Groenbemesters

Opschietende groenbemesters in een leeg groentebed

De eerste plekken raken weer leeg in de moestuin. Een groot deel van de aardappels is gerooid. Ik houd niet van lege plekken. Ik bedek ze doorgaans zo snel mogelijk onder een laag mulch. De natuur is immers een kuis wezen. Naakte grond dekt de natuur toe met plantjes die dol zijn vers gespitte aarde. Deze plantjes noemen we onkruid.

Dit jaar probeer ik eens wat anders. Groenbemesters. Dat zijn planten, die niet voor hun blad, zaden, knollen of vruchten gezaaid worden, maar om de bodem te beschermen, de bodemstructuur te verbeteren en de bodemvruchtbaarheid te vergroten. Ook worden ze gebruikt om te voorkomen dat voedingsstoffen in de bodem uitspoelen. Vanggewas noem je ze dan. De plant legt mineralen vast in zijn blad, stengels en wortels. Als het vastzit in een plant, kan het niet wegspoelen met het regenwater, zo is de gedachte. Zodra de plant vergaat in de winter of het volgend voorjaar komen de vastgelegde mineralen weer beschikbaar voor een nieuw teelseizoen.

Veel groenbemester horen bij de familie van de vlinderbloemigen. Deze plantenfamilie heeft de bijzondere eigenschap dat ze stikstof uit de lucht kan vastleggen in de bodem en stikstof, daar houden planten van. Erwten, bonen, klaver, lupine: allemaal vlinderbloemigen en dus geschikt om stikstof in de bodem vast te leggen.

Planten met een stevige, diepe wortel, zoals lupine, kunnen helpen de bodem los te maken en de structuur te verbeteren. Ook zijn er groenbemesters waar bijen dol op zijn. Phacelia is zo’n plant. Als je tegenwoordig in de nazomer grote akkers met paarse bloemetjes ziet is de kans groot dat het een groenbemester is zoals phacelia, lupine of klaver of een combinatie van deze.

Ik ga voor een mix van lupine, phacelia en mosterd. Het is al best laat in het seizoen voor een aantal van deze planten, maar met een beetjes mazzel en een zachte herfst zien we misschien zelfs nog wat bloei als de moestuin steeds leger raakt.

Veel groenbemesters gaan dood na de eerste vorst. De dode planten vormen dan een laagje organisch materiaal, dat je kan vergelijken met een mulchlaag. Lekker laten liggen in het voorjaar. Niet onderspitten.  Hooguit bij elkaar harken en op de composthoop mikken. Hoe minder je de grond spit, beter hij wordt, maar daarover later meer.

Wordt vervolgd…

 

 

 

 

 

 

Kiemkracht

Links van oud peperzaad uit de winkel, rechts nieuwe doe-het-zelf paprika

Het is maart, tijd om de vensterbanken in de woonkamer van bewaarplaats voor kinderspeelgoed en kamerplanten om te toveren in kweektafels. Na een voorzichtige start  met de pepers, paprika’s en aubergines in februari is het nu tijd voor de tomaten. Eerder met tomaten beginnen heeft geen zin; dat geeft alleen maar lange en iele zaailingen.

Tomaten zaai ik altijd in overvloed. Minimaal vijf rassen en per ras ruim dertig zaailingen. Dat geeft al snel meer dan 150 tomatenplanten. In de kas passen er hooguit 20. De rest verkoop ik op de vrijmarkt op Koningsdag, in Loppersum, een dorpje verderop.

Zaaien is spannend: wie komt als eerste boven, wie krijgt zijn zaadhuls niet van zijn kop, wie heeft stiekem drie in plaats van twee kiemblaadjes, met hoeveel zijn we na een week of drie en wie is er in de grond achter gebleven?

De tomaten voor dit jaar

Kiemenergie

Het antwoord op deze vragen zegt iets over de kiemkracht en de kiemenergie van de zaden. De kiemkracht is enkel het percentage zaad dat na een bepaalde tijd onder ideale omstandigheden is ontkiemd. De kiemenergie zegt ook iets over de snelheid en vitaliteit waarmee dat gebeurt.

Ik zaai de tomaten voor in zaaibakjes in een propagator. Dat is een duur woord voor een zelf gemaakte houten kweekbak in de vensterbank boven de radiator met twee glasplaten erop en een kier voor de ventilatie. Deze opstelling in de woonkamer geeft een goed zicht op de kiemkracht en kiemenergie van mijn zaaisels. Dat wil nogal verschillen; tussen planten, rassen en herkomst en ouderdom van het zaad.

Houten kist met glasplaat in de vensterbank: een effectieve propagator

Anonieme zaaddonor

De kiemkracht van commercieel zaad van aubergines, paprika’s en pepers vond ik nooit zo denderend. Vorig seizoen heb ik op de Noordelijke zadenmarkt wat aubergine en paprikazaden op de ruiltafel geruild. Mijn inbreng was een partij tomatenzaden. De kiemenergie van deze geruilde zaden was overweldigend. Afgelopen februari heb ik de tweede generatie gezaaid en ook dat gaat verbluffend. Een opkomst van 70 tot 90%. Langs deze weg een hartelijk dank voor de anonieme zaaddonor van de rassen “Mokko” en “Herzje”. De commerciële pepers met houdbaarheidsdatum 01-19 steken daar schril bij af. Daar zit werkelijk geen fut meer in.

Doe-het-zelf-zaad

Dat ligt niet direct aan de commercie. Na een aantal jaar gaat de kiemkracht gewoon hard achteruit, zeker als het zaad niet onder ideale omstandigheden bewaard is. Zaad dat je zelf wint (zie de post Zaden winnen) is in ieder geval vers en van een plant die heeft bewezen onder de specifieke omstandigheden in je eigen tuin of kas vrucht te dragen. Wat werkt voor een plant onder de “ideale” omstandigheden van de veredelaar met het oog op een steriele teelomgeving in glaswol onder warm glas op een kunstmestdieet met computergestuurde luchtvochtigheid hoeft natuurlijk niet per se te werken in de volle grond van een onverwarmde, tochtige kas, waar het lekt als de ziekte en de luchtvochtigheid fluctueert als het weer in maart.

Daar zit denk ik het geheim van de kiemkracht van zelf gewonnen zaden: ze doen het goed, omdat ze zich onder lokale, brute en suboptimale omstandigheden moeten bewijzen.

PS

Zaterdag 9 maart aanstaande organiseert het Noordelijk Zaden Netwerk de Noordelijke Zadenmarkt. Dit jaar in Drachten.

 

Snoeien

Jonge loot, Court Pendu

Hoewel het februari is, doet de natuur al een week of het volop lente is. Op inspectie bij haar bijenvolk ontdekte mijn echtgenote een hommel, die een voorjaarsduik in het stuifmeel van een krokus nam. Het lijkt erop dat ons bijenvolk de eerste winter goed is doorgekomen. Er is nog niet zoveel te halen; wat krokussen, sneeuwklokjes, wilg en hazelaar.

De winter nadert zijn eind; laten we het daar op houden. Een ideaal moment om de fruitbomen te snoeien. De sapstroom is nog niet op gang en het is bestendig, droog weer zonder vorst.

Voorjaarsduik in de krokussen

We snoeien enerzijds om weg te halen wat ziek, afgedragen of ongewenst is en anderzijds om nieuwe groei te stimuleren. Jonge fruitbomen snoeien we om de jonge boom een stevig gestel te geven; een raamwerk van sterke, goed geplaatste takken dat krachtig genoeg is om een kroon met rijke oogst te dragen.

Snoeien is een van de krachtigste technieken die de tuinier tot zijn beschikking heeft. Voor een aantal fruitsoorten, zoals druiven, bramen en bessen is snoei een noodzakelijke voorwaarde om tot een oogst te komen. Snoei is zo’n krachtige techniek, omdat elke boom die gesnoeid is, wordt uitgedaagd om nieuwe loten te laten ontspringen. Op deze manier geeft snoei een oude stam verjonging. Nieuwe groei kost echter kracht en te rigoureuze snoei kan een plant uitputten. Ook kan snoei leiden tot een wildgroei van nieuwe loten op een plek waar je juist iets weg wilde halen.

Snoei brengt je rechtstreeks in contact met de groeikracht van een plant. Voor fans van het werk van George Lucas is het niet zo moeilijk de snoeischaar in gedachten te verruilen voor een lightsaber om op deze wijze in contact te komen met The Force. Zelf heb ik niet zoveel met Star Wars.

Heftige shit dus, snoeien. Een blogpost is te kort om meer dan een paar basisprincipes te behandelen. Het beste advies voor de beginnende snoeier: verdiep je in de materie. Struin het internet af, kijk naar youtube-filmpjes van Engelsen met een raar hoedje op, die uitleggen dat je zo moet snoeien dat je je hoed door de kroon van een appelboom kunt gooien. Volg een workshop bij een kweker of hovenier die je vertrouwt of duik in de boeken. Zelf heb ik veel gebruik gemaakt van Stap-voor-stap snoeien van Christopher Brickell.

De basis van het snoeien is op deze manier vrij makkelijk aan te leren. Maar zoals vaker in de echte wereld lijkt mijn boom nooit exact op de schematische boom uit het boekje. Of er komen na de snoeibeurt in de zomer opeens allerlei loten te voorschijn op plekken waar ze dat in theorie niet kunnen doen. Observeer, probeer en leer.

May the force be with you!

 

 

 

 

 

 

 

 

Nieuw seizoen

Januari ligt achter ons. We hadden zelfs een beetje sneeuw en ijs. De kippen zijn nog niet weer aan de leg, die zitten in het laatste staartje van hun winterstop, maar daar kan nu elk moment een eind aan komen. Heel voorzichtig piekt de zon een half uurtje per dag boven het dak uit van het imposante kerkgebouw dat aan de zuidkant van onze volmalige pastorie ligt.

Vandaag begint een nieuw tuinseizoen. De plannen liggen klaar, de schema’s zijn getekend, het zaaigoed is geteld, gecontroleerd en waar nodig besteld. Alleen de bezorging laat nog even op zich wachten. Binnen kan ik de aubergines, pepers en paprika’s voorzaaien in het broeibakje in de vensterbank. Die komen allemaal uit zaad wat ik aan het eind van de afgelopen zomer geoogst heb. Deze warmte minnende exoten hebben een lang groei seizoen; daar kan je het best op tijd mee beginnen. Tomaten zijn een stuk sneller. Die moeten daarom tot 1 maart wachten.

Tuinplan 2019

De winterkou is even uit de lucht. In de kas komt nu weer een streepje zon en daar gaan we beginnen met het voorzaaien van de erwtjes, tuinbonen en capucijners in potjes. Dan moet een experimentje met extreem vroege aardappels in cementkuipen op een laagje broeiende kippen- en konijnenmest ook wel kunnen, maar helaas, het pootgoed is nog niet binnen. De enige poters die ik van mijn eigen aardappels bewaard heb zijn van een laat ras en dat gaat zo vroeg in het seizoen niet werken.

Dan maar wat winterpostelijn, veldsla of snijmoes zaaien. Als het nog heel hard gaat vriezen wordt dat natuurlijk niks, maar we kunnen het allicht proberen. De jonge haantjes gaan hun laatste weken in…

PS

Geschrokken door de negatieve berichtgeving legden de dames een dag later alsnog het eerste ei van het nieuwe seizoen.

 

 

Zaden winnen

De collectie tomaten

Het is simpel. Je hebt een zaadje. Je stopt het in de grond, de natuur laat een plantje groeien. Aan dat plantje komen nieuwe zaden en het hele circus herhaalt zich.  Dit inzicht heb ik niet van mezelf, maar van het personage Neil uit de legendarisch Britse sitcom The Young Ones uit de jaren 80.

Zo simpel als het miljoenen jaren was, is het niet meer. Het simpele zaadje van vroeger is het hightech en gentech intellectueel eigendom van een conglomeraat van een handje vol zaad- en landbouwgif reuzen geworden. Bayer-Monsanto, Syngenta en Dow Chemical – Du Pont zijn de bekendste. Waren zaden vroeger van iedereen in het algemeen of niemand in het bijzonder; nu draait de strijd om de economische controle over zaaigoed om de vraag wie het recht heeft om een zaadje te planten. Is dat degene die het zaadje geoogst en bewaart heeft of degene die “auteursrechten” heeft betaald aan de multinational die het intellectueel eigendomsrecht op dat zaadje claimt?

Een interessante vraag, waar we het in een toekomstig blog ongetwijfeld nog eens over gaan hebben. Nu is het september en de perfecte tijd voor de meer praktische kant van de zaak: zaden bewaren, hoe doe je dat?

Zaden bewaren

Het antwoord op die vraag verschilt nogal per plant. Bij een eenjarige plant gaat dat wat anders in zijn werk dan bij een tweejarige. Ook zijn er planten die je niet met zaad, maar met een wortelknol vermeerderd, zoals aardappels en knoflook. Gelukkig zijn er op internet tal van beschrijvingen te vinden voor het winnen van zaad van de meest uiteenlopende planten. De basis is meestal vrij simpel: haal de zaadjes uit een rijpe vrucht en droog die op een keukenrol of een stukje bakpapier.

Bij tomatenzaadjes is het handig om de geleiachtige substantie waar de zaadjes inzitten een paar weken weg te zetten in een potje met een beetje water. De boel gaat schimmelen en stinken en dat is precies wat we willen. Na een week of zes vis je de zaadjes uit de schimmelprut en droog je die. Niet vergeten je huisgenoten te waarschuwen de stinkende potjes niet leeg te gooien in de wc.

Als de zaden goed droog zijn bewaar je ze op een droge, donkere en koele plek tot het tijd is om ze opnieuw te zaaien of te ruilen met andere enthousiaste tuiniers. Dit ruilen kan op steeds meer plekken, bijvoorbeeld op de Noordelijke Zadenmarkt, die elk jaar in het voorjaar gehouden wordt.

Er zijn een paar valkuilen bij het bewaren van zaad. Niet ieder plantenras is geschikt om de zaden van te bewaren. De zogenaamde F1-hybride plantenrassen produceren zaden die zorgen voor planten met hele andere eigenschappen dan hun ouders en zijn niet geschikt om zaad uit te winnen. Bewaar ook alleen zaad van mooie rijpe vruchten van gezonde en krachtige planten. Pas op voor kruisbestuiving als je meerdere rassen van een plantensoort vlak bij elkaar teelt en gebruik alleen het zaad van planten en vruchten die de eigenschappen hebben waar je naar op zoek bent.

 

 

 

 

Bramentijd

Wilde bramen in de heg

Bramen zijn overal. Vooral op vergeten plekken. Landjes waar een tijd lang niemand komt. Hoekjes in het park waar de maaiers van de plantsoendienst niet bij kunnen. Een heg in een tuin die mag verrommelen.

Het is nu bramentijd. Ga op pad en pluk. In de winkel zijn ze duurder dan biefstuk en zitten ze in een plastic doosje. Buiten zijn ze, voor wie de moeite wil nemen, zu haben. Graas dan niet als een wolk uitgehongerde sprinkhanen de hele buurt af, maar pluk er een paar handen vol en laat de rest hangen.

Bramen in de tuin

Gecultiveerde bramen tegen het hek

We plukken de meeste bramen in onze tuin. Het begon met wat verwilderde exemplaren in de heg en een paar jaar geleden heb ik een paar gecultiveerde exemplaren geplant. De braam groeit snel en schiet gemakkelijk wortel. De vruchten groeien op tweejarig hout. Dat betekent dat je een jaar of twee na het planten al flink kan plukken. Nieuwe scheuten altijd laten zitten. Die geven volgend jaar de vruchten. De scheuten waar je dit jaar van geplukt hebt in september of oktober afsnoeien. Dat is alles.

De braam is ideaal om mee te beginnen als je net een nieuw tuintje hebt en je wilt meer dan er alleen naar kijken of er in barbecueën. Bij een appel duurt het een paar jaar voor je kan plukken. Een noot duurt eindeloos. Bramen slaan snel aan en geven veel vrucht op een beperkte ruimte. Je kan ze ook prima leiden langs een hek. Gecultiveerde bramen komen vaak zonder stekels. De vruchten zijn groter dan de wilde, maar de smaak is ook wat minder intens.

Bramen zijn familie van de roos. Ze hebben een grappige witte tot roze bloesem. In het voorjaar bloeien ze lang en uitbundig. Het is bovendien een uitstekende drachtplant: bijen en hommels zijn er dol op. Net als kinderen trouwens. Tussen het rennen en ruziemaken door even je mond vol bramen proppen. Heerlijk.

Bramenlikeur

Maar wat te doen met die handen vol geplukte bramen? Simpel. Je zet ze op sterk water: wodka, jenever of iets wat een kennis of de buurman heeft gestookt. Zes tot acht weken laten trekken. Daarna door een zeef halen en eventueel nog ietsje suiker of water er bij. Het resultaat: een likeur, waarin de zomer nog een tijdje nazindert in je glas.

Je kan er natuurlijk ook jam van maken, een taart bakken of ze door de yoghurt doen. Dat kan. Maar gelukkig hoeft dat niet per se.

 

 

 

 

 

Wederzijdse hulp

Pjotr Kropotkin
Pjotr Kropotkin, foto PD – US

En daar is ie dan eindelijk, mijn grote vriend Kropotkin! Pjotr Kropotkin, prins, revolutionair, anarchistisch theoreticus, geograaf en ontdekkingsreiziger. Voorwaar, een tegendraadse man met tegendraadse ideeën. Zijn meest tegendraadse idee is misschien wel het idee van wederzijdse hulp als drijvende kracht in de natuur en in de samenleving.

In de natuur heerst het recht van de sterkste. Survival of the fitest. Daar krijg je evolutie en mooie vinken van. Dit Darwinistische beeld bepaalt nog steeds hoe de meeste mensen naar de natuur kijken. Onzin! zei Kropotkin. Niet de strijd van allen tegen allen, maar wederzijdse hulp is de dominante factor in de natuur. Een fantastisch en radicaal idee over de natuur, dat ook aan de basis staat van Kropotkins ideeën over de menselijke samenleving.

Mycorrhiza: symbiose van schimmel en plantenwortel

Kropotkin had gelijk met zijn wederzijdse hulp in de natuur en misschien wel op een manier die omvattender is dan hij zelf had kunnen bevroeden.  Sinds enige tijd zijn de mycorrhiza schimmels hipper dan hip in de ecologische landbouw. In het kort komt het hier op neer: overal in de natuur gaan allerlei soorten schimmels een symbiotisch samenwerkingsverband aan met plantenwortels. Dit samenwerkingsverband is zo innig dat de schimmel vergroeit met de celstructuur van de plantenwortel. De schimmel krijgt suikers van de plant. De plant ruilt de suiker voor  schaarse minerale voedingsstoffen zoals fosfor en stikstof en soms ook water. De schimmel kan verder groeien dankzij de suikers, de plant groeit beter dankzij de extra stikstof en fosfor. De ondergrondse schimmeldraden kunnen uitgroeien tot gigantische netwerken. Binnen deze netwerken kunnen ze voor de plant onbereikbare mineralen transporteren. Het bereik van het wortelnetwerk van de plant wordt dus enorm versterkt door de samenwerking met de schimmel, die op zijn beurt veel baat heeft bij de suikers die het hiervoor ontvangt.

Een belangrijke voorwaarde voor het ontstaan van mycorrhiza is een onverstoorde bodem. Zodra je gaat spitten wordt het netwerk van schimmeldraden kapot gemaakt.  Een andere voorwaarde voor het ontstaan van mycorrhiza is een bodem met een goed bodemlevenweb en voldoende toegang tot koolstofrijk organisch materiaal: ruwe compost, stro, schors, houtsnippers, etc.

Deze samenwerking op microbiologische schaal is geen exotische eigenschap van een beperkt aantal soorten, maar een algemeen fenomeen in het plantenrijk. Bijna alle plantensoorten vormen dergelijke samenwerkingsverbanden met schimmels.

Sir Albert Howard, een van de grondleggers van de ecologische landbouw, schreef al in de jaren 40 van de vorige eeuw over de centrale rol die mycorrhiza spelen in de vruchtbaarheid van de bodem en in de natuurlijke resistentie tegen plagen die gewassen hebben die deze samenwerking met schimmels aangaan. Een paar maanden geleden las ik zijn klassieker An Agricultural Testament. Sindsdien zijn voor mij een hele hoop losse eindjes bij elkaar gekomen. Ik miste de cruciale link tussen organisch materiaal, bodemleven en bodemvruchtbaarheid: de anarcho-communistische confederatie van schimmels en plantenwortels in de moestuin, die de bron is van overvloed voor allen. Daarom koken we bij ons dus met Kropotkin!

 

 

 

Ik kook dus ik besta…

Ik kook dus is besta. Coques ergo sum. Ik ben een mens, omdat ik heb leren koken. Het is de oertijd. Ik ben een soort kale baviaan van middelbare leeftijd. Mijn hersencapaciteit is amper groter dan dat van mijn geaapte mededieren. Zeg maar net genoeg om rechtop te lopen en mijn handen te gebruiken. Wat is het eerste dat ik dan ga doen? Juist. Ik pak een stok, knuppel iets neer, pak een paar stenen, kets die tegen elkaar aan, strootje en takje  er bij, vonkje, fikkie! Neergeknuppeld dier hopake, erop. Tijdje bakken en vreten maar.

Ik eet een lekker stukje mamoetschenkel, voorverteerd door het vuur, zodat het mij, de protomens, minder moeite kost dat spul te verteren. Hierdoor houd ik in dat evoluerende lichaam van mij energie over. Die energie gebruik ik om na te denken. Om mijn hersens te laten groeien. Ik ga niet alleen vlees bakken, ik ga ook zaadjes roosteren of een soepje trekken van lekkere blaadjes in de uitgeholde schedel van mijn schoonzus. Hoe slimmer ik word, hoe minder energie ik nodig heb voor een lang en energieslurpend darmenstelsel. Hoe slimmer ik word, hoe minder energie ik nodig heb voor grote spieren of om hard te kunnen rennen.

Ik leer niet alleen koken, ik leer ook praten, communiceren, een bontjas maken, een hutje bouwen, potjes bakken, messen boetseren van vuursteen, zaadjes in de grond stoppen, zodat ik weet waar ik volgend jaar die dingetjes die zo lekker waren terug kan vinden. Ik leer een wolf temmen en noem hem net zo lang hond dat hij het zelf gaat geloven. Zo tem ik ook een wilde kat en een boskip en een varken en een koe en een paard en een geit en een schaap en zo voort.

Maar ik leer nog veel meer. Ik leer schrijven en de toekomst voorspellen aan de hand van de stand van de sterren en maan, ik leer stenen bakken en steden bouwen, ik leer de baas spelen en oorlog voeren in georganiseerd verband. Ik leer wetenschap en religie, kunst en theater, schepen bouwen om de oceaan over te steken.

Het allermooist is nog dat ik het buskruit uitvind en een dik vet geweer, zodat ik iedereen kan dwingen om voor mij die zaadjes in de grond te stoppen en ook weer te oogsten en uit die dunne vliesjes te pielen en er meel van te malen, kortom het klotenwerk. Ik vind de verbrandingsmotor uit en de trekker met vierschaarwentelploeg. Ik verzin gif en kunstmest en kettingzagen en plofkippen en bioindustrie en verse knoflook uit een potje en aardappel anders en zoute rommel in een aluminium zakje waar je alleen nog maar kokend water bij hoeft te doen en dan kan je het eten.

En dan ga ik zitten en vreten en zet de tv aan en dan zie ik een baviaan. Ik schat van middelbare leeftijd. Helemaal alleen op een verwoeste vlakte, waar nog maar een boompje over is. Dan had je maar moeten leren koken, denk ik dan. Dan had je er nu niet zo verloren bij gezeten.

Meer weten? Google eens op Richard Wrangham