belang dat de enttwijgen dezelfde diameter hebben als de onderstam.

 

Verschillende enttechnieken: A plakent, B verbeterde plakent, C oogent, D driehoeksent, Afbeelding Publiek Domein, Bastian

Er zijn verschillende ent technieken. Een goed scherp mes is onontbeerlijk. Wikipedia heeft een aardig overzicht. Ik ging voor een redelijk recht toe recht aan schuine ent, die ik met gastape aan elkaar heb bevestigd. Van het enthout snoei je terug tot ongeveer drie knoppen.

De geënte boompjes heb ik een mooie tijdelijke plek in de moestuin gegeven.  Nu is het afwachten of de ent geslaagd is.

Wordt vervolgd…

PS

Voor wie meer wil weten over onderstammen, fruitrassen, bestuivers, snoeitechnieken, etc. is de website van de boomgaard Langeveld in Kruishoutem een interessante plek.

Water geven als het regent

Groenbemesters in de kas

De bodem van de kas werkt hard. Tussen mei en juni schieten de tomaten en komkommerplanten razendsnel de grond uit. Dat gaat zo snel, dat ik ze bijna kan zien groeien. In juli, augustus en september brengen die planten een constante stroom vruchten voort. Dat is veel biomassa van een klein stukje bodem. De rotatie is eenzijdig. Tomaat, komkommer, een keertje peper, paprika of aubergine en dan weer tomaat. Dat heb je in een kas al snel.

Door een eenzijdig teelplan, met in ons geval veel planten uit de nachtschade familie, kunnen er ziekten in de bodem onstaan. Bij tomaten is dit bijvoorbeeld kurkwortel (Pyrenochaeta lycopersici). De wortel van een gezonde tomatenplant is egaal wit of ivoorkleurig. Aangetaste wortels hebben bruine vlekken en zien er verdroogd en gespleten, kurkig, uit. Tomaten die last hebben van kurkwortel zien er wat vermoeid uit en geven minder opbrengt. Als ik de tomaten in oktober opruim controleer ik altijd even de wortels op tekenen van kurkwortel.

Alle reden dus om het bodemleven in de kas extra aandacht te geven. Daar begint alles mee: gezonde groei en bodemvruchtbaarheid. Het hangt allemaal samen met een levende bodem. Er zitten miljarden micro-organismen in de bodem. Geeft je het bodemleven een eenzijdig dieet, dan gaan schadelijke soorten overheersen en krijg je problemen.

In het verleden heb ik de grond in de kas hierom wel eens twee steek diep vervangen. Een flinke klus en ik geloof niet dat het iets geholpen heeft. Het getuigt ook van een soort wegwerpmentaliteit. Je gebruikt de bodem een aantal jaar en als het resultaat je niet meer aanstaat haal je nieuwe.

Hoe krijgen we minder eenzijdigheid in de kas en een gezonde bodem? In de zomer staan er tussen de tomaten wat basilicum en goudsbloem. Die doen het daar prima. Ook afrikaantjes zijn een bekende buur in de kas om problemen te voorkomen. Dit jaar heb ik na de tomaten een mengsel van klaversoorten, mosterd, phacelia, borage, wikke, haver en rogge in de kas gezaaid. Deze groenbesters in de winter helpen hopelijk ook om de eenzijdigheid te doorbreken.

Mulchen! In de zomer wordt het heet in de kas. Een onbedekte bodem in de kas droogt dan razendsnel uit. Het bodemleven trekt zich terug. Een mulchlaag van bijvoorbeeld gemaaid gras houdt het vocht vast in de bodem, reguleert de temperatuur en voedt het bodemleven.

Niet spitten. Spitten verstoort het bodemleven. Hoe minder verstoring in de bodem, hoe beter de structuur. De bodem voed je van boven af. Het is niet nodig om mest of compost in de bodem in te werken. De natuur doet dit zelf voor je. Vooral wormen kunnen een enorme hoeveelheid origanisch materiaal de bodem in trekken. Ze zorgen bovendien voor een netwerk van minuscuele gangetjes, waardoor lucht en water de bodem in kunnen trekken. Deze gangetjes geven plantenwortels de ruimte om te groeien. Een gezonde, niet gespitte bodem heeft een sponsachtige structuur. Een gespitte bodem slaat dicht.

In het najaar laat ik een paar keer de regentonnen leeglopen in de kas. In de zomer kom ik regenwater tekort. In het najaar heb ik een overvloed. Waarom geen water geven als het regent? Na de zomer kan de kas wel een slok water gebruiken. Een stortbui van 1000 liter op tien vierkante meter. In een paar minuten is het water weggetrokken in de kleibodem. Dit vermogen om water te laten infiltreren zegt iets over de kwaliteit van de bodem. Vijf jaar geleden had ik met die 1000 liter een overdekt zwembadje in de kas gemaakt. Nu hoor ik het overal borrelen en klokken. Luchtbelletjes die ontsnappen uit die sponsstructuur. De bodem had dorst.

Als het groen kniehoog in de kas staat mogen de kippen er in. Die lusten wel wat groen in de winter.

Ui

Ui is typisch zo’n groente die zelden in de hoofdrol staat. Uien horen ergens bij, in of door, maar krijgen zelden het podium als hoofdrolspeler. Of het moet al in de uiensoep zijn.

Deze eeuwige bijrol in de keuken komt niet door een gebrek aan smaak. Eerder het tegendeel. Een ui smaakt zo erg naar zichzelf, dat we hem misschien daarom liever tegenover iets anders zetten. Als tegenhanger of om juist het gebrek aan smaak te verbloemen. Hoe maak je van een ordinaire frikandel een speciale frikandel? Door er een uitje naast te serveren.

Uien telen

In de tuin is het uientijd. De lenteuitjes die we in het vroege voorjaar in plukjes hebben voorgezaaid en uitgeplant zijn klaar. De bewaaruien, die als plantuitjes in februari de grond in zijn gegaan, laten her en der het loof slap hangen. Een teken dat ze geoogst kunnen worden. Niet allemaal overigens. Er is één bak die dapper vol blijft houden dat er nog genoeg tijd is om door te groeien. Een enkeling besluit te gaan bloeien. Die gaat zijn gang maar. Bloeiende uien zijn best imposant en misstaan in geen enkele tuin.

Lenteui… op zoek naar een hoofdrol

In de moestuin doen de uien meestal niet al te ingewikkeld. Een paar rijtjes lente uitjes ter plekke uitzaaien was meestal voldoende. Dit jaar heb ik een nieuwe methode uitgeprobeerd voor de lenteuitjes: voorzaaien in potjes in de kas en dan in plukjes van vijf a zes uitpoten. Werkt prima; beter nog dan een rijtje ter plekke. voor de bewaaruien gebruik ik pootuitjes. Dit jaar heb ik ze tussen de wintergroenlof  gezet. Deze gaat in het najaar in de grond en schiet in het vroege voorjaar in de krop. Tegen de tijd dat de laatste krop geoogst is, steken de plantuitjes net hun kopjes boven de grond. De wortelpennen van de groenlof heb ik laten zitten. Soms geven ze nog een nieuwe krop voordat ze in het zaad schieten. Nu staat de groenlof blauwpaars te bloeien tussen de uien en hebben ze het samen prima naar hun zin.

Ui en bloeiende groenlof

Recepten?

Toch blijft het knagen. Hoe zetten we de ui nu eens op een hoofdpodium? Ik weet het nog niet. Als je van ui houdt knaagt een rauw stengeltje lenteui prima weg; maar een bord vol  zou ik niet snel serveren. Ergens doorheen kan natuurlijk altijd, bijvoorbeeld een verse pasta met knoflook, olijfolie en een berg flinterdun gesneden lenteuitjes. Maar dan is het weer de pasta die de credits krijgt. Frituren in een heel licht beslagje? Misschien een optie. Confijten in kippenfond? Dan draait het weer om de kip. Ik weet het nog niet. Suggesties? Graag!

 

 

Tussen-, combi- en multiteelt

Anderhalve meter; het voelt onnatuurlijk. De mens is een door en door sociaal wezen. Het liefst klitten we op in en aan elkaar op een zo klein mogelijke ruimte, vooral als we jong zijn.

De voorschriften van de  anderhalve meter samenleving geven met lijnen en pijlen aan hoe we ons tot elkaar dienen te verhouden. Demonstreren mag, maar allemaal netjes op je eigen stip.  Voelt ongemakkelijk. Gelukkig hoef ik niet meer zo vaak te demonstreren. Ik heb tussen mijn zestiende en zesentwintigste zoveel gedemonstreerd dat ik een soort van morele ontheffing heb.

De stippen en pijlen doen me aan iets denken. De pictogrammen op zakjes zaaigoed. Bietjes: 30 cm in de rij, 20 er tussen. Kool: 50 bij 40. In de moestuin is de anderhalve meter samenleving voor planten al jaren de norm. Terwijl planten net mensen zijn. Ook zij klitten het liefst op en aan elkaar in een zo klein mogelijke ruimte.

Planten in een monocultuur met de voorgeschreven afstand voelen zich eenzaam. Eenzame en depressieve planten worden in de moestuin al snel opgeruimd door het slakkenvolk.

Ui en wortel, een klassieke combinatie

Rijtjes en afstanden zijn er zo ingeramd in de moestuin, dat het moeilijk afscheid nemen is. Het doorbreken van een monocultuur met combinatieteelt is een klassieker. Naast wortelen hoort ui, want die helpen elkaar van hun plagen af. Een andere, minder bekende zijn de drie gezusters: mais, pompoen en bonen. Tussenteelt is ook geen onbekende voor de doorgewinterde moestuinier. Tussen twee rijen bonenstaken past best een rijtje andijvie of sla. Als de timing goed is, is de sla klaar als bonen gaan klimmen en de zon wegnemen.

Klaver met prei?

Het blijft allemaal wat magertjes en onbeholpen als je het afzet tegen de radicale diversiteit, die de standaard is in de natuur. In de moestuin is het voor mij nog een grote zoektocht naar de kracht van die radicale diversiteit. Tussen de rijtjes door groeien de experimenten. Snelle groeiers doen het goed tussen snelle groeiers. Zo is mosterd en phacelia prima te combineren met peultjes en capucijners. Klavers met prei? Geen idee, maar we gaan het proberen.

Snelle groeiers
Saladebar!

De salade bar is in ieder geval een doorslaand succes. Dit is een mix van twee vierkante meter snijmoes, rucola, veldsla, biet en andere gebladerte voor de dagelijkse salade. Elke avond een flinke bak en er lijkt geen einde aan te komen. De rucola staat nu bijna in bloei en de snijmoes krijgt wat de overhand. Binnenkort alles één keer afknippen en de weelde begint weer van voren af aan.

 

 

 

 

 

Zaaien

Groenbemester van kippenvoer en capucijners onder stromulch in de kas

“Het was de hele tijd februari en dan ineens is het floep… maart!” vertelde Anton Dingeman, de tamelijk briljante cartoon van Pieter Geenen mij vanochtend in Trouw. Heel lang suddert de winter door en ineens is het maart. De start van een nieuw seizoen in de tuin. Zaaien! En niet zo’n beetje ook.

In januari had ik al een voorschot genomen op het voorjaar met twee bakken extreem vroege aardappelen in de kas. Dit steken al een aardig eind boven de grond en genieten net als ik van elk uurtje zonneschijn tussen de buien door.

Opeens is het maart

Gister heb ik flink gezaaid. Tomaten en pepers binnen in de zaaibakken in de vensterbank. Peulen, capucijners, tuinbonen, witte kool en rode bieten in zaaitrays in de kas. Plantuitjes in de verhoogde bakken in de tuin.

Zaaien is niet zo ingewikkeld. De natuur is een paar miljard jaar bezig geweest met uitvogelen hoe een plant zich het beste voort kan planten. Als mens kunnen we daar niet zoveel aan toevoegen en het meeste dat we toevoegen zijn lapmiddelen om de kwalijke gevolgen van ons geklooi op te lossen.

Zaaien begint natuurlijk met een zaadje. Als de omstandigheden goed zijn, wordt dat ding wakker en gaat het vanzelf groeien. Aarde, water, een beetje warmte, soms een beetje licht; dat zijn de belangrijkste ingredienten om een zaadje wakker te schudden.

Nu is het ene zaad het andere niet. Ik heb eerder al eens wat bespiegelingen aan kiemkracht gewijd. De zaden van het vorige seizoen die ik zelf bewaard heb vindt ik meestal het meest levenslustig.

Aarde is het tweede ingrediënt. Voor alle zaden kleiner dan een erwt gebruik ik een mengsel van potgrond met een flink deel grof zand. Bij grotere zaden meng ik door dat mengels nog wat compost van onze composthoop. Voordeel van deze compost is dat het meer bodemleven bevat dan potgrond, dat over het algemeen akelig steriel is. In onze compost zitten vaak nog wat onverteerde zaden van grasjes en onkruidjes. Bij groter spul, zoals erwten en bonen, vind ik dat niet zo erg. Bij kleine zaailingen zijn die verstekelingen hinderlijk en dan neem ik het gebrek aan leven in de potgrond op de koop toe.

Hoe diep moet je zaaien? Een goede vuistregel is een tot anderhalf keer zo diep als het zaadje groot is. Een dikke tuinboon mag best een paar centimeter. Een klein kool zaadje hoeft helemaal de grond niet in, maar vindt het prima om afgedekt te worden met een paar milimeter grof zand.

Zonder water geen groei. De verhuizing van een droog zakje naar een vochtig bedje is voor veel zaden voldoende om wakker te worden. Teveel water is ook weer niet goed, want dan kan de boel gaan rotten. Goed vochtige grond bij het zaaien is meestal voldoende water om de zaden te laten ontkiemen. Water geven hoeft dan pas als de plantjes boven komen.  Kweekbakken binnen willen wel eens sneller uitdrogen; zeker als ze zoals bij ons boven de radiator staan. Een neveldouche om de twee à drie dagen is dan voldoende. Zorg wel voor ventilatie, anders gaat de boel schimmelen.

Houten kist met glasplaat: een effectieve propagator

Licht en warmte, dat verschilt nogal van plant tot plant. Koukleumen zoals tomaten, paprika’s en aubergines beginnen binnen op de vensterbank onder glas. Dan hebben ze het al snel warm genoeg om wakker te worden. Daarna is licht de grootste uitdaging. Pal voor het raam; bij voorkeur op het zuiden. Anders krijg je van die lange, iele zaailingen, die wanhopig groeien naar het licht en na twee weken moedeloos en verzwakt hun kopjes laten hangen.

Robuuster spul, zoals erwten, kan al in februari in de koude kas of onder glas. Een hoekje kippenvoer met capucijners, dat ik in januari in een hoekje van de kas bij wijze van experiment heb uitgestrooid onder een flinke mulch laag stro komt al prima boven.

Met een onverwarmde kas of koude bak kan je het zaaien dus flink vervroegen. Voor planten die wat vorst kunnen verdragen is dat prima te doen. Bij planten die minder vorst kunnen hebben bijft het gokken. Min twee of min drie gaan mijn extra vroege aardappels in de kas wel overleven. Bij min vier of vijf wordt dat al spannender. Afdekken met hooi of stro en hopen dat het geen min zeven wordt, is dan de strategie. Tot de ijsheiligen half mei vertrokken zijn blijft die kans op vorst aanwezig.

Extra vroege mobiele aardappels in de kas, hopen dat het niet te streng meer gaat vriezen

Het gros van de aardappels mag dus nog even wachten. Met twee a drie week gaan de vroege rassen de grond in. Begin april de late. Pompoenen, courgettes, bonen, komkommers, daarvoor is het allemaal nog veel te vroeg.

Maar voor het zelfde geld is het met een paar weken april. Dat weet je maar nooit. En misschien dat het daarna ook al weer snel mei is.

 

 

 

 

 

 

Groenbemesters

Opschietende groenbemesters in een leeg groentebed

De eerste plekken raken weer leeg in de moestuin. Een groot deel van de aardappels is gerooid. Ik houd niet van lege plekken. Ik bedek ze doorgaans zo snel mogelijk onder een laag mulch. De natuur is immers een kuis wezen. Naakte grond dekt de natuur toe met plantjes die dol zijn vers gespitte aarde. Deze plantjes noemen we onkruid.

Dit jaar probeer ik eens wat anders. Groenbemesters. Dat zijn planten, die niet voor hun blad, zaden, knollen of vruchten gezaaid worden, maar om de bodem te beschermen, de bodemstructuur te verbeteren en de bodemvruchtbaarheid te vergroten. Ook worden ze gebruikt om te voorkomen dat voedingsstoffen in de bodem uitspoelen. Vanggewas noem je ze dan. De plant legt mineralen vast in zijn blad, stengels en wortels. Als het vastzit in een plant, kan het niet wegspoelen met het regenwater, zo is de gedachte. Zodra de plant vergaat in de winter of het volgend voorjaar komen de vastgelegde mineralen weer beschikbaar voor een nieuw teelseizoen.

Veel groenbemester horen bij de familie van de vlinderbloemigen. Deze plantenfamilie heeft de bijzondere eigenschap dat ze stikstof uit de lucht kan vastleggen in de bodem en stikstof, daar houden planten van. Erwten, bonen, klaver, lupine: allemaal vlinderbloemigen en dus geschikt om stikstof in de bodem vast te leggen.

Planten met een stevige, diepe wortel, zoals lupine, kunnen helpen de bodem los te maken en de structuur te verbeteren. Ook zijn er groenbemesters waar bijen dol op zijn. Phacelia is zo’n plant. Als je tegenwoordig in de nazomer grote akkers met paarse bloemetjes ziet is de kans groot dat het een groenbemester is zoals phacelia, lupine of klaver of een combinatie van deze.

Ik ga voor een mix van lupine, phacelia en mosterd. Het is al best laat in het seizoen voor een aantal van deze planten, maar met een beetjes mazzel en een zachte herfst zien we misschien zelfs nog wat bloei als de moestuin steeds leger raakt.

Veel groenbemesters gaan dood na de eerste vorst. De dode planten vormen dan een laagje organisch materiaal, dat je kan vergelijken met een mulchlaag. Lekker laten liggen in het voorjaar. Niet onderspitten.  Hooguit bij elkaar harken en op de composthoop mikken. Hoe minder je de grond spit, beter hij wordt, maar daarover later meer.

Wordt vervolgd…

 

 

 

 

 

 

Kiemkracht

Links van oud peperzaad uit de winkel, rechts nieuwe doe-het-zelf paprika

Het is maart, tijd om de vensterbanken in de woonkamer van bewaarplaats voor kinderspeelgoed en kamerplanten om te toveren in kweektafels. Na een voorzichtige start  met de pepers, paprika’s en aubergines in februari is het nu tijd voor de tomaten. Eerder met tomaten beginnen heeft geen zin; dat geeft alleen maar lange en iele zaailingen.

Tomaten zaai ik altijd in overvloed. Minimaal vijf rassen en per ras ruim dertig zaailingen. Dat geeft al snel meer dan 150 tomatenplanten. In de kas passen er hooguit 20. De rest verkoop ik op de vrijmarkt op Koningsdag, in Loppersum, een dorpje verderop.

Zaaien is spannend: wie komt als eerste boven, wie krijgt zijn zaadhuls niet van zijn kop, wie heeft stiekem drie in plaats van twee kiemblaadjes, met hoeveel zijn we na een week of drie en wie is er in de grond achter gebleven?

De tomaten voor dit jaar

Kiemenergie

Het antwoord op deze vragen zegt iets over de kiemkracht en de kiemenergie van de zaden. De kiemkracht is enkel het percentage zaad dat na een bepaalde tijd onder ideale omstandigheden is ontkiemd. De kiemenergie zegt ook iets over de snelheid en vitaliteit waarmee dat gebeurt.

Ik zaai de tomaten voor in zaaibakjes in een propagator. Dat is een duur woord voor een zelf gemaakte houten kweekbak in de vensterbank boven de radiator met twee glasplaten erop en een kier voor de ventilatie. Deze opstelling in de woonkamer geeft een goed zicht op de kiemkracht en kiemenergie van mijn zaaisels. Dat wil nogal verschillen; tussen planten, rassen en herkomst en ouderdom van het zaad.

Houten kist met glasplaat in de vensterbank: een effectieve propagator

Anonieme zaaddonor

De kiemkracht van commercieel zaad van aubergines, paprika’s en pepers vond ik nooit zo denderend. Vorig seizoen heb ik op de Noordelijke zadenmarkt wat aubergine en paprikazaden op de ruiltafel geruild. Mijn inbreng was een partij tomatenzaden. De kiemenergie van deze geruilde zaden was overweldigend. Afgelopen februari heb ik de tweede generatie gezaaid en ook dat gaat verbluffend. Een opkomst van 70 tot 90%. Langs deze weg een hartelijk dank voor de anonieme zaaddonor van de rassen “Mokko” en “Herzje”. De commerciële pepers met houdbaarheidsdatum 01-19 steken daar schril bij af. Daar zit werkelijk geen fut meer in.

Doe-het-zelf-zaad

Dat ligt niet direct aan de commercie. Na een aantal jaar gaat de kiemkracht gewoon hard achteruit, zeker als het zaad niet onder ideale omstandigheden bewaard is. Zaad dat je zelf wint (zie de post Zaden winnen) is in ieder geval vers en van een plant die heeft bewezen onder de specifieke omstandigheden in je eigen tuin of kas vrucht te dragen. Wat werkt voor een plant onder de “ideale” omstandigheden van de veredelaar met het oog op een steriele teelomgeving in glaswol onder warm glas op een kunstmestdieet met computergestuurde luchtvochtigheid hoeft natuurlijk niet per se te werken in de volle grond van een onverwarmde, tochtige kas, waar het lekt als de ziekte en de luchtvochtigheid fluctueert als het weer in maart.

Daar zit denk ik het geheim van de kiemkracht van zelf gewonnen zaden: ze doen het goed, omdat ze zich onder lokale, brute en suboptimale omstandigheden moeten bewijzen.

PS

Zaterdag 9 maart aanstaande organiseert het Noordelijk Zaden Netwerk de Noordelijke Zadenmarkt. Dit jaar in Drachten.

 

Snoeien

Jonge loot, Court Pendu

Hoewel het februari is, doet de natuur al een week of het volop lente is. Op inspectie bij haar bijenvolk ontdekte mijn echtgenote een hommel, die een voorjaarsduik in het stuifmeel van een krokus nam. Het lijkt erop dat ons bijenvolk de eerste winter goed is doorgekomen. Er is nog niet zoveel te halen; wat krokussen, sneeuwklokjes, wilg en hazelaar.

De winter nadert zijn eind; laten we het daar op houden. Een ideaal moment om de fruitbomen te snoeien. De sapstroom is nog niet op gang en het is bestendig, droog weer zonder vorst.

Voorjaarsduik in de krokussen

We snoeien enerzijds om weg te halen wat ziek, afgedragen of ongewenst is en anderzijds om nieuwe groei te stimuleren. Jonge fruitbomen snoeien we om de jonge boom een stevig gestel te geven; een raamwerk van sterke, goed geplaatste takken dat krachtig genoeg is om een kroon met rijke oogst te dragen.

Snoeien is een van de krachtigste technieken die de tuinier tot zijn beschikking heeft. Voor een aantal fruitsoorten, zoals druiven, bramen en bessen is snoei een noodzakelijke voorwaarde om tot een oogst te komen. Snoei is zo’n krachtige techniek, omdat elke boom die gesnoeid is, wordt uitgedaagd om nieuwe loten te laten ontspringen. Op deze manier geeft snoei een oude stam verjonging. Nieuwe groei kost echter kracht en te rigoureuze snoei kan een plant uitputten. Ook kan snoei leiden tot een wildgroei van nieuwe loten op een plek waar je juist iets weg wilde halen.

Snoei brengt je rechtstreeks in contact met de groeikracht van een plant. Voor fans van het werk van George Lucas is het niet zo moeilijk de snoeischaar in gedachten te verruilen voor een lightsaber om op deze wijze in contact te komen met The Force. Zelf heb ik niet zoveel met Star Wars.

Heftige shit dus, snoeien. Een blogpost is te kort om meer dan een paar basisprincipes te behandelen. Het beste advies voor de beginnende snoeier: verdiep je in de materie. Struin het internet af, kijk naar youtube-filmpjes van Engelsen met een raar hoedje op, die uitleggen dat je zo moet snoeien dat je je hoed door de kroon van een appelboom kunt gooien. Volg een workshop bij een kweker of hovenier die je vertrouwt of duik in de boeken. Zelf heb ik veel gebruik gemaakt van Stap-voor-stap snoeien van Christopher Brickell.

De basis van het snoeien is op deze manier vrij makkelijk aan te leren. Maar zoals vaker in de echte wereld lijkt mijn boom nooit exact op de schematische boom uit het boekje. Of er komen na de snoeibeurt in de zomer opeens allerlei loten te voorschijn op plekken waar ze dat in theorie niet kunnen doen. Observeer, probeer en leer.

May the force be with you!