Dag spin

Na een koud voorjaar, een koele en natte zomer en een zachte herfst komt het einde van het eerste seizoen op de nieuwe tuin in zicht. Het was hard werken en dan schiet het blog er al snel bij in. Nu is hard werken een relatief begrip. Als ik het arbeidsvermogen van de mens omreken in paardekrachten dan kom ik in mijn sommen niet verder dan een schamele 0,5 PK aan arbeidsvermogen in mijn logge lichaam. Dat is niet veel, maar met een paar van die halve paardekrachten hebben we toch een hoop voor elkaar gekregen.

Ik had me voorgenomen om dit eerste jaar zo weinig mogelijk gebruik te maken van allerhande externe inputs. Dus geen grote machines, geen vrachtladingen compost, mest of houtsnippers van elders, geen lange lappen gronddoek of folie.  Dat leek me, met een aantal ontwerpprincipes uit de permacultuur in het achterhoofd, het meest zinvolle uitgangspunt voor dit eerste jaar. Ik pas een vrij losse vorm van permacultuur toe. Sommige van onze keuzes zijn principieel gedreven en andere zijn  meer het resultaat van de onvermijdelijke compromissen van elke dag.  Aan de hand van de 12 principes van David Holmgren, een van de grondleggers van de permacultuur, neem ik jullie mee door de ervaringen van het afgelopen jaar.

Observeer en neem deel aan de natuur

Als het waait, dan waait het hard. Dat was mijn eerste observatie in januari. Op het land  is vrijwel geen beschutting voor de wind die vanuit het zuidwesten ongestoord over kilometers leeg grasland aan komt denderen. Overal zit leven. Dat was de tweede. Fazanten, zwaluwen, in de weilanden om mij heen een paar kieviten. Een paar mollenfamilies onder mijn voeten. Veel veld- en spitsmuisjes die bij het zeisen voor mijn voeten wegschieten. Af en toe bezoek van een paar hazen. Veel kikkers. Verschillende vlinders en hommels. Een paar libellen. Gras, vooral grote vossenstaart en kweek, speenkruid en kruipende boterbloem, veel brandnetel, een paar stukken met distel, her en der wat fluitekruid en om het hele land een dikke rietkraag, die op sommige plekken een meter of twee het weiland in groeit. Aan de westkant ligt een strook die een kleine halve meter hoger ligt dan de rest en langzaam afloopt naar de sloot. Verder een paar lage stukken, ongetwijfeld bedoeld als afwatering.  In een natte periode staat hier soms wat water. Verder geen poelen of plassen. Op een aantal plekken zitten dikke pakketten schimmel tussen de graspollen die na een week regenachtig weer paddestoelen geven. Ik vermoed dat het weidechampignons zijn, maar ik heb ze nog niet geproefd. In augustus zag ik nog een tijgerspin. Een nieuwkomer met een prachtig gestreept lijf, die door de opwarming van het klimaat steeds noordelijker te zien is.

Tijgerspin aan de rand van de wei

Vang en bewaar energie

Alle planten vangen energie en slaan dit op als kool-waterstof verbindingen zoals suikers en cellulose. De stekken van de wilgen die we uitgezet hebben zijn goed aangeslagen. Deze zullen we de komende tijd uitplanten naar hun definitieve plek. De hoeveelheid gras die van het land komt heeft me verbaasd. Ongeveer de helft hebben we gebruikt voor de diepe mulch bedden van het afgelopen seizoen. Een klein deel hebben we opgeslagen als hooi voor komende winter. Een deel ligt nog in hopen op het land de winter af te wachten. Dit wordt de belangrijkste mulchlaag voor de aardappelbedden van volgend jaar.

Gevangen zonlicht: groenlof, radicchio, palm- en bladkool

Zorg voor een opbrengst

De afgelopen jaren hield ik de opbrengst van de moestuin om het huis nauwlettend in de gaten. Ruim 350 kilo vers voedsel produceerde onze bescheiden moestuin ieder seizoen,  variërend van groenten, fruit, verse kruiden en aardappelen tot eieren, honing, paddestoelen en eetbare bloemen.  Dit jaar heb ik geen opbrengsten geturfd. Het leek me niet zinvol om sterk te focussen op opbrengst in zo’n eerste seizoen. Vierentwintig groentebedden van 10 bij 1 meter,  twee keer met de zeis het hele perceel over en minimaal twee kuub compost van eigen productie… en een keet. Dat waren ongeveer de  beoogde mijlpalen voor dit jaar.  Toch is het heerlijk om in de tweede helft van het seizoen zoveel te kunnen oogsten en dat met anderen te kunnen delen.

Aardbeien in overvloed

Pas zelfregulering toe en accepteer feedback

Een moestuin die zichzelf regelt; dat zou mooi zijn. De afgelopen jaren heb ik geleerd dat veel dingen in de tuin zichzelf prima kunnen regelen als het in de basis goed zit. Het begint bij het klimaat en de bodem. Veel gedonder ontstaat, omdat we van alles willen wat niet bij ons (micro)klimaat past. Tomaten in de volle grond. Ik kan het niet laten. Te vroeg in het seizoen wonderen verwachten van de eerste warme dagen. Blijft voor mij een valkuil. Elk seizoen mislukt er van alles op magistrale wijze. Ik probeer deze aanwijzingen van de natuur op te vatten als positieve feedback.

Beste tuinder, omdat u te vroeg in het seizoen 10 meter voorgetrokken koolplanten hebt uitgeplant op een winderig groentebed, dat nog maar twee maanden in plaats van de benodigde 2 jaar de tijd heeft gehad om de juiste combinatie van structuur, bodemleven en organisch stofgehalte te bereiken, hebben wij besloten u een seizoen lang geheel gratis ruim voldoende medewerkers van de afdeling afbraak en destructie te sturen (lees: naaktslakken) om die goedbedoelde onzin van u op te ruimen. Met vriendelijke groet, Moeder Natuur.

Die positieve feedback van moeder natuur kan keihard aankomen en het is de kunst om te weten wanneer je moet luisteren en wanneer je koppig op de ingeslagen weg door moet gaan.

Gebruik en waardeer hernieuwbare hulpbronnen

In september en oktober heb ik de slootwal met de zeis gemaaid. Een flinke klus met als beloning een grote berg gemaaid riet. Riet is een fascinerende hulpbron. Het groeit razend snel en geeft een sterke en duurzame vezel die niet voor niets al duizenden jaren als dakbedekking wordt gebruikt. Een groot deel van het riet heb ik gebruikt om een windscherm langs de westkant van de groentebedden aan te leggen. Ook ligt er een deel als bodembedekker op de paden tussen de groentebedden. Elke week gaat er een bundel riet mee naar huis om als strobed voor de kippen en konijnen te dienen.

Phacelia met wilgenstekken en windscherm

Produceer geen afval

In onze compost kom ik altijd wel wat plastic tegen: legoblokjes, glitters, dopjes van sappakken, tape, coatings van karton, stukjes nylondraad, fragmenten van plastic bakjes, etc. Op verschillende plekken in de tuin kwam ik halfvergane lappen gronddoek tegen van een vorige eigenaar.  Plastic is overal en het is spotgoedkoop. Dat maakt het heel verleidelijk om gronddoek of folietunnels te gebruiken om snel meters te maken. Ik heb beide overwogen, maar er toch van af gezien. Het koude voorjaar heb ik uiteindelijk maar voor lief genomen en in plaats van gronddoek werkt een consequente mulchlaag van gemaaid gras ook prima.

Ontwerp van patroon naar detail

Het ontwerp van de nieuwe tuin staat nog in de kinderschoenen. Een paar grote keuzes liggen vast of zijn al wel gemaakt. Er is maar één weg naar het land, dus de toegang en het belangrijkste pad liggen wel zo’n beetje vast. De rudimentaire heg halverweg het perceel blijft. De keet staat en de eerste 18 groentebedden liggen op hun plek. Een seizoen verder vormen zich her en der wat vaste looppaden. De wind en de paar subtiele hoogte verschillen sturen me vanzelf in een bepaalde richting. Van nature ben ik meer van de grote lijnen en minder van de details.

Zonnebloem met honingbij
Van patroon naar detail…

Integreer in plaats van te segregeren

Sinds de industriële revolutie is de mens meer en meer functies gaan opknippen, opdelen, specialiseren en segregeren. Van de productie van voedsel tot het opvoeden van kinderen; overal is een apart hokje voor in het bestemmingsplan, een opleiding met kerncurriculum en competenties, een financiële stroom, een toezichthouder namens de overheid, een marketingstrategie en een consument die de lauwe prak weg mag kauwen en de rekening betalen. Deze doorgeschoten segregatie zorgt voor een uiterst fragiele samenleving, die bij de eerste de beste grote crisis terugvalt op de veel robuustere strategie van het integreren van functies. Opeens was de huiskamer ook een kantoorwerkplek en een klaslokaal voor de kinderen.

Dat soort gedachten had ik het afgelopen jaar wel eens bij het aanleggen van een mulchbed. Die techniek integreert verschillende functies. De mulch beschermt de bodem tegen uitdrogen, verhindert de groei van onkruid en voedt tegelijkertijd het bodemleven doordat het langzaam wordt afgebroken. Daardoor worden belangrijke minerale voedingsstoffen in het systeem gerecycled.  Op veel meer manieren zijn functies te stapelen en te integreren, zoals bijvoorbeeld een trampoline met een regenwaterinfiltratiesysteem.

De kunst is om elk element meerdere functies te laten vervullen en iedere functie door meerdere elementen te laten ondersteunen. Het rieten windscherm geeft beschutting tegen de wind. In zomer wordt deze functie ook ondersteund door de rietkraag die in de slootwal groeit. Door daarnaast een windkering van bomen en struiken te planten wordt functie op drie manieren ondersteund. Het windscherm werkt tegelijk ook als een insektenhotel voor nuttig volk als lieveheersbeestjes, etc. Door op die manier functies te stapelen en te ondersteunen, ontstaat een veel robuuster systeem.

Practicum stokbroodbakken

Gebruik kleine en langzame oplossingen

De nieuwe tuin is voor mij een flinke sprong in schaalgrootte. Er is een schaalgrootte die past bij een systeem dat draait op 0,5 PK aan handenarbeid.  Die ligt denk ik ergens rond een halve hectare. Kleiner kan, maar maak je het gek veel groter, dan moet je de arbeid opschalen. Meer handen, meer spieren of meer machines.

Een zeis is een kleine en langzame oplossing om het gras te maaien. De tijd gaat trager met de zeis. Ik zie meer. Zoals een tijgerspin in een web aan de rand bij de sloot. Mijn zeistechniek wordt langzaam beter, net als het geheugen van mijn spieren en het geheugen van mijn huid. Elk stuk intensief gebruikt handgereedschap komt met een nieuw setje blaren, die na verloop van tijd overgaan in een laagje eelt.

Gebruik en waardeer diversiteit

Een appelboom heeft een andere appelboom en het liefst een van een ander ras nodig als bestuiver. Een voorliefde voor diversiteit zit als het ware ingebakken in de natuur. Een monocultuur is een makkelijke prooi voor plagen, terwijl deze maar beperkt grip krijgen op een polycultuur. Bovendien helpt diversiteit om de risico’s te spreiden. Als de kool niet loopt dan doen de bietjes het wel en vice versa. Doen de vroege rassen het slecht, dan doen de late rassen het hopelijk beter. Ook binnen de bedden plant ik steeds diverser. Blokje kool, blokje lente ui, blokje groenlof. Mais in combinatie met pompoen. Oostindische kers tussen de kool. Verschillende soorten blad- en sluitkool door elkaar, etc.

Uitplanten van jonge groenlof in een diep mulch bed. Links de zusjes mais en pompoen.

Gebruik randen en waardeer het marginale

Ons perceel is smal en langgerekt. Daardoor hebben we veel rand ten opzichte van de oppervlakte. Dat maakt het een interessante plek, want randen zijn de meest interessante plekken in een ecosysteem. De Waddenzee is zo’n geweldig randsysteem. Geen land en geen zee. De rand is vaak de plek waar vruchtbaarheid samenklontert. Bij ons bestaat die rand uit sloten met riet en een wal vol brandnetels. De meest vruchtbare grond op het perceel is die slootwal. Die wordt al decennia jaarlijks verrijkt met een mulchlaag van bagger, riet en biezen. Geen wonder dat de stikstofslurpers zoals brandnetel er graag groeien. Dat geeft mij een mooie voorraad stikstofrijk materiaal dat ik als mulch of in een gier verwerk. Ook de kippen lusten op hun tijd best een emmer jong brandnetelblad.

De randen zijn de meest interessante plekken…

Ga creatief om met verandering

Een voedselsysteem dat met elke verandering sterker wordt, dat is misschien wel het ultieme systeem om naar te zoeken in de 21e eeuw. De veranderingen die op ons af komen zijn immens. De manier waarop extreme hitte, wind of regen ten goede zijn te gebruiken heb ik nog niet ontdekt. Wel ben ik er van doordrongen dat deze extremen cruciale informatie bevatten over de zwakke plekken in ons systeem. De extreme droogte van 2018 en 2019 heeft mij extra alert gemaakt op zaken als regenwaterinfiltratie en het vermogen van de bodem om vocht vast te houden. De kou van het afgelopen voorjaar daagt weer uit om na te denken over microklimaat en de keerzijde van dikke mulchlagen in het voorjaar, namelijk het tragere tempo waarin de bodem  opwarmt onder die laag. Elke verandering en elke mislukking is informatie. Die informatie zien, begrijpen en op waarde schatten, dat maakt die andere wereld zo mateloos intrigerend.

Diepe mulch bedden

Hoog zomer en hoog tijd voor een update over de diepe mulch bedden. Na de groeispurt van juni en begin juli ligt de tuin er diep groen bij. Aan materiaal voor de diepe mulch bedden geen gebrek. Viertien bedden liggen er nu. Het idee is dat we door een diepe laag mulch op de graszode aan te brengen een vruchtbaar bed voor de groente opbouwen, zonder dat we daarvoor te hoeven ploegen, spitten of frezen. Hierdoor blijft het bodemleven intact en wordt structuur van de grond uiteindelijk beter. Over de achtergrond van het idee om niet langer te spitten schreef ik eerder de post Spitten.

De eerste bedden zijn in januari opgebouwd uit een laag slootmaaisel. Grof, koolstofrijk materiaal, dat voornamelijk uit riet bestaat. Onder deze bedden zijn in maart en april de aardappels en plantuien gepoot. In de loop van april zijn deze bedden aangevuld met een laag gemaaid gras. Eind mei kwamen eindelijk de eerste aardappelscheuten door de mulch heen. In de loop van juni hebben de aardappels nog een derde laag gemaaid gras gehad.

Poten onder diepe mulch

De kou en overvloedige regen van het voorjaar zorgden voor een tergend trage start. De vroege aardappels hebben hier meer last van gehad dan de late. Het bed van vroege aardappels heeft her en der wat gaten en de meeste planten zijn niet sterk uitgegroeid. Momenteel staan ze in bloei. Het groeiseizoen voor de vroege aardappels begint op zijn eind te lopen. Met een week of twee gaan we de vroegen rooien. De late aardappelen staan er beduidend beter bij. Amper gaten en goed uitgegroeid. De late aardappels mogen nog een week of acht.

Met de phytophthora valt het tot nu toe mee. Dat is een klein wonder, want de combinatie van warm en vochtig weer die we de laatste weken hebben is perfect voor de aardappelziekte. We hebben uitsluitend resistente rassen gepoot en dat scheelt enorm.

Voor de plantuien was de kou en regen van het voorjaar te veel. Op één doorzetter na wist geen van de uien op te komen. Met een warm en droog voorjaar en een iets dunnere mulchlaag was het misschienwat geworden met de uien.

Aardappels in diepe mulch

Planten in diepe mulch

Het uitplanten van jonge planten in de mulchbedden werkt prima. Met de hand maak ik een opening in de tien tot twintig centimeter dikke laag gemaaid gras tot ik op de klei zit. Plant in het gat, even aandrukken en de volgende.

Vergeleken met uitplanten in de volle grond of in een laag compost hebben de planten iets langer nodig om goed wortel te schieten. Aan het vaal groene blad te zien, lijken de zaailingen wat stikstof te kort te komen. Als ze na een paar weken goed geworteld zijn, dan zie je de groei in kracht toenemen en kleurt het blad diep donkergroen.

Het proces van de biologische afbraak van de mulch neemt aardig wat stikstof op uit de bovenste bodemlaag. Dieper in de bodem is voldoende stikstof aanwezig, als ik op brandnetels af ga die overal op het terrein uitbundig groeien.

Diepe mulch bedden met bonen, groenlof, lenteui, etc.

Karton

Een dubbele laag karton onder de lagen mulch helpt om de voorkomen dat het gras en de onkruiden te snel weer door de mulchlaag heen groeien. Bij het uitplanten plant ik dwars door die kartonlaag heen. Dat voorkomt dat de plant veel energie verbruikt om door het karton heen te wortelen. Tegelijk geeft het grassen een kans om via het plantgat weer op te komen, maar dat is dan maar zo. De kartonlaag is sowieso slecht tijdelijk en wordt in een paar maanden door het bodemleven volledig afgebroken. Zonder karton kan het ook,  maar dan komen de grassen een stuk makkelijker weer op; zeker bij de bedden die pas in april en mei zijn aangelegd.

Slakken

Het is de kunst om de planten door het eerste stadium heen te loodsen zonder dat ze worden opgeruimd door de slakken. Die zijn er in overvloed en vinden juist in de diepe mulch een hoop schuilplekken. Vooral de verschillende koolsoorten, courgettes, sla, jonge sperziebonen en zonnebloemen zijn een geliefd doelwit voor de slakken. De andijvie, tuinbonen, lenteuitjes, suikermais en pompoen lijken er wat minder last van te hebben.

Relatief grote en goed afgeharde zaailingen uitplanten en veel planten op reserve houden om de onvermijdelijke slachtoffers te vervangen was mijn voornaamste strategie. Het werd een soort Verdun 1916; hoe meer contingenten palm-, rode en boerenkool ik het veld in stuurde, hoe meer er verdwenen. De ene na de andere lichting sneuvelde onder de aanhoudende aanvallen van onze ongewervelde tegenstander uit de klasse der gastropodae.

Nu is tien keer hetzelfde kunstje proberen en hopen op een andere uitkomst nu niet direct de meest intelligente strategie. Uit frustratie toch maar wat “verantwoorde” slakkenkorrels strooien is dat uiteindelijk ook niet. Uiteindelijk is een overschot aan slakken vooral een gebrek aan slaketers. Maar daarover later wellicht meer.

 

 

 

 

 

Druk, druk, druk

Datsja! Foto: Anna Hiep

De laatste weken hadden we behoorlijk de handen vol aan ons nieuw project. Zo vol dat van bloggen even niets gekomen is. Grootse plannen en dan ineens het natste en koudste voorjaar in tijden. Thuis is dat niet zo’n probleem. Zaaien en verspenen kan ook in de kas en dan maakt een buitje meer of minder niet zo veel uit. Op een weiland waar de noorderwind rechtstreeks vanaf zee mijn goede voornemens uit mijn hoofd probeert te blazen is dat toch anders. Tijd om voor beschutting te zorgen. Die kwam in de vorm van een oude bouwkeet, die we voor een schappelijke prijs op marktplaats op de kop konden tikken en die we met de landrover van mijn broer op zijn nieuwe bestemming wisten te krijgen.

Ondertussen had het voorjaar besloten toch maar te beginnen. Met de warmte kwam de groei. Zielletogende tomaten kregen weer wat levenslust. De bonen staken hun kopjes boven de grond, de tweede en soms derde zaaipoging van allerlei warmteminnende planten, zoals courgette, komkommer en pompoen sloegen eindelijk aan.

De zeis

Ook het gras op ons landje starte een groeispurt. Eind mei stond het ruim boven de knieen. Tijd om te maaien en een poging te wagen om hooi te maken. Ik had verzonnen om het maaien met de zeis te doen. Bosmaaiers vind ik ruk. Ze maken enorm veel herrie en zijn iet echt lekker om mee te werken. Een trekker klinkt leuk, maar leek me wat overkill voor amper eenderde hectare. Het moest de zeis worden.  Sinds januari was ik me in het zeisen aan het verdiepen. Ik had een antiek exemplaar op de kop getikt en een nieuwe. Ook de zeisboom was even zoeken, maar uiteindelijk kwam ik via zeisles.nl aan het Oostenrijks model dat ik zocht. Na een paar keer klooien was ik verkocht.

Er zit iets magisch aan maaien met een zeis. Als het materiaal goed is afgesteld en de zeis vlijmscherp is, dan gaat het verrassend licht. Geen herrie, geen stank, alleen het ritmisch geluid van een stuk smeedijzer dat door gras snijdt. Af en toe even stilstaan om de zeis te slijpen, te genieten van het uitzicht en de rust. 

Over de technische kanten van het zeisen volgt later ongetwijfeld een appart blog. Voor nu is het voldoende om even stil te staan bij de verbazingwekkende eenvoud en doeltreffendheid van een vergeten stuk gereedschap. 

Bedden

Het grootste deel van het maaisel gebruiken we om nieuwe groentebedden aan te leggen. Je hebt verrassend veel gemaaid gras nodig om een bed van 10 bij 1 meter van voldoende mulch te voorzien om de zode die er onder ligt af te laten sterven. We hebben nu 14 bedden liggen. In deze bedden planten we nu rechtstreeks allerlei groente die we thuis hebben voorgekweekt. Tot nu toe werkt de methode vrij aardig. Zolang de mulchlaag dik genoeg is komt er amper gras door. Brandnetels en distels weten wel hun weg naar boven te vinden, maar die zijn vrij makkelijk te verwijderen.  Na het uitplanten hebben de planten even tijd nodig om te wennen aan hun nieuwe plek. Wie niet snel genoeg went wordt op geruimd door de slakken. Vooral de stokbonen waren een favoriet doelwit.

Hooi

Gras dat niet nodig is voor de bedden gaat naar de kippen, wordt gecomposteerd of…  zetten we om in hooi. Twee ochtenden maaien, een dag laten drogen, keren, nog een dag drogen, weer keren, nog een dagje, etc. En dan heb je opeens een enorme berg hooi. Met behulp van een oude regenton, een paar kinderen, wat touw en een latje maken we van die berg vijfentwintig handzame balen, waarvan er precies twee achter in de auto passen.

Voor de grap is het natuurlijk prachtig, maar hoe efficient is zo’n ultra lowtech, carbon negative, handmade artisan hooiberg nu eigenlijk? Alles bij elkaar zit er ongeveer 25 uur werk in die 25 balen, waarbij maaien, harken en keren en verwerken tot balen elk ongeveer een derde van de tijd in beslag nemen. Het resultaat is tussen een halve en driekwart ton hooi, die een economische waarde vertegenwoordigt van om en nabij de 150 euro. Tientje eraf voor het touw. Omgerekend komen we dan wederom op een verdienste van ongeveer 6 euro per uur, wat in de buurt komt van het minimumjeugdloon. Opnieuw een voorbeeld van de Wet van Schudde, die stelt dat de economische waarde van vrije, zelfvoorzienende arbeid gelijk is aan de verdienste van de economisch laagst gewaardeerde arbeid in een kapitalistische economie.

De kinderen vonden het prima. Die hadden een leuke middag op het land met een pichnick bij de keet en dikke ijsco’s om het af te sluiten. Later die week verloor Shell de klimaatzaak voor de rechter. Ik voorspel een herwaardering van handarbeid in het algemeen en het minimumjeugdloon in het bijzonder.

 

 

 

 

 

 

 

Nachtvorst

Effect van microklimaat: zelfde soort, zelfde grond, zelfde zaai- en verspeen datum, ander microklimaat

Het is de tweede Koningsdag op rij zonder vrijmarkt. Normaal sta ik op 27 april met tomatenplantjes op de vrijmarkt in Loppersum. Voor de vaste klanten en de verkoop langs de weg heb ik wel wat planten staan, maar die hebben het moeilijk. Een koud voorjaar. De helft van de nachten nachtvorst. Stevige hagelbuien die drie, vier dagen aanhouden. Ouderwets aprilweer, waar wij bleke kasplantjes niet meer aan gewend zijn.

Ik moet toegeven dat ik er flink chagerijnig van kan worden. Geduld in het voorjaar is nu eenmaal niet mijn sterkste kant. De hele winter wacht ik tot ik weer los mag. In maart begin ik met de tomaten. Dat is vroeg, maar geeft bij een normaal tot mild voorjaar prima planten op 27 april, zonder dat daar een warmgestookte kas voor nodig is. Een paar nachten met lichte vorst overleven ze wel in de koude kas. Sterker nog, daar worden ze hard van.

Dit jaar hebben de tomatenplanten het moeilijk gehad. Normaal heb ik amper uitval van planten. Nu zit ik op zo’n 15% klimaatslachtoffers. Het weer kan ik moeilijk de schuld geven. Uiteindelijk ben ik degene die verzint dat hij al in maart met zijn tomaten in de weer wil. Volgend jaar beginnen we twee weken later. Aan de andere kant laat zo’n koud voorjaar ook zien welke tomatensoorten relatief meer en minder gevoelig zijn voor zo’n koude, stressvolle start. Extremistan is er om van te leren.

Een paar observaties

Om te beginnen de kas. Mijn doe-het-zelf kas is de afgelopen jaren flink gebutst geraakt. Het is een mooi ding, maar hij loopt na acht jaar op zijn laatste benen. Bij het ontwerp heb ik een paar fouten gemaakt, die de kas wat meer natuurlijke ventilatie geven dan de bedoeling is. Dat is mooi in een extreem hete zomer, maar een nadeel in een koud voorjaar.

Door enkele ontwerpfouten geen gebrek aan natuurlijke ventilatie

De tocht in combinatie met de schaduw van de buren zorgt voor verschillende in microklimaatjes in de kas. Ik heb de indruk dat vooral deze microklimaatjes bepalend zijn geweest voor het verschil in de mate waarin de plantjes de kou van het voorjaar het hoofd hebben weten te bieden. Ook het soort potje waar ze in staan draagt bij aan dit microklimaat. Klein potje, lager bij de grond, meer kou, groter potje, hoger van de grond, minder kou.

Dit effect van microklimaat is nog sterker bij de mobiele aardappels die al de hele maand april in cementkuipen buiten staan. Alleen de bakken die onbeschut tegen de noordenwind staan hebben noemenswaardige vorstschade opgelopen. Die schade is vooral ontstaan door de vier dagen hagel aan het begin van de maand.

Geen beschutting: aardappelplant met vorstschade
Beschut tegen de zuidmuur: aardappelplant in volle groei

De tomatensoort lijkt invloed te hebben, maar minder dan ik had verwacht. Twee soorten die ik nog maar één of twee jaar zelf vermeerder hebben op het oog meer last van de kou gehad en ook de uitval zat vooral bij deze twee soorten. Maar ook bij de soorten die ik al langer zelf vermeerder zijn er kleine verschillen, die op het oog op de soort zijn terug te voeren. De vleestomaten Purple Calabash en Black Seaman ogen me net wat vitaler dan de rest.

Alles bij elkaar is zo’n koud voorjaar misschien ook weer een geluk bij een ongeluk. De planten die de koude start in onze kas hebben overleefd, leveren het zaad voor de planten van volgend jaar en dat maakt ze net weer een tikje robuuster en meer aangepast aan onze lokale omstandigheden. Een plant die nooit wat meemaakt heeft geen karakter. Dat proef je. Toch had iets minder karakter dit voorjaar ook wel gemogen.

 

Ravioli

De ravioli van Lotte

Er zijn van die gerechten die ik te weinig maak. In mijn hoofd zijn ze teveel gedoe en gepiel. Ravioli is zo’n gerecht.  In de praktijk valt dat best mee, zeker als ik het grootste deel van het pielen overlaat aan mijn dochter. Lotte mag graag meehelpen. Pastadeeg maken we vaker samen, maar na tien tagliatelles werd het tijd de lat wat hoger te leggen. Ravioli dus.

Het moest een bijzondere ravioli worden voor een speciale gelegenheid. Voor de vulling had ik een pesto gemaakt van wilde hazelnoten, de zongedroogde tomaatjes van afgelopen zomer, Russische rode boerenkool uit de voortuin, huisgerookte knoflook en een flinke scheut olijfolie. De verhoudingen houd ik nooit zo bij. Een handje dit, een handje dat, een paar teentjes. Dat werk.  Regelmatig proeven helpt natuurlijk ook. Voor de pesto snijd ik alles eerst in stukjes en dan flink stampen in de vijzel.

Voor het pastadeeg gebruik ik het basisrecept van drie drie drie: 300 gram bloem op drie eieren met drie eetlepels olijfolie. Een snufje zout. In de pastamachine uitrollen tot een mooie lap deeg. Er zijn verschillende hulpstukken voor het maken van ravioli verkrijgbaar,  maar gewoon met een lap deeg waar je een paar plukjes vulling op legt en die je vervolgens omvouwt, aandrukt en uitsnijdt met een rond deegvormpje werkt het ook. Na het uitsteken de randjes nog even dichtdrukken met een gebaksvorkje en bewaren op een bebloemde theedoek.

De ravioli hoeft maar een paar minuten gekookt te worden. Om de ravioli af te maken gaat er botersausje over. Smelt een klont roomboter rustig in een steelpan. Klop hier het sap van een citroen door en een scheut huisgeperste walnootolie en giet dit over de ravioli. Afmaken met een beetje versgemalen zwarte peper.

 

 

 

 

Zuider Lopsterweg

De spoorwegovergang aan de Zuider Lopsterweg, toen er nog chloortreinen reden

De spoorlijn Groningen – Delfzijl speelt een belangrijke rol in het landschap van mijn herinneringen. Ik herinner me vaag nog de Blauwe Engel die er reed, voordat die werd vervangen door de nikszeggende Wadloper.

Het landschap rond het dorp Loppersum, waar ik ben opgegroeid, was kleinschalig. We speelden vaak op het Zwarte laantje. Toen een onverhard landweggetje aan de zuidrand van het dorp, dat tussen tuinderijen en weilanden omzoomd met holle wilgen doorliep. In droge sloten tussen het riet stookten we fikkies en vochten we denkbeeldige veldslagen uit.

Later speelden we vaak bij de spoorbrug, iets verderop  aan het Maar. Een andere mooie plek was de onbewaakte spoorwegovergang bij de Zuider Lopsterweg, aan de oostkant van het dorp. Een vergeten en verwilderd hoekje, waar in die tijd nog wel eens wat puin werd gestort. Ideaal om je crosfiets te testen, fikkies te stoken en kwajongen te zijn.

Ruilverkaveling

In de jaren 90 van de vorige eeuw ging de buldozer over het landschap van mijn jeugd. De ruilverkaveling brak los. Lijnen en landschapselementen die het geografisch geheugen van een eeuwenoud cultuurlandschap markeerden, werden zonder pardon geofferd op het altaar van de vooruitgang.

Het Zwarte Laantje werd een strak betonpad, het Juisterpad werd verbreed en rechtgetrokken. De rommel bij het spoor verdween en maakte plaats voor een bosje. Verder veranderde er niet zoveel aan de Zuider Lopsterweg. Deze plek overleefde wonderwel de kaalslag van de ruilverkaveling. Dit weggetje bleef een kronkelend en onverhard met een onbewaakte spoorwegovergang, waar twee keer per uur de boemel naar Delfzijl en een paar keer per week de chloortrein naar Rotterdam langs trok.

Het is een mooie plek om te wandelen, stil te staan en je ogen langs de horizon te laten gaan. Met je neus naar het noorden zie je de Jacobus Kerk van Zeerijp (begin 14e eeuw). Achter je ligt dan de boerenkathedraal van de Petrus en Pauluskerk van Loppersum (13e-16e eeuw). Iets naar het noordoosten het bescheiden scheve kerkje van Eenum. (12e eeuw). Acht eeuwen cultuurgeschiedenis in één oogopslag. Mooier wordt het cultuurlandschap in Nederland niet.

Chloor, spoor en veiligheid

Die chloortrein had een gevaarlijke reputatie en was de lokale politiek jarenlang een doorn in het oog. Een ontspoorde chloortrein in een grote stad als Groningen zou van de inzet van chloor bij Ieper in 1915 een lachtertje hebben gemaakt. Maar zoals dat ging in die jaren gingen de financiële belangen van de industrie boven de veiligheid van de Groningers. Niet alleen de firma Shell, ook de firma Akzo, de producent van het Groningse chloor, was goed vertegenwoordigd in de bestuurlijke top van Nederland. Die Groningers moesten niet zeuren. Er was niks om je zorgen over te maken. De risico’s van de chloortrein waren verwaarloosbaar.  Waar kennen we dit toch van en zou er inmiddels iets veranderd zijn?

Pro Rail

De chloortrein is inmiddels verleden tijd. Toch is men wakker geworden bij de spoorwegen. Die onbewaakte overweg ten oosten van Loppersum, aan dat slingerende landweggetje, waar de tijd lijkt stil te staan. Die moet weg. Die is levensgevaarlijk. Pro Rail wil van de overweg af en sluiten is volgens hen de enige optie. Twee andere onbewaakte overgangen aan de spoorlijn worden wel beveiligd en daarmee is de pot geld leeg.

Dat er geen geld is om de spoorwegovergang te beveiligen, is natuurlijk een leugen, waar Mark Rutte nog een puntje aan kan zuigen. Er is in Groningen ongeveer 400 miljard euro aan de gaswinning verdiend. Van dit geld is ongeveer 0,3% naar Groningen gegaan. Het overige is verramsjd door politiek Den Haag en omgezet in asfalt en beton in randstedelijke infraprojecten. In dit licht lijken me de kosten nog het zwakste argument om deze spoorwegovergang te sluiten.

Zo ver zal het gelukkig niet komen, want ik weet dat iedereen die dit stukje  leest van verontwaardiging van zijn stoel zal vallen en de petitie voor het openhouden van de Zuider Lopsterweg zal tekenen. Delen mag. Graag zelfs.

Teken hier de petitie voor het openhouden van de Zuider Lopsterweg:

https://petities.nl/petitions/behoud-de-zuiderlopsterweg-in-loppersum-voor-wandelaars?locale=nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorjaar

En dan opeens is het voorjaar. Het groen schiet de grond uit. Bloesem knalt open. Er bloeit nog niet zoveel, maar toch vond één van de boompjes op de nieuwe tuin het nodig om uitbundig te gaan bloeien. Ik kon niet direct zien wat voor boompje het is. `Ik dacht even een krent,  die zijn er ook vaak vroeg bij, maar daarvoor lijken me de bloemblaadjes wat te rond. Wie het weet mag het zeggen.

Er is een hoop gebeurd de afgelopen weken. We hebben de wilg geknot en van de tenen moest natuurlijk een hut gebouwd. Met een beetje mazzel slaan de tenen aan en groeit de hut lekker dicht.

Er moest natuurlijk een hut gebouwd worden

Gespreid bedje

De bedden van slootmaaisel die we in januari hebben gemaakt, hebben deels hun werk gedaan. Na een week of acht is het grootste deel van de grasmat onder de bedden vergaan. Niet overal natuurlijk. Op plekken waar de strooilaag net iets minder dik was, prikken het speenkruid en enkele verdwaalde graspollen door de mulch. Het resultaat is naar mijn idee voldoende om er uien en aardappels in te zetten. In de half vergane zode prikken we met een stok een ondiep pootgat en daar verdwijnen de vroege aardappels  en plantuitjes in. Het geheel dekken we weer af met de laag slootmaaisel die we er net van af hebben geschoven.

Tegen mei zullen de eerste aardappel- en uienspruiten door de mulchlaag heen komen. Gedurende het voorjaar en de zomer vergaat de mulchlaag steeds verder en zullen de laag aanvullen met een nieuwe laag gemaaide ruigte. Op deze manier ontstaat een mooie, kruimige bodem onder de mulchlaag met, naar we hopen, een redelijke oogst aardappelen en uien.

Dit seizoen gaat het vooral om het vormen van een mooie losse bodem, zonder frezen en spitten.  De bodembiologie heeft tijd nodig om zijn werk te doen.

Onder de mulch van slootmaaisel is de zode aardig vergaan

Deze manier van aardappels verbouwen zonder ruggen of spitwerk is een  variant op de zogenaamde Ruth Stout methode. Deze Amerikaanse dame was een van de pioniers van het tuinieren zonder spitten met behulp van permanente mulchlagen.  Zij zaaide rechtstreeks op een onbewerkte bodem en dekte deze vervolgens af met een dikke laag oud hooi.

In 2018 heb ik met de aardappelen voor het eerst met deze methode ge-experimenteerd. In plaats van hooi gebruikte ik stro. De resultaten waren gemengd. De planten deden het uitstekend, ondanks een record droogte. Onder de mulchlaag kwam prachtige grond te voorschijn, maar de oogst viel tegen.

Sindsdien ben ik verder gaan experimenteren, met wisselende resultaten. In plaats van op de grond, zoals Stout adviseerde, plant ik de aardappels net in de grond. Ik heb de indruk dat de knollen dan net wat beter tot ontwikkeling komen. Het type mulch is ook van belang. Het diverser, hoe beter. Compost is prima, versnipperd heggesnoeisel werkt ook prima, net als een dikke laag gemaaid gras. Of een combinatie van deze.

Ongestoorde bodem

Houtige mulch, zoals heggesnoeisel, bevordert de vorming van schimmels en deze schimmels zijn cruciaal op de plant te voorzien van de nodige voedingsstoffen. De plant wisselt met de schimmels suikers voor de nodige mineralen, die de schimmels met hun netwerk van ondergrondse draden uit de wijde omgeving kunnen halen. Dit fenomeen heet mycorrhiza associatie en krijgt de laatste tijd steeds meer aandacht. Zoveel aandacht zelfs dat fabrikanten verzonnen hebben om deze schimmel in een potje te stoppen, dat je voor veel geld kan kopen en bij je planten strooien.

Dikke onzin, als het mij vraagt. Mycorrhiza ontstaat vanzelf als de omstandigheden gunstig zijn. Schimmelsporen zijn overal aanwezig. Geef een schimmel de goede omstandigheden en hij gaat groeien. Ongestoorde bodems in combinatie met houtige mulch zijn naar mijn ervaring een uitstekende uitnodiging voor de vorming van mycorrhiza netwerken. Intensief spitten helpt deze associatie om zeep. Vandaar dat ik de bodem het liefst zo min mogelijk verstoor.

Karton en compost

Het nadeel van slootmaaisel is dat het nogal grof kan zijn. Aardappels kunnen dat wel hebben, maar voor de schare tuinbonen, peultjes en broccoli en ander spul dat voorgekweekt in de kas staat te wachten  om uitgeplant te worden is het toch wat te grof. Daarvoor werkt een andere niet-spit methode prima. Deze werkt met een combinatie van karton en compost. Je legt een laag karton rechtstreeks op het  gras en over die laag karton gaat een laag van  minimaal tien centimeter compost. Vervolgens kan je voorgekweekte planten rechtstreeks in de compost uitplanten.

Afgelopen zaterdag legden we op deze manier een eerste compostbed aan. Tussen de hagelbuien door deden we ons best het karton niet te laten wegwaaien in de stevige maartse bries.

 

 

 

 

 

 

Enten

Na drie jaar wekelijks bloggen heb ik dit jaar de teugels iets laten vieren.  Een blogpost kost me gemiddeld een halve dag met uitschieters naar boven en beneden. Met de kinderen weken lang in het thuisonderwijs en een reeks andere klussen werd het me wat te veel. Niet dat er niks te schijven viel. Genoeg beleefd in de tuin, de keuken en op het nieuwe land.

Hoe om te gaan met kippen, konijnen en olijfbomen bij min 15? De ontdekking van risotto, maar dan anders. De geboorte van vier kuub slootmaaiselcompost, slaketende slakken, kippenkroos en andere avonturen.

We pakken de draad weer op bij fruitbomen. Rond het huis hebben we zes appelboompjes, drie peren, drie pruimen en twee kersenboompjes staan. De meeste zijn kleine boompjes op een zwak groeiende onderstam, naast een hoogstam en een halfstam. Meer kon ik er echt niet kwijt en eigenlijk is dit al veel te veel voor de ruimte die we rond het huis hebben.

Met een nieuwe stuk land is er ruimte voor nieuwe bomen. Met jonge bomen is het net als met voedsel; je kan ze bij de bomensupermarkt, de  bomenspeciaalzaak of de lokale bomenboer kopen. De meeste bomen die we hebben komen van de bio-dynamische kwekerij De Vrolijke Noot.

Nu kan je fruitbomen natuurlijk ook zelf laten groeien. Bij klein fruit zoals bessen en bramen is dat heel simpel: je snoeit een jonge tak af, die steek je in de grond en daar schiet hij vanzelf wortel.

Bij fruitbomen is dat lastiger. Die schieten niet zo snel wortel. Ook brengen spontane, wilde wortels niet per se de beste eigenschappen in een appel of peer naar boven. Daarom gingen kwekers de eigenschappen van twee bomen combineren door ze letterlijk op elkaar te laten groeien: een onderstam met de gewenste groei eigenschappen en een bovenstam met het gewenste fruitras.

De onderstam is bepalend voor de groeikracht van de boom. Je hebt zwakkere, middelmatige en sterke groeiers. Bij fruit telen is de combinatie van de eigenschappen van de onderstam, het fruitras en de bodemgesteldheid van belang.

Met nieuwe ruimte voor fruit leek het mij een mooie uitdaging zelf eens wat fruitbomen te enten. Voor mijn doe-het-zelf fruitbomen kwam ik uit bij wat zwakker groeiende onderstammen. M26 voor de appels, St. Julian A voor de pruimen en Kwee Adams voor de peren. Deze heb ik bij een kweker besteld. De eerste werden deze week geleverd. Op deze onderstammen heb ik diverse fruitrassen uit de tuin geënt.

Enten is een secuur werkje. Een tak is opgebouwd uit verschillende lagen. Eén van die lagen, het cambium, is in staat om te groeien. Door het cambium van de ent op het cambium van de onderstam te zetten kunnen deze met elkaar vergroeien.

Voor het enthout gebruik je eenjarige twijgen. Dat is het hout dat zich het afgelopen jaar gevormd heeft. Deze zijn gemakkelijk te herkennen. Ze hebben nog geen vruchtknoppen en vaak is de groeiring, de plek waar het eenjarige hout overgaat in het hout van het jaar daarvoor, goed zichtbaar.

Twijgen die je voor enten wilt gebruiken moeten nog volledig in ruste zijn, dus dit is een klus om uit te voeren voor de sapstroom eind maart op gang komt. Ook is het van belang dat de enttwijgen dezelfde diameter hebben als de onderstam.

 

Verschillende enttechnieken: A plakent, B verbeterde plakent, C oogent, D driehoeksent, Afbeelding Publiek Domein, Bastian

Er zijn verschillende ent technieken. Een goed scherp mes is onontbeerlijk. Wikipedia heeft een aardig overzicht. Ik ging voor een redelijk recht toe recht aan schuine ent, die ik met gastape aan elkaar heb bevestigd. Van het enthout snoei je terug tot ongeveer drie knoppen.

De geënte boompjes heb ik een mooie tijdelijke plek in de moestuin gegeven.  Nu is het afwachten of de ent geslaagd is.

Wordt vervolgd…

PS

Voor wie meer wil weten over onderstammen, fruitrassen, bestuivers, snoeitechnieken, etc. is de website van de boomgaard Langeveld in Kruishoutem een interessante plek.

Nieuwe horizon

Vlak voor de kerst kochten mijn echtgenote en ik een weiland. Het ligt twee dorpen verderop. Het is ruim eenderde hectare groot en heeft een beetje de vorm van een sok met de punt naar het zuiden. Om het weiland ligt een sloot. Er staat een oude wilg en een lage haag met een paar jonge fruitboompjes en bramen deelt het perceel door midden.

Er is jaren niet zoveel met het landje gebeurd. In het najaar is er nog een keer gemaaid en zijn de sloten schoongemaakt. De grasmat is doorgroeid met verschillende soorten onkruid. Veel brandnetel, her en der wat distel, speenkruid. Die brandnetels wijzen op stikstof. Molshopen verraden de aanwezigheid van ondergrondse gravers. Waar mollen zijn, zijn wormen.  Een teken dat er aardig wat leven in de bodem zit. Niet zo verwonderlijk. Als je jarenlang de boel de boel laat, keer het bodemleven langzaam terug.

Zo’n molshoop geeft ook een aardig beeld van de toestand iets dieper onder de grasmat. Ik heb een balletje klei van een molshoop mee naar huis genomen en thuis een slaketest uitgevoerd. Je droogt dan een kluit aarde en legt die droge kluit op een grof rooster in een bak met water. Een biologisch actieve bodem zal stabiele bodemagregaten bezitten met veel micro-poriën die door glomaline bij elkaar worden gehouden. Deze glomaline is zeg maar een bioplaksel dat door mycorrhiza schimmels geproduceerd wordt.

Deze bodemaggregaten zorgen er voor dat water makkelijk de bodem kan infiltreren, dat plantenwortels hun weg kunnen vinden en een samenwerking aan kunnen gaan met die mycorrhiza schimmels. In die samenwerking ruilen planten suiker, dat ze maken met behulp van fotosynthese, voor allerlei mineralen, die ze niet zelf kunnen maken, maar die de schimmels in hun uitgebreid ondergronds netwerk wel weten te vinden.

De slake-test kan je eenvoudig thuis uitvoeren en geeft een goed idee hoe het met de stabiliteit van je bodemaggregaten is gesteld. Dit filmpje op youtube geeft goed weer hoe zo’n test werkt. Onze kluit bleef een week of drie stabiel en viel daarna pas uit elkaar. Dat zijn aardig stabiele aggregaten.

Verderop in het veld kwam ik een paar paddestoelen tegen. Nog een aanwijzing die duidt op bodemleven en de ruime aanwezigheid van organisch materiaal in de bodem.

Vrienden en bekenden beginnen meteen over trekkers en ploegen als ik ze over onze nieuwe aanwinst vertel. Ik heb het niet zo op ploegen en spitten en  kom dan met een ingewikkeld verhaal over schimmels en aggregaten en het belang van observeren. Het gesprek gaat dan vaak al snel over iets anders. Mensen zijn doeners. De schop erin, actie, plannen, ten aanval!

Op naar vijftig meter mulch

Die plannen zijn er. Scherp observeren is de eerste stap. De afgelopen weken heb ik het maaisel uit de berm gevist, een composthoop aangelegd, vijftig meter toekomstige groentebedden van een dikke laag rietmulch voorzien. Het plastic dat her en der rondzierf opgeruimd. Stap voor stap, met een compostvork en een kruiwagen. Mijn kop in de januarizon, wind in de rug, handen uit de mouwen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dag 2020, hallo 2021

Het was een ziek jaar, 2020. Daar kunnen we kort over zijn. De perenboom in de voortuin vat het goed samen. Die begon het jaar vol in de knop en viel later in de zomer ten prooi aan een verwelkingsziekte. Ik vermoed bacterievuur. We hebben het boompje in het voorjaar van 2010 geplant, toen we ons huis net gekocht hadden. Na een paar jaar kwamen de eerste peren. Na vijf jaar hing de boom vol. Deze zomer was het afgelopen. In twee weken tijd verschrompelde het blad en verdween het leven uit de boom. Op één tak na. Ik heb alles weggesnoeid. Die ene tak weerhield me ervan het hele boompje te rooien. Misschien loopt hij komend voorjaar weer uit.

Na de kerst was ik zaadbommen aan het maken voor een groot, nieuw project. Daarover binnenkort meer. Nog voor de klei goed en wel droog was begonnen de eerste zaden te ontkiemen. Niet helemaal de bedoeling, maar ik kan het ze niet kwalijk nemen. Zin in een nieuw voorjaar. Zin in een nieuwe zomer. We laten 2020 achter ons; 2021 wordt beter.