Koude bak

Koude bak of tomatendroger?

Dit voorjaar redde ik een aantal ramen oud 3mm kwekersglas van de grofvuilcontainer. Kan altijd van pas komen. Het waren flinke ramen; anderhalve meter bij 75 cm.

Een tweede projectje met dit glas is een koude bak.¹ Douglas planken voor de bak, aluminium L-profielen, vier meubelhoekjes, een doosje popnagels, drie scharnieren en één van de ramen voor het deksel. Bij elkaar vijf a zes tientjes bij de bouwmarkt en een middagje klussen.

De tijd zal leren hoe robuust het ontwerp is; 3 mm glas blijft nu eenmaal kwetsbaar en een plak van anderhalve meter over de breedte is misschien iets veel gevraagd. We zullen zien.

De koude bak is in de eerste plaats bedoeld om in het vroege voorjaar zaailingen mee voor te trekken. Tussen half oktober en half maart vangt onze achtertuin, waar de meeste groentebedden en de kas staan, amper zon. Een extra koude bak op een plek met winterzon, tegen de gevel op de zuidwest hoek van ons huis, van leek me geen overbodige luxe.

Koude bak of zonnevoedseldroger?

Tuinieren is minimaal één seizoen vooruit denken. In de loop van augustus is het huidige zaaiseizoen wel zo’n beetje ten einde en beginnen de eerste gedachten over het volgende seizoen vorm te krijgen. Terwijl ik wat zat te mijmeren over hoe ik de winterzon het best zou kunnen benutten gooide de zomer er een hittegolf tegenaan.

Hittegolven zijn maar voor één ding goed en dat zijn zongedroogde tomaten. Al jaren ben ik op zoek naar de ideale opstelling voor de zongedroogde tomaat van 53° 21′ NB, 6° 43′ OL

Nu is een koude bak in wezen precies dezelfde opstelling als de zonnevoedseldroger die ik twee jaar geleden testte. In de post zongedroogde tomaten van juli 2018 deed ik hier eerder verslag van.

Met een kas vol tomaten die goed aan het afrijpen zijn werd het tijd voor een nieuwe ronde zongedroogde tomaten. De eerste resultaten na twee dagen drogen zijn veelbelovend. Uit louter cijferfetisjistische overwegingen heb ik een middag het temperatuurverloop in de koude bak/zonnedroger bijgehouden. De temperatuur lag een middag lang ruim boven de 50ºC met een piek van 67ºC.

De grafiek laat een dip zien rond een uur of 13:00, op het moment dat de schaduw van de torenspits van kerk naast ons voorbij trekt, zoals op de foto ook goed te zien is.

De torenspits trekt voorbij

Het recept voor zelfgemaakte zongedroogde tomaten is niet veranderd; de belangrijkste ingredienten blijven tomaten en veel zon. Een hittegolf met drie à vier superzonnige dagen op rij is het minimum. De gehalveerde tomaten rijk besprenkelen met zout helpt het conserveringsproces. Tussen het drogen door ‘s nachts op een koele plek bewaren.

 

¹Het eerste project met dit glas betrof het oefenen van mijn glassnijdtechniek. Die is nog niet zo goed. Uiteindelijk hield ik een raampje over dat net groot genoeg was voor het inlijsten van een oude foto.

Compostzeef

Technisch detail

Eén van de televisiehoogtepunten van mij jeugd was de Amerikaanse serie The A-team. Deze werd in september 1983 voor het eerst uitgezonden en ging over een viertal ex-soldaten die, opgejaagd door het gezag, te pas en te onpast op commerciële basis onrecht bestreden.

Iedere aflevering verliep volgens een vast stramien. De helden voorzagen zichzelf vlak voor het grote slotgevecht al lassend, slijpend en sleutelend van geïmproviseerd wapentuig, boobytraps en pantservoertuigen. Dankzij deze wonderwapens wist het viertal steevast de schurken te overmeesteren. De bouw- en sleutelscene was het hoogtepunt van iedere aflevering. Iedere week zat ik weer vol spanning te wachten wat er nu weer zou worden omgebouwd. Een enkele keer ontbrak de knutselscene in het script. Dan voelde ik behoorlijk belazerd.

Recycling

The A-team heeft zijn sporen achtergelaten. Ik mag graag wat aanklooien met oude spullen, die toevallig in en om het huis zwerven en ze van een nieuw leven voorzien. Je kan dat re-, up- of downcycling noemen. Ik noem het liever een beetje A-teamen.

Om fatsoenlijk te kunnen A-teamen moet je beschikken over een ruime hoeveelheid herbruikbare zooi. Dingen aanschaffen om mee te improviseren druist in tegen het hele idee van improviseren. Dat kan dus niet. Ieder niet te zwaar ontspuld gezin heeft een overschot aan herbruikbare onnutte zooi en heb je het zelf niet, dan ligt het wel letterlijk voor het oprapen op straat.

Compost trommelzeef

Compostzeef

Enkele blogs terug schreef ik over potgrond en gezeefde compost als alternatief. Nu kan het zeven van de compost best een flinke klus zijn, als je daar een simpele grondzeef voor gebruikt. Met een trommelzeef werkt dat een stuk eenvoudiger. Op youtube kwam ik een hoop ingenieuze machines tegen. Ik besloot een compost-trommelzeef te bouwen op basis van de velgen van twee fietswielen, de aluminium profielen van een oude wasmolen, een stuk overgebleven gaas, vier gerecyclede zwenkwieltjes,  een paar houten regels en wat schroefjes, moertjes en tyrips. Alle materialen voor het prototype zwierven nog in en om het huis.

Het ontwerp is simpel. Ontdoe twee velgen van hun spaken en gebruik deze als basis voor een gaastrommel. Dit is de basis voor de zeef. Dunnere gaas soorten, zoals het 0,5 cm volieregaas dat ik nog had liggen, hebben een vorm van versteviging nodig. Daar kwamen de geperforeerde aluminium profielen van de oude wasmolen goed van pas. Deze hebben als bijkomend voordeel dat ze het materiaal in de trommel extra opschudden en een eindje meenemen.

Zoek vier wieltjes bij elkaar die qua breedte precies in de velg passen. Ik had er twee die precies pasten en twee die ik een paar milimeter smaller moest maken om goed in de velg te vallen. Monteer deze vier wieltjes op een raamwerk van houten regels en wel zo, dat de velgen van de trommel vrij op twee wieltjes rond kunnen draaien. De trommel hoeft niet exact waterpas op deze wieltjes te staan. Een lichte helling in de as van de trommel helpt om grovere stukken draaienderwijs de trommel uit te werken.

Plaats de installatie op een kruiwagen, met aan weerszijden van de trommelopening een opvangbak voor het grovere materiaal. Laad per keer een beperkte hoeveelheid ruwe compost in de trommel. Een paar keer draaien en het gros van het fijne materiaal ligt in de kruiwagen, tegen een fractie van de tijd en de spierkracht die een normale handzeef vraagt.

Benodigd gereedschap: een nijptang, boormachine, boortjes en bitjes, schroevendraaier, sleutelsetje. Niets bijzonders dus. Tijdsinvestering: een halve zondagmiddag voor een ervaren knutselaar.

Natuurlijk valt er nog een hoop aan het ding te verbeteren. De trommel is nog vrij kort. Meer gaas had ik niet voor handen. Dat heeft als voordeel dat de trommel precies boven mijn kruiwagen past. Het nadeel is, dat een deel van het materiaal vrij snel de via de zijkanten van de trommel het proces verlaat. Een iets langere trommel geeft, vermoed ik, een efficiënter zeefproces. Maar alles bij elkaar dik tevreden.

“I love it, when a plan comes together.”

 

 

 

 

Vogels voeren

Opdat zij zich welkom weten

Het blijven vreemde tijden en in vreemde tijden kan je maar beter bezig blijven. De ijzige wind van de afgelopen dagen maakten het nu niet direct uitnodigend  om flink in de tuin te werken. Dan maar iets knutselen met de kinderen. Na het egelhotel van vorige week moest er een nieuw nestkastje voor de mezen komen en daarna een voerbakje voor de vogels, opdat onze gevleugelde vrienden zich in onze tuin welkom zouden weten.

Dat voerbakje werd een bouwsel van een stukje vogelgaas, twee lege conservenblikjes, oud ijzerdraad, een jampotdeksel, een vers gesneden stokje en een halve zak doppinda’s.  Qua gereedschap volstaan een draadtang, een blikopener, een priem en een metaalboortje.

Maak de blikjes schoon en haal met de blikopener de bodem uit een van de blikjes. Knip een stuk gaas af dat ruim om de omtrek van het blikje past en een centimeter of 25 hoog is. Knip het gaas zo af dat je aan de rand een uitstekend stukje draad overhoudt. Buig het gaas in een koker om de blikjes heen. Zet de naad in de gaaskoker vast door de uitstekende draadstukjes door de overlappende mazen te steken en terug te vouwen.

Weef een stukje ijzerdraad door de bovenzijde van de gazen koker en gebruik dit om de gaaskoker aan het blikje zonder bodem vast te maken. Zet het blikje hierbij op zijn kop in de gaaskoker. De bovenrand van een blikje is wat dikker en dan blijft het geheel wat makkelijker vast zitten. Een tie-ripje zou ook kunnen, maar in het kader van minder plastic zou ik voor een stuk oud, liefst roestig, ijzerdraad gaan.

Boor vlak boven de bodem twee gaten voor het stokje in het blikje dat nog een bodem heeft en klem de gaaskoker op dezelfde manier met een stuk ijzerdraad aan dit blikje vast. Ook deze gaat op zijn kop, dus met de bodem naar boven. Steek een vers geschild stokje door de twee gaten. Waag het niet om voor die stokje naar de bouwmarkt te tuffen.

Boor twee kleine gaatjes in het eerste blikje en zoek een jampotdeksel dat precies op het blikje past. Boor hierin ook twee kleine gaatjes. Haal een stuk ijzerdraad door de gaatjes in het bovenste blik en het deksel. Vul de koker met doppinda’s, zoals men die vroeger bij de Spar in Loppersum kon vinden.

En klaar is uw vogelvoerbakje.

Tip: laat de etiketten op de blikjes zitten. Dan weten uw buren wat u zoals aan conserven in huis heeft gehamsterd en hebben de vogels wat minder last van de weerkaatsing van de zon op het blik. Na verloop van tijd zullen de etiketten vanzelf vergaan en zal het blik gaan roesten. Maak dan niet meteen een nieuwe. Het duurt jaren voordat de blikjes volledig zijn weggeroest. 

 

 

 

 

Kas in de wind

e

We hebben de storm weer overleefd. Sinds de kas in de tuin staat, wordt ik wat nerveus van alles boven windkracht zeven. Stormen weten namelijk haarfijn de vinger achter ontwerpfouten, achterstallig onderhoud en achteloos rondslingerende voorwerpen te krijgen.

De storm van afgelopen weekend was nummer acht sinds de bouw van de kas in de zomers van 2013. Het was mijn eerste wat grotere bouwproject. Ik heb lang over het ontwerp nagedacht. De afmetingen en locatie stonden vast: een hoek van drie bij zeven meter schuin achter de schuur, waar de vorige eigenaren van ons huis alvast de  fundamenten voor een nooit voltooid project hadden gestort. Om vergunningsvrij te bouwen ligt de nokhoogte beneden de drie meter.

Met die afmetingen in mijn hoofd zocht ik naar een mooi en functioneel ontwerp. Het werd een dubbele gebroken kap, een variant op wat in bouwtermen wel een mansardedak wordt genoemd. Waarom er per se een dubbele knik in moest weet ik niet meer. Het zal wel voor de mooi geweest zijn in combinatie met de architectuur van onze woning. Achteraf kwam ik nog iets tegen over ideale hellingshoeken van het glas ten opzichte van de zon. Twee rechte wandjes en een zadeldak was een stuk praktische geweest, maar het oog wil ook wat.

De bouw van de kas in 2013

Met die dubbele knik leek het me geen goed idee de stijlen het hele gewicht van de kas te laten dragen. De stijlen zijn daarom over een houten geraamte gelegd, dat het gewicht verdeeld en de windbelasting opvangt. Dit geraamte is opgebouwd uit verlijmde panlatten, die op de hoekverbindingen precies in elkaar grijpen. Om de windbelasting op de kopse kant op te vangen heb ik enkele schoren van staaldraad aangebracht.

De hardhouten stijlen en het glas wist ik bij een kweker in de buurt voor een schappelijke prijs op de kop te tikken. De belangrijkste tip die ik van hem meekreeg: zorg dat het glas los in de sponningen zit. Er zit altijd wel iets beweging in zo’n kas en als het glas niet mee kan bewegen gaat het barsten.

Andere wijsheid: zorg dat bij harde wind een raam op een kier staat, zodat je bij een stevige windvlaag een niet te groot verschil in luchtdruk tussen buiten en binnen de kas krijgt. Derde tip: zorg voor voldoende luchtramen, zodat je een overschot aan warme in de zomer kwijt kan. Die tip heb ik iets te grondig ter harte genomen. De acht luchtramen uit mijn oorspronkelijk ontwerp zijn er zeker vier te veel. Bovendien bleken juist die luchtramen een slecht doordacht onderdeel van mijn ontwerp.

Begin oktober 2013 had ik ze eindelijk alle acht er in en was de kas klaar. De zware storm van 28 oktober 2013 blies ze er net zo hard weer uit. En sindsdien blijft het klooien met die luchtramen. Elke storm sneuvelt er wel wat en elk voorjaar repareer ik de boel weer. Soms provisorisch, soms wat grondiger, maar uiteindelijk blijft het geklooi. Een paar weken geleden heb ik nog drie luchtramen vervangen door vaste ruiten. Deze hebben de afgelopen storm glansrijk doorstaan, net als de rest van de kas.

Het basisontwerp is robuust en flexbel genoeg. Tijdens menig windvlaag zag ik mijn mansardekap meegolven met de wind. Niet gek voor een eerste bouwproject, dat hoofdzakelijk uit hergebruikte materialen is opgetrokken. Wat ook helpt is dat we redelijk in de luwte staan voor alles wat uit het zuidwesten komt. Bij een noordwester krijgen we echter de volle lading.

Bij de bouw hield ik rekening met een levenduur van minimaal tien jaar. Nu hoop ik dat ik de kas in zijn huidige staat nog twee jaar vooruit kan. Het hout van de stijlen gaan sneller achteruit dan ik had gehoopt. In de winter vangt de kas veel schaduw en krijgt het hout amper de kans te drogen. Het panlatten geraamte aan de binnenkant houdt zich aardig. Behalve waar het veel gelekt heeft en dat is precies op de plek van al die ellendige luchtramen.

 

Perenhout

Rover en de trapleuning

De zolder is bijna af. Toen we ons huis kochten was het een kale vliering, die alleen met behulp van een keukentrap en enkele halsbrekende toeren te bereiken was. Tussen de bedrijven door kwamen er een vliezotrap en een vloer. De doorbraak kwam met een vaste trap, het isoleren van de kap, een beetje elektra en een nieuw dakraam.

Afgelopen weekend was het tijd voor een trapleuning. Voor de balustrade rond het trapgat had ik al wat zitten klooien met eik, hazelaar en es uit de tuin. De trapleuning werd van peer. Een van onze twee perenbomen was zo vriendelijk daarvoor een tak te doneren. Januari is een prima maand voor zo’n flinke amputatie. De sapstroom ligt dan stil.

Ik hou van perenhout. Het heeft een mooie, egale rozegele kleur met weinig tekening. Het heeft niet de flexibiliteit van es of hazelaar en ook niet de hardheid van eik. Het is wat het is: perenhout.

Ik heb de tak vers van de boom verwerkt. Bast eraf, noesten van de vele zijtakken er af. Beetje schuren. Dat is natuurlijk vragen om moeilijkheden. Hout werkt. Altijd. Het neemt vocht op en geeft vocht af, afhankelijk van de luchtvochtigheidsgraad van de omgeving. Vers hout zit nog vol vocht. Naarmate het hout droogt, krimpt het. Deze krimp zit niet zozeer in de lengte van het hout, maar vooral in de diameter. Als hout te snel droogt kan het gaan scheuren. Bij het drogen van groen hout moeten we daarom eerder in jaren dan in weken of maanden denken en dan het liefst onder een afdak in de buitenlucht.

Nu ben ik best een geduldig man, maar niet altijd. Die trapleuning moest er zaterdag in en ik was vergeten twee jaar vooruit te denken. Of de trapleuning er zonder scheuren van af gaat komen moet nog blijken. De zolder is niet verwarmd en heeft een gelijkmatig klimaat. Misschien dat ik er mee weg kom.

Beugels van koperpijp

De bevestigingsbeugels heb ik gemaakt van een paar stukjes gerecyclede koperen waterleidingpijp, die her en der in de schuur rondzwerven. Ze zijn simpel te maken: stukje koperbuis, bochtje erin met een pijpenbuiger, uiteinden plat drukken met de bankschroef en/of een hamer, paar gaatjes boren. Een perfectionist zou tevens een verzinkboortje gebruiken om de schroefkoppen weg te laten vallen. Zelf ben ik meer van de grote lijnen.

Het plan was de leuning uit een stuk te maken. De krommingen van de tak, die op het oog beperkt genoeg waren om sierlijk te zijn en binnen één vlak leken te liggen, bleken binnen de realiteit van het trapgat meer vrijgevochten dan goed is voor een leuning, wier leven zich toch voornamelijk binnen twee dimensies dient af te spelen. Eén kromming heb ik er uit gezaagd. Toch jammer, maar voor de grote lijn geen probleem.

 

Kalkverf

Kalk, zilverzand en water: een basis voor kalkverf

Een zelfgekleide muur met leemstuc op basis van ingrediënten uit de achtertuin is natuurlijk prachtig, maar is eigenlijk niet compleet zonder een afwerking met kalkverf.

Kalkverf is verf op basis van kalk en kalk is een bouwmateriaal dat je overal in de natuur tegenkomt. Als de natuur iets bouwt, dan doet ze dat bij voorkeur uit kalk als je een dier bent (botten en schelpen) of cellulose (hout) als je een plant bent. Voor de groene mens is kalk dus een heel voor de hand liggend bouwmateriaal.

Kalk als basis voor verf heeft een aantal grote voordelen. Kalkverf blijft ademen en sluit wanden dus niet volledig af voor vocht. Vocht uit de lucht kan daardoor opgenomen worden in de wand en verdampen. Door deze eigenschap vormt het de perfecte combinatie met leemstuc, want ook leem is een natuurlijk materiaal dat blijft ademen.

Prijs ecologische bouwmaterialen

Zoals dat met veel ecologische bouwmaterialen gaat zijn ze kneiterduur als je ze in de winkel koopt. Voor sommige zaken vind ik dat logisch. Ik kan me heel goed voorstellen dat het productieproces van isolatiemateriaal op basis van schapenwol voor een ander prijskaartje zorgt dan een pakje glas- of steenwol.

Bij andere materialen heb ik daar meer moeite mee. Een zak gips kost in de bouwmarkt een euro of zeven. Voor een zak basisleem mag je daar een tientje bij op knallen en met een zakje ben je er nog niet. Terwijl de basisingredienten: zand, klei en stro, niet direct de duurste zijn. Kalkverf is te koop in de winkel, maar ook hier voor een fikse prijs. Ruim zeventig euro voor een blikje van twee liter is geen uitzondering.

Maakt dit ecologisch bouwen een dure en elitaire hobby, die uitsluitend is weggelegd voor linkse mensen  met een onzinbaan in de gesubsidieerde sector? Natuurlijk niet. Een beetje avonturier maakt het gewoon zelf en ook voor kalkverf is dit prima te doen.

Recept doe-het-zelf kalkverf

De leemstuc wand op zolder hebben we afgewerkt met een huisgemaakte kalkverf op basis van zilverzand en kalk. Een zakje kalk van twee en een half kilo kost een euro of drie en een zak zilverzand kost je hooguit het vorstelijke bedrag van twee euro. Een beetje kraanwater doet de rest. C’est tout. Zo simpel is het. Superecologische kalkverf kopen voor zestig euro de liter? Niet doen! Voor een luttele euro de liter maak je het lekker zelf en dan houd je een hoop geld over voor andere (duurzame) keuzes.

Maar hoe gaat dat dan, die verf maken? Wat zijn de verhoudingen? Wat je wil. Ik ben nog een beetje zoekende, maar ik heb gemerkt dat een mengsel van ongeveer twee delen zilverzand op drie à vier delen kalk een mooie verf geeft, die niet meer helemaal spierwit is en die de oneffenheden in het leemstuc mooi wegwerkt. Meng de kalk en het zand met zoveel water aan, dat je de consistentie van yoghurt krijgt. Aanbrengen gaat het beste met een dikke blokkwast.

Ik heb de kalkverf aangebracht op leemstuc en op niet afgewerkt cementstuc. Dat is het soort poreuze ondergrond waar kalkverf direct op toepasbaar is, zonder met een vorm van voorstrijk te werken. Bij een andere, minder poreuze ondergrond kan een vorm van voorstrijk nodig zijn. Als je zelf met kalkverf in de weer wilt is het verstandig je een beetje in de materie te verdiepen. Een wand die je eenmaal in de kalkverf hebt gezet laat zich niet meer zo makkelijk overschilderen met een andere verfsoort.

Kalkverf droogt niet geheel egaal op. Dat geeft een mooi speels effect. De kleur is nog wel wat witjes. Dat moet nog wel iets avontuurlijker kunnen. Daarvoor kan ik wat natuurlijke pigmenten gaan bestellen, maar het is veel leuker om ook daar het een en ander zelf uit te vogelen. Roze op basis van bietjes gaat hem in ieder geval niet worden. 

Dit is een vervolg op de aflevering Leemstuc.

Leemstuc

De basis van doe-het-zelf leemstuc: klei, zand, gehakte stro en zaagsel

We wonen in Noordoost Groningen, boven op een van de grootste aardgasvelden ter wereld. Uit dit gasveld is sinds de jaren 60 van de vorige eeuw voor een slordige 300 miljard euro aan aardgas gewonnen. Dankzij deze aardgasbaten ligt het asfalt er in Nederland piekfijn bij en hebben we een gloednieuwe hogesnelheidslijn, die de randstad met de rest van Europa verbindt.

Gasbevingen

Als gevolg van deze gaswinning hebben we in Groningen te maken met aardbevingen. Over het algemeen probeer ik dit onderwerp in dit blog te mijden. Het gaat in ons gezin al vaak genoeg over de bevingsproblematiek. De dinsdagochtend besteed ik liever aan zinvoller zaken. Deze week maak ik een uitzondering.

De meeste van deze bevingen zijn relatief bescheiden, maar er zitten regelmatig flinke knallen tussen. Wat zo’n beving met ons gezin doet heb ik eerder beschreven in de aflevering Wakker worden!

Deze bevingen veroorzaken schade. Deze varieert van kleine scheuren in stuc- en metselwerk tot woningen, die zoveel schade hebben opgelopen, dat het niet meer veilig is om er in te wonen.

Deze ellende is nu zo’n tien jaar bezig. Dat is best een lange tijd. Lang genoeg om als democratische samenleving een manier te verzinnen om de schade te vergoeden en de huizen op zo’n manier te versterken dat je er in ieder geval levend uit komt bij een grote beving.

Boefjes

Niets is minder waar. Het afgelopen jaar ben ik gemiddeld een halve dag in de week bezig geweest met het overtuigen van overheidsinstanties dat de schade aan onze woning niet door thermische fluctuaties in bouwmaterialen is veroorzaakt, maar door de economische activiteiten van Shell en ExxonMobile en dat ik een computermodel afkomstig uit de keuken van deze twee criminele organisaties geen goed uitgangspunt vind voor een overheidsbesluit over de vraag of onze woning uit veiligheidsoverwegingen al dan niet versterkt moet worden.

In januari 2018 kreeg Zeerijp, een dorpje hier drie kilometer verderop, een enorme klap te verwerken. De schade aan onze woning, die door die klap is veroorzaakt, is afgelopen week voor een deel vergoed. Dit proces heeft ruim 666 dagen, één schadeopname, drie schaderapporten, twee zienswijzen, een klachtenprocedure inclusief hoorzitting, een kwart dozijn juristen, vijf echtelijke ruzies, twintig scheldkannonades, twee huilende kinderen, tientallen tweets, telefoongesprekken en e-mails, een kranteninterview en een boekpresentatie inclusief minister (Ik wacht) geduurd.

Ongeveer tweederde van de schade is nu vergoed. Om de rest vergoed te krijgen, moeten we bezwaar aantekenen tegen het overheidsbesluit, dat onze schadevergoeding regelt. En dan begint het circus weer van voren af aan.

Leemstuc: de oplossing?

Tussen de bedrijven door ben ik begonnen de schade te herstellen. Op zolder hadden we een paar flinke scheuren. Afgelopen voorjaar ben ik begonnen met het isoleren en aftimmeren van de zolder. Vorige week was het gescheurde pleisterwerk aan de beurt.

Het leek me een goed moment om mijn experimenten met leem op basis van Groninger klei voort te zetten. Na een middagje klieren met klei, zand, zaagsel en stro zit één wand er in.

Vers wandje leemstuc

Er zijn grote voordelen van leemstuc boven stucwerk op basis van gips. Ik kan op de Groninger klei leemstuc maken op basis van ingredienten uit mijn achtertuin, terwijl ik voor een zak gip naar de bouwmarkt moet. Leemstuc ademt en reguleert op een natuurlijke manier de luchtvochtigheid in een ruimte en draagt zo bij aan een gezond binnenklimaat. Vooral voor mensen met luchtwegaandoeningen schijnt het ideaal te zijn.

Het grootste nadeel van leemstuc is meteen ook een groot voordeel als je in Groningen woont. Leem is niet waterbestendig. Als het is uitgehard en je maakt het weer vochtig, dan wordt het weer zacht. Scheuren zijn op die manier in theorie eenvoudig te repareren. Veelbelovend materiaal dus voor Groningse omstandigheden. Of het in de praktijk ook zo werkt, gaan we de komende tijd testen.

Het recept voor leemstuc is simpel. Meng in een speciekuip één deel klei op twee à drie delen zand en genoeg water om de consistentie te krijgen die net wat natter is dan metselspecie. Voeg per 5 liter leem een paar flinke handen zaagsel en vers gehakt stro toe. Het idee achter het zaagsel en de stro is dat het krimpscheurtjes tijdens het drogen helpt voorkomen. Meng het geheel nog even flink tot je de consistente massa hebt.

Een leuke eigenschap van leemstuc is dat het makkelijker te verwerken is dan gipsstuc. Gips is na drie kwartier tot een uur hard. Daarmee moet je dus snel en secuur doorwerken. Leem blijft veel langer flexibel en is dus veel vergevingsgezinder voor tussentijds geklooi, geklets en kopjes koffie.

De wand zit er nu een week in en begint voorzichtig aan harder te worden. Het hele proces van uitharden gaat een week of vier duren. Ondertussen denk ik na over de afwerking. Laten we het zo of gooien we er nog een experimentje met huisgebrouwen kalkverf tegenaan?

Wordt vervolgd.

 

 

 

 

 

 

Panne

Grilpan met eiken steel
Mijn favoriete grilpan; nu met houten steel

Afgelopen zaterdag donderde mijn favoriete grilpan van het aanrecht op de vloer. Ons aanrecht kan nogal chaotisch worden als ik kook en dan zit een ongeluk in een klein hoekje. Door de val brak de steel van de pan. Balen, want met deze pan heb ik geweldige avonturen beleefd. Een paar zijn hier voorbij gekomen, zoals die keer dat we haan in whisky gingen flamberen.

Bij nadere inspectie bleek de schade mee te vallen. Een gebroken steel is te vervangen. De originele kunststof steel zat met één boutje aan de gietijzeren pan geschroefd. Demonteren bleek een kwestie van seconden. Een nieuwe steel was zo gevonden. We gingen voor een stuk Amerikaans eiken, uit een tak die nog ergens in de tuin rond zwierf. Op maat zagen, bast eraf, beetje schaven, beetje schuren, niets ingewikkelds, half uurtje werk.

Vervolgens kwam de moeder aller problemen om de hoek kijken: hoe maak ik het vast? Het gietijzer van de pan bood een aanwijzing. Hierop zat een soort van bus, waaraan het oorspronkelijke handvat met een bout zat vastgeschroefd. In deze bus, M4 of M6 uit mijn hoofd, kon ik een nieuwe, langere bout draaien, waar ik de kop van af had gezaagd. Daarmee kreeg de bus een pen van een centimeter of 5, die ik klemvast in het nieuwe handvat kon tikken. De bout vond ik na enig zoeken in een van mijn vele blikjes met oude schroeven, spijkers, moertjes, sleutels, dingetjes en rotzooitjes, die ik in de schuur bewaar, omdat ze altijd nog van pas kunnen komen, want je weet maar nooit.

Het meest tricky deel was nog de steel in de nieuwe pen tikken. Het moet klemvast, dus dat vraagt enige kracht. Gietijzer is bros, dus dat vraagt enige terughoudendheid. Uiteindelijk schoof de zaak mooi in elkaar en zat de nieuwe steel muurvast aan de pan. Een lik olie over het houtwerk deed de rest.

De nieuwe steel is wat langer dan het origineel, ligt lekker in de hand en grilt weer als een wilde. Ik vind het een mooier ding geworden. Zo’n plastic handvat blijft toch een stuk plastic, hoe je het ook vorm geeft of bekijkt en plastic is geen eik.

Het leuke is, de truck met de nieuwe steel laat zich ook toepassen op kapotte kaasschaven, stamppotstampers, broodmessen en wat dies meer zij. In onze keuken is het inmiddels item nr. 3 met een nieuwe steel. Hoe meer je klooit, hoe handiger je wordt in dit soort huis-tuin-en-keuken reparaties. Ben je zelf nou niet zo handig (of gewoon te lui) en wil je toch je kapotte pan repareren in plaats van hem weg te mikken, kijk dan eens of je een buurman, buurvrouw of repair café kan vinden om de klus voor je te klaren.

 

 

 

Regentuin

Schematische weergave van de regentuin
Schematische weergave van de regentuin

Zoals beloofd meer over de regentuin. Het idee speelde al langer door mijn hoofd, maar de droogte van de afgelopen zomer gaf de doorslag. Er moest in de tuin maar iets meer met het regenwater gebeuren, dat tot nu toe via de dakgoot in het riool belandde. Aan de zuidzijde van ons huis heb ik de regenpijp een paar jaar geleden afgekoppeld en een regenton geïnstalleerd. Nu moet de noordzijde er aan geloven.

Wat is een regentuin?

Een regentuin is een tuin die regenwater verzamelt en langzaam in de bodem weg laat zakken. Een regentuin maak je door een deel van de tuin te verlagen en het regenwater hier heen te leiden, waarna het langzaam in de bodem zakt. Dat regenwater kan van het dak komen, van het schuurtje of van het overschot aan betontegels, waarmee de gemiddelde Nederlander zijn tuin pleegt vol te storten. Het idee van een regentuin is dat je het relatief schone regenwater tijdelijk vasthoudt in plaats van het af te voeren naar het riool. Daarmee wordt het riool op piekmomenten ontlast en het voorkomt dat het regenwater, vermengd met het vuile rioolwater, een extra belasting vormt voor de rioolwaterzuivering.

Opletten!

Wel even nadenken voor je de regenpijp doorzaagt en de tuin in leidt.  Waar moet het water heen? Kan het daar komen? Hoeveel water moet ik kwijt kunnen? Hoe snel het water weer weg? Het antwoord op de eerste vraag was me vrij snel duidelijk. In het voorjaar heb ik aardig wat lopen spitten om de trampoline in de voortuin in te graven. De poten gingen twee steek diep de grond in en deze sleuven heb ik dichtgegooid met zand. Recht onder de trampoline heb ik de grond een steek diep afgegraven om wat meer stuiterruimte te creëren. Dat geeft toch een halve kuub ruimte om een stortbuitje te bergen. Het grootste deel van de regentuin had ik dus al aangelegd voor ik er erg in had. Ik hoefde alleen de regenpijp af te koppelen en het water via een ondiepe geul naar de stuiterplek te leiden.

Watti?

Zo’n ondiepe geul om tijdelijk regenwater te bergen wordt in waterland ook wel wadi genoemd. Een steek breed en een steek diep langs een border leek me voorlopig voldoende. De geul van de border naar de trampoline heb ik wat breder en minder diep gemaakt. Dit om een enkel brekende loopgraaf in de voortuin te voorkomen.  Deze wadi moet ook nog een kwart kuub kunnen bergen. In totaal heeft de regentuin nu een bergingscapaciteit van 750 liter. Dat lijkt best veel, maar is het genoeg?

Rekenen…

De hoeveelheid water die je moet kunnen bergen heeft natuurlijk alles te maken met het oppervlak die je er op aansluit en de hoeveelheid regen die we mogen verwachten. In ons geval sluiten we circa 30 vierkante meter dak op de regentuin aan. Een beetje wolkbreuk doet 25 mm of meer uur en komt gemiddeld eens per 10 jaar op een willekeurige plek in Nederland voor, zo meldt het KNMI. Dat betekent dat bij een wolkbreuk de tuin per vierkante meter minimaal 25 liter water ontvangt. Van 30 vierkante meter komt dan 30 x 25 = 750 liter. Past precies. Toch kan het geen kwaad met nog wat extra neerslag rekening te houden. Veel hangt dan af van de snelheid waarmee de bodem dit water op kan nemen. Dit kan je testen door een gat van een bij een steek diep te graven, hier een flinke tuingieter in leeg te laten lopen en na een uur te kijken of er nog water staat. Is dat het geval, dan moeten we aan de bak om het water makkelijker in de bodem te laten infiltreren.

Infiltreren

Als je een beetje op deze materie zoekt op internet, dan kom je al snel uit op ingewikkelde termen als infiltratiekoffers, hydroblobs en buffersystemen. Dure woorden met ongetwijfeld een dito prijskaartje in de aanschaf. En waar er dure systemen zijn, is er natuurlijk subsidie. Dat is natuurlijk prachtig voor de welwillende burger, maar het laat meteen de beperking van de eendimensionale ingenieursbril zien, waarmee dit soort problemen doorgaans benaderd wordt. De bodem is een blok dode materie die met plastic, grind en beton geïnfiltreerd moet worden. Iets anders is er niet. Of wel?

Regenwormen

Waar is de regenworm in dit verhaal? De natuur heeft een heel leger van deze bodemkundig ingenieurs en grondwerkers die we kosteloos aan het werk kunnen zetten om het vermogen van de bodem om water op te nemen voor ons te verbeteren. Geheel gratis graaft een regenworm prachtige beluchtings- en drainagegangetjes. Per vierkant meter kunnen er meer dan 500 van die knakkers voor ons aan het werk zijn. Deze gratis arbeid leveren ze echter niet voor niets. Regenwormen houden van organisch materiaal. Dode bladeren bijvoorbeeld die door de wind in de verse geultjes van de regentuin belanden of zich ophopen onder de trampoline. Mooi laten liggen, dan wordt het vanzelf een fantastische ecobiohydroblob. Zonder subsidie.


Kleien

Grunneger klaai

Eigenlijk zou iedereen eens een grondboor in zijn tuin moeten zetten om te kijken op wat voor bodem hij of zij leeft. Als je in een flatje woont gaat dat natuurlijk moeilijk. Daarom kan je beter niet in een flatje wonen als je wat avontuurlijk bent aangelegd. Wij wonen op klei. De meest stugge, vette Groninger klei die je maar kan vinden.

Klei is een bijzonder materiaal. Het bestaat uit microscopische kleine plaatjes die water en mineralen beter vasthouden dan bijvoorbeeld zand. Van nature is het daardoor een vruchtbare bodem, maar wel een die moeilijk te bewerken is. Keihard en vol krimpscheuren als het uitdroogt in de zon en een kleverige gladde massa als het nat is.

Klei +zand = leem

Klei nodigt uit om er mee te klooien. Vermengd met zand en stro geeft het een leemachtige bouwmatriaal dat sterk genoeg is om er dragende muren van te bouwen. Bekender is de combinatie van leem met vlechtwerk in een vakwerkconstructie. In Twente en Limburg was dit vroeger een gangbare manier om huizen te bouwen. In Groningen bakten ze liever kloostermoppen van hun klei. Nu zijn bakstenen ideaal om mee te bouwen, maar ze hebben een groot nadeel. De productie van bakstenen en cement kost veel energie en levert een grote bijdrage aan de uitstoot van koolstofdioxide.

Leem hoef je niet te bakken. Je maakt het makkelijk zelf door zand of zanderige grond te mengen met klei.  Dit zijn grondstoffen die bijna overal makkelijk lokaal te vinden zijn. De extreem vette klei die hier amper dertig centimeter onder de grond ligt leek me ideaal om eens mee te experimenteren.

Enige speurwerk op internet leerde me dat er geen vaste regels zijn voor de verhouding klei, zand en stro. Het is een kwestie van experimenteren en je uitgangsmateriaal leren kennen. Een minimum van 20% klei in het mengel lijkt wel een basisregel. Het zand zorgt voor de sterkte van  het materiaal. De kleideeltjes zijn veel kleiner dan de zandkorrels en lijmen deze als het ware aan elkaar. Door er stro of andere vezels aan toe voegen maak je het extra sterk en voorkom je dat het te veel gaat scheuren bij het drogen. Traditioneel wordt er paarden-, koeien- of varkensmest aan het mengsel toegevoegd. Vanwege de vezels die hier in zitten en om het meer water afstotend te maken. Ook wordt wel kalkmortel, bloem of bloedmeel om dezelfde redenen toegevoegd.

Naast de klei uit de tuin heb ik brekerzand gebruikt. Dit is wat grover en hoekiger van structuur dan metsel of ophoogzand en dat schijnt de sterkte ook weer ten goede te komen. Als vezel heb ik gehakte stro gebruikt.

Poten in de klei

Leem mengen gaat het makkelijkst met de blote voeten op een stuk zeil. De kunst is eerst de klei en het zand goed te mengen en dat gaat weer het beste als de klei even heeft liggen weken in een emmer water. Je stampt de klei en zand plat met je voeten en deze pannenkoek rol je steeds weer om door de rand van het zeil een eindje omhoog te trekken. Als je een mooi egaal mengel hebt dan kan je de stro er door heen trappen.

Je brengt de leem aan op het vlechtwerk door er een bal ter grote van een flinke sneeuwbal van te kneden en de deze met de hand tegen het vlechtwerk te smeren. Met de onderkant van een metseltroffel strijk je het lemen stucwerk vervolgens glad. Verder afwerken kan met een roestvrijstalen spaan.

Al met al een intensief werkje. De workout krijg je er dus gratis bij. Hoe het materiaal opdroogt en hoe weerbestendig het is moet nog blijken. Wordt vervolgd dus…

leem en vlechtwerk
Leem en vlechtwerk