Kinderspel

Een motor loopt op benzine. Kinderen lopen op aandacht. Drie weken thuisonderwijs veranderen daar niets aan. ’s Morgens doen we de schoolopdrachten en klinkt de stem van juf via de ipad op zolder. ’s Middags gaan ze hun gang of verzinnen we projecten. De jongste gaat het liefst haar eigen gang. In haar projecten spelen lijm, glitters en viltstiften de hoofdrol. Ik heb niet zoveel met glitters. Op andere vlakken kunnen we elkaar beter vinden. Toneel bijvoorbeeld. Af en toe een half uurtje toneeloefeningen tussen de bedrijven door werkt als een dolle. Een dier uitbeelden en dat je broertje dan moet raden welk dier het is. Of  met je ogen dicht aandachtig luisteren. Eerst naar de geluiden buiten het huis. Dan naar het geluid in de kamer. Dan naar het geluid dicht bij je zelf en ten slotte naar de geluiden die je in je eigen lichaam hoort.

De oudste is een ander verhaal. Die is van de vogels, de beestjes en de onverstoorde concentratie. In het vogelhuisje dat we drie weken geleden maakten zit inmiddels een koolmees. Gister zijn we twee uur bezig geweest in zijn nieuwe tuintje. Radijsjes zaaien, plantuitjes planten, een klimrek opzetten voor de peultjes en ten slotte een paar flinke handen bloemenzaad er in. Want groente in je tuin is leuk, maar er moeten ook bloemen zijn. Na twee uur was het mooi geweest. Toen moest er gespeeld worden met soldaatjes en playmobil.

Zondag hebben we een eind gefietst. We kwamen langs het Zwartje Laantje en de spoorbrug, waar we zomers lang speelde, vuurtjes fikten en ik met mijn vriendjes de bevrijding nog eens dunnetjes over deed. Op de picknickplek halverwege de fietstocht lag een boom over het water. De twaalf jarige werd al snel weer in mij wakker. Zonder kleerscheuren of een nat pak haalde ik via de boom de overkant. De spelende mens; homo ludens, in de jaren dertig van de vorige eeuw uitgevonden door de historicus Johan Huizinga

Na drie weken quarantaine is de spelende mens wakker geworden. De spelende mens moet de zin van zijn bestaan zelf vorm geven nu hij niet langer terug kan vallen op de dagelijkse dosis sociale bevestiging van de normale staat der dingen. Het spel als overlevingsstrategie. Om de moed er in te houden. Om de tijd door te komen. Om even te ontladen.

Kinderen spelen anders dan volwassenen. Aandachtiger. Serieuzer. Vanzelfsprekender. Niet om te overleven, maar omdat het spel het leven is. Met die blik kijken, met die aandacht leven, dat doet de spelende mens.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vogels voeren

Opdat zij zich welkom weten

Het blijven vreemde tijden en in vreemde tijden kan je maar beter bezig blijven. De ijzige wind van de afgelopen dagen maakten het nu niet direct uitnodigend  om flink in de tuin te werken. Dan maar iets knutselen met de kinderen. Na het egelhotel van vorige week moest er een nieuw nestkastje voor de mezen komen en daarna een voerbakje voor de vogels, opdat onze gevleugelde vrienden zich in onze tuin welkom zouden weten.

Dat voerbakje werd een bouwsel van een stukje vogelgaas, twee lege conservenblikjes, oud ijzerdraad, een jampotdeksel, een vers gesneden stokje en een halve zak doppinda’s.  Qua gereedschap volstaan een draadtang, een blikopener, een priem en een metaalboortje.

Maak de blikjes schoon en haal met de blikopener de bodem uit een van de blikjes. Knip een stuk gaas af dat ruim om de omtrek van het blikje past en een centimeter of 25 hoog is. Knip het gaas zo af dat je aan de rand een uitstekend stukje draad overhoudt. Buig het gaas in een koker om de blikjes heen. Zet de naad in de gaaskoker vast door de uitstekende draadstukjes door de overlappende mazen te steken en terug te vouwen.

Weef een stukje ijzerdraad door de bovenzijde van de gazen koker en gebruik dit om de gaaskoker aan het blikje zonder bodem vast te maken. Zet het blikje hierbij op zijn kop in de gaaskoker. De bovenrand van een blikje is wat dikker en dan blijft het geheel wat makkelijker vast zitten. Een tie-ripje zou ook kunnen, maar in het kader van minder plastic zou ik voor een stuk oud, liefst roestig, ijzerdraad gaan.

Boor vlak boven de bodem twee gaten voor het stokje in het blikje dat nog een bodem heeft en klem de gaaskoker op dezelfde manier met een stuk ijzerdraad aan dit blikje vast. Ook deze gaat op zijn kop, dus met de bodem naar boven. Steek een vers geschild stokje door de twee gaten. Waag het niet om voor die stokje naar de bouwmarkt te tuffen.

Boor twee kleine gaatjes in het eerste blikje en zoek een jampotdeksel dat precies op het blikje past. Boor hierin ook twee kleine gaatjes. Haal een stuk ijzerdraad door de gaatjes in het bovenste blik en het deksel. Vul de koker met doppinda’s, zoals men die vroeger bij de Spar in Loppersum kon vinden.

En klaar is uw vogelvoerbakje.

Tip: laat de etiketten op de blikjes zitten. Dan weten uw buren wat u zoals aan conserven in huis heeft gehamsterd en hebben de vogels wat minder last van de weerkaatsing van de zon op het blik. Na verloop van tijd zullen de etiketten vanzelf vergaan en zal het blik gaan roesten. Maak dan niet meteen een nieuwe. Het duurt jaren voordat de blikjes volledig zijn weggeroest. 

 

 

 

 

Thee

Er groeit altijd wel een kop thee in de tuin, denk ik, terwijl op zolder de kinderen zitten te werken aan hun thuisschool opdrachten, mijn vrouw in de woonkamer zit te videoconferencen met collega’s en ik op de slaapkamer mijn wekelijks blog tik. Dit is de nieuwe normaal in een land dat sociaal op slot is gegaan.

Grondbeestjes en een egelhotel

De stemming thuis is prima. Naast taal, rekenen en spellen verzinnen we wat extra opdrachtjes in en om het huis. Zo hebben we vorige week de inhoud van twee scheppen tuinaarde op de aanwezigheid van beestjes onderzocht. Vierenveertig wormen, een half dozijn duizendpoten, een paar miljoenpoten, springbeestjes en arthopoden en nog zo wat meer was de score.

Gister met Daniël een egelhotel gebouwd van een oude bouwemmer, een paar bakstenen, een hoop oude bladeren en wat stro. Ondertussen ook een defect broodmes van een nieuw heft voorzien.

Tussen de bedrijven door is er thee. Bij hoestjes en kuchjes in het huis gaat daar een flinke lepel honing door en vervang ik het theezakje uit de supermarkt door een flinke hand vol verse kruiden. Zo vroeg in het seizoen is de munt nog niet weer boven de grond. De salie is de zachte winter goed doorgekomen, dus die gaat er in ruime hoeveelheden in. Rozemarijn en tijm werkt ook goed in de thee. De brandnetels komen net weer op. Een paar jonge toppen zijn genoeg voor een flinke pot. Een beetje gemberkan ook, maar dan moet ik die toevallig nog in huis hebben. In de supermarkt schijnt het niet meer te krijgen te zijn.

Hamsteren

Op advies van de overheid wordt er namelijk flink gehamsterd. Zo lees ik op crisis.nl dat het een goed idee is om een noodvoorraad houdbaar voedsel, toiletpapier en desinfecterende handgel aan te leggen. Ook de politie doet op haar website onder de kop rampen vrolijk de oproep om een noodvoorraad aan te leggen voor het geval er een griep- of andere epidemie heerst. De mensen doen in deze crisis precies wat de overheid ze in al die jaren zonder acute crisis met spotjes, folders en website’s heeft gevraagd. Alleen doen ze dat niet als er geen crisis is, maar als pas als de pleuris is uitgebroken. En dan is het veel te laat natuurlijk. Ondertussen krijgt de burger de schuld.

Hamsteren doe je in goede tijden, zodat je in slechte tijden een voorraad hebt. Dat weet elke aardappel. Je zou zelfs kunnen zeggen, dat dat de essentie van een aardappels is: in de zomer gehamsterde zonnestralen om te bewaren voor het voorjaar.

Vrijmarkt

Het is crisis. In de vensterbank staan de tomatenplantjes voor de verkoop op vrijmarkt op Koningsdag lekker met hun koppies in de zon. Geen vrijmarkt dit jaar. Dan maar proberen ze langs deze weg kwijt te raken.

Door de crisismaatregelen gaat de vrijmarkt in Loppersum op Koningsdag niet door.  Wilt u de tomaten van Koken met Kropotkin dit jaar toch niet missen? Stuur dan een mailtje met je bestelling naar info(at)kokenmetkropotkin.nl en we regelen een corona-proof deal. Zolang de voorraad strekt uiteraard.

Dit jaar in de aanbieding:

  • vleestomaten Purple Calabash, Black Seaman en Coeur de Boeuf, Tiny Tim
  • kerstomaat: Brown Egg Cherry, Tiny Tim
  • saladetomaat: Black Ethiopian, Quadro

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De impact van het hoogst onwaarschijnlijke

De nieuwe school van onze kinderen

De wereld staat op zijn kop. Welkom in extremistan. Een kleine tien jaar geleden maakte ik kennis met het werk van Nassim Taleb. Deze tegendraadse denker schrijft over de impact van het hoogst onwaarschijnlijke (The Black Swan ) en over dingen die sterker worden van wanorde (Antifragile: Things That Gain From Disorder).

Het werk van Taleb is te veel omvattend om er in een simpele blogpost recht aan te kunnen doen. Ga deze boeken lezen. Een beter advies kan ik niemand geven. Onze wereld is fragiel. De kennis van onze experts is fragiel. Onze kennis over de impact van hoogst onwaarschijnlijke gebeurtenissen is te beperkt. Ons geheugen laat ons te snel in de steek.

De wereld kan er van vandaag op morgen anders uitzien. Dat werd mij duidelijk op 9 november 1989. De muur viel en de wereld was niet langer hetzelfde. Ik was net veertien. Deze gebeurtenis heeft mij een diep wantrouwen tegen de onveranderlijkheid van het heden, de status quo, bij gebracht. Panta rhei. Alles stroomt. Niets is onveranderlijk.

Wat leren lege schappen in de supermarkt ons over de fragiliteit van ons voedselsysteem? Wat leert het sluiten van restaurants en kroegen ons over het vermogen ons zelf te vermaken? Wat leert het sluiten van scholen ons over ons vermogen om onze kinderen iets zinvols bij te brengen?

In de economie tellen we slechts als consumenten. Die economie staat nu stil. Dat geeft tijd en ruimte om onszelf opnieuw uit te vinden. Als maker. Als producent. De overdaad van ons economisch systeem heeft ons opgezadeld met een schreeuwend gebrek aan materiële schaarste. Als alles altijd voor handen is, hoef je nooit een beroep te doen op je creatieve vermogen om improviserender wijs een gat te vullen met iets dat niet voor handen is. Schaarste maakt creatief. 

In de post Viva Extremistan! heb ik eerder het werk van Taleb ter sprake gebracht. Extreme gebeurtenissen bevatten vitale informatie. Observeer. Leer van de komende weken. Ga koken. Bak eens een brood. Pluk een onkruidsalade bij elkaar. Leg een moestuin aan. Start een composthoop. Schrijf een lied of een gedicht. Brei een muts. Lees Taleb.

 

 

Consumer experience

Stukje plezier voor de konijnen

Op het hoogtepunt van de menselijke beschaving kwam er iemand op het idee om een tak in stukjes te knippen, te verpakken in een plastic doosje en dit voor €4,50 te koop aan te bieden als speelgoed voor konijnen, cavia’s en andere knaagdieren. Ik zag het product hangen in een grote bouwmarkt en wist niet zo goed of ik in huilen uit moest barsten of dubbel moest liggen van het lachen. Wat zegt dit doosje over de moderne mens, zijn relatie met de natuur, dieren en de economie?

Hoe ontstaat zoiets? Was er iemand in een lollige bui op de afdeling productontwikkeling van een huisdierbenodigdheden gigant, kwam er een behoefte aan voorverpakte takjes naar voren in een consumer focusgroup of via de klantenservice? Was er een meisje dat een brief schreef met de aanhef “lieve dierenwinkel, heeft u ook speelgoed te koop voor Knabbel, mijn konijn?” en hebben ze toen maar wat verzonnen om dat meisje niet te leur te stellen?

Waar maken ze zoiets en komt er ook kinderarbeid aan te pas? Wat doet het met de menselijke geest als je de hele dag stokjes in een plastic doosje stopt voor de huisdieren van rijke mensen? Wat gaat er om in het hoofd van de Brusselse ambtenaar, die de vraag naar Europese kwaliteitsstandaarden op het gebied van voorverpakte stokjes ter vermaak van knagende huisdieren in zijn portefeuille heeft? Wie vertrouw je zo’n taak toe? Je beste mensen of iemand die je de afdeling uit wil treiteren?

Hoe bepaal je de prijs van zo’n top product? Twee promille productiekosten, tien procent marketing en de rest winst? En wat moet je in hemelsnaam doen als je als productmanager een stukje innovatie op deze consumer experience toe moet passen? Pleeg je dan zelfmoord of laat je de stokjes fluoriserend roze spuiten met een biologisch afbreekbare verf, die tien jaar laten stiekem toch extreem giftig blijkt te zijn?

In grote vertwijfeling verliet ik deze bouwmarkt…

 

Zaaien

Groenbemester van kippenvoer en capucijners onder stromulch in de kas

“Het was de hele tijd februari en dan ineens is het floep… maart!” vertelde Anton Dingeman, de tamelijk briljante cartoon van Pieter Geenen mij vanochtend in Trouw. Heel lang suddert de winter door en ineens is het maart. De start van een nieuw seizoen in de tuin. Zaaien! En niet zo’n beetje ook.

In januari had ik al een voorschot genomen op het voorjaar met twee bakken extreem vroege aardappelen in de kas. Dit steken al een aardig eind boven de grond en genieten net als ik van elk uurtje zonneschijn tussen de buien door.

Opeens is het maart

Gister heb ik flink gezaaid. Tomaten en pepers binnen in de zaaibakken in de vensterbank. Peulen, capucijners, tuinbonen, witte kool en rode bieten in zaaitrays in de kas. Plantuitjes in de verhoogde bakken in de tuin.

Zaaien is niet zo ingewikkeld. De natuur is een paar miljard jaar bezig geweest met uitvogelen hoe een plant zich het beste voort kan planten. Als mens kunnen we daar niet zoveel aan toevoegen en het meeste dat we toevoegen zijn lapmiddelen om de kwalijke gevolgen van ons geklooi op te lossen.

Zaaien begint natuurlijk met een zaadje. Als de omstandigheden goed zijn, wordt dat ding wakker en gaat het vanzelf groeien. Aarde, water, een beetje warmte, soms een beetje licht; dat zijn de belangrijkste ingredienten om een zaadje wakker te schudden.

Nu is het ene zaad het andere niet. Ik heb eerder al eens wat bespiegelingen aan kiemkracht gewijd. De zaden van het vorige seizoen die ik zelf bewaard heb vindt ik meestal het meest levenslustig.

Aarde is het tweede ingrediënt. Voor alle zaden kleiner dan een erwt gebruik ik een mengsel van potgrond met een flink deel grof zand. Bij grotere zaden meng ik door dat mengels nog wat compost van onze composthoop. Voordeel van deze compost is dat het meer bodemleven bevat dan potgrond, dat over het algemeen akelig steriel is. In onze compost zitten vaak nog wat onverteerde zaden van grasjes en onkruidjes. Bij groter spul, zoals erwten en bonen, vind ik dat niet zo erg. Bij kleine zaailingen zijn die verstekelingen hinderlijk en dan neem ik het gebrek aan leven in de potgrond op de koop toe.

Hoe diep moet je zaaien? Een goede vuistregel is een tot anderhalf keer zo diep als het zaadje groot is. Een dikke tuinboon mag best een paar centimeter. Een klein kool zaadje hoeft helemaal de grond niet in, maar vindt het prima om afgedekt te worden met een paar milimeter grof zand.

Zonder water geen groei. De verhuizing van een droog zakje naar een vochtig bedje is voor veel zaden voldoende om wakker te worden. Teveel water is ook weer niet goed, want dan kan de boel gaan rotten. Goed vochtige grond bij het zaaien is meestal voldoende water om de zaden te laten ontkiemen. Water geven hoeft dan pas als de plantjes boven komen.  Kweekbakken binnen willen wel eens sneller uitdrogen; zeker als ze zoals bij ons boven de radiator staan. Een neveldouche om de twee à drie dagen is dan voldoende. Zorg wel voor ventilatie, anders gaat de boel schimmelen.

Houten kist met glasplaat: een effectieve propagator

Licht en warmte, dat verschilt nogal van plant tot plant. Koukleumen zoals tomaten, paprika’s en aubergines beginnen binnen op de vensterbank onder glas. Dan hebben ze het al snel warm genoeg om wakker te worden. Daarna is licht de grootste uitdaging. Pal voor het raam; bij voorkeur op het zuiden. Anders krijg je van die lange, iele zaailingen, die wanhopig groeien naar het licht en na twee weken moedeloos en verzwakt hun kopjes laten hangen.

Robuuster spul, zoals erwten, kan al in februari in de koude kas of onder glas. Een hoekje kippenvoer met capucijners, dat ik in januari in een hoekje van de kas bij wijze van experiment heb uitgestrooid onder een flinke mulch laag stro komt al prima boven.

Met een onverwarmde kas of koude bak kan je het zaaien dus flink vervroegen. Voor planten die wat vorst kunnen verdragen is dat prima te doen. Bij planten die minder vorst kunnen hebben bijft het gokken. Min twee of min drie gaan mijn extra vroege aardappels in de kas wel overleven. Bij min vier of vijf wordt dat al spannender. Afdekken met hooi of stro en hopen dat het geen min zeven wordt, is dan de strategie. Tot de ijsheiligen half mei vertrokken zijn blijft die kans op vorst aanwezig.

Extra vroege mobiele aardappels in de kas, hopen dat het niet te streng meer gaat vriezen

Het gros van de aardappels mag dus nog even wachten. Met twee a drie week gaan de vroege rassen de grond in. Begin april de late. Pompoenen, courgettes, bonen, komkommers, daarvoor is het allemaal nog veel te vroeg.

Maar voor het zelfde geld is het met een paar weken april. Dat weet je maar nooit. En misschien dat het daarna ook al weer snel mei is.

 

 

 

 

 

 

Rode poon

Rode poon. Foto: Vincent van Zeijst, CC-BY-SA 3.0

We wonen amper tien kilometer uit de kust en toch eten we amper vis. Verse vis en supermarkt heb ik in Nederland nooit met elkaar kunnen rijmen. Op zaterdagochtend knettert er “zoute en zure haring, vers gebakken kibbeling en schol” door de luidsprekers van een rondtrekkende viskar door het dorp. Nee, dank u. Ik ben net aan de koffie en verzonken in de krant.  Vis haal ik op de markt in Groningen en daar kom ik niet meer zo vaak. Vorige week wel. Rode poon werd het. Niet de meest duurzame keuze volgens de viswijzer, maar wel een lekkere.

De visboer haalt voor mij de ingewanden en kieuwen eruit. Ook de vinnen mogen er af. De rest gaat mee. Thuis snijd ik filets uit de poon. Fileermes even op het aanzetijzer en dan een snee achter de kop naar de graat, mes een kwartslag draaien en dan strak over de graat naar de staart. Ingewikkelder is het niet.

Wat gaan we doen met de filets? In de tuin staat nog een klein kropje groenlof; wilde uitlopers van een wortelstok waar ik al twee keer eerder een krop van af heb gehaald. Rauwe groenlof met appel en pompoenpit. Dressing van het nat van onze eigen augurken en honing met een beetje olijfolie uit de winkel. Lijkt me een prima bedje voor op de huid gebakken rode poon.

Geroosterde zonnebloempit met honing dip

Sinds een week zijn de aardappels uit de tuin op. Dan maar wat zilvervlies rijst erbij. Om het geheel een oosters tintje te geven maak ik nog een dip van geroosterde zonnebloempitten, waar ik een theelepel honing door roer met een beetje ketjap erover en dan serveren in een minikommetje. Ketjap… tja. Toch maar een keer investeren in een echt goede sojasaus. Zelf maken? Misschien ooit. Een halve appel over. Even choppen met die augurken van dat nat. Waarom ook niet. Ook in een minikommetje erbij.

Bouillon van kop en graat

Kop en graat… zonde om weg te doen. Ander half liter water koken; eetlepel Brettons zeezout erbij. Koppen en graat er in en een half uur later heb ik een bouillon. Niet vergeten het schuim er af te scheppen. Bouillon door een zeef; gedroogd rood pepertje erdoor. Preitje uit de tuin gevist. Ook erdoor. Soepje vooraf.

Filet op de huid

Dan de filets. Grilpan op het vuur; flinke klont boter laten smelten en dan de filets bakken. De dikke kant in het midden van de pan, waar het het heetst is. Dan gaart het iets gelijkmatiger. Eerst op de huid. Teentje knoflook er over en een beetje grof gemalen zwarte peper. Voor de lol nog een handje verse rozemarijn uit de tuin geplukt. Dat mag mee in de pan. Als de filets bijna gaar zijn nog even draaien. Beetje zout erop. Twee minuten om het af te bakken, op het bedje, paar druppen citroen en opdienen.

Daarbij dronken we een witte Portugese reserva uit de Douro met zes maanden eik. Ook niet verkeerd. De volgende keer iets met bijvangst. Voor de duurzaamheid.

 

Bowassie? Bokashi!

Gister waaide een nieuwe term mijn mailbox in. Bokashi. Of ik daar iets over kon schrijven. Prima, maar ik weet niet zoveel over bokashi en wat ik er van weet heb ik ook maar ergens opgescharreld. Ik maak het zelf niet. De vraag of het echt wonderen doet in de tuin, kan ik dus niet uit eerste hand beantwoorden.

Bokashi is hip en happening in de groene wereld. Het is een methode om groene reststromen te verwerken tot een natuurproduct dat de bodemvruchtbaarheid een boost geeft. Bokashi maak je in een luchtdichte emmer met een gistingsproces, dat lijkt op de manier waarop je zuurkool maakt.

Alle keuken en etensrestjes gaan met een speciaal mengsel van “effectieve micro-organismen” in een afsluitbare bak. In deze zuurstofloze omgeving vindt een gistingsproces plaats, waarbij de koolhydraten uit het keukenafval omgezet worden in melkzuur. De zure brij die zo ontstaat zou bijzonder heilzaam voor het bodemleven zijn en wordt uitgespreid tussen de planten of ondergewerkt in de bodem.

In de bodem wordt de bokashi door het bodemleven omgezet in humus. De bokashi is dus een soort tussenstap in de afbraakcyclus van energierijk organisch materiaal. Wormen schijnen er gek op te zijn.

Bokashi is dus iets anders dan compost. Bij compost is de omzetting van het organisch materiaal veel verder gevorderd en is het eindproduct een relatief stabiele vorm van humus. Ook lekker voor het bodemleven, maar niet per se het favoriete kostje van iedere regenworm.

Zelf zal ik niet snel aan de bokashi beginnen. Koolhydraatrijke keukenrestjes gaan bij ons naar de kippen. Deze zetten de restjes om in een krachtige mest, gezelligheid en eieren. Wat niet naar de kippen of konijnen gaat composteren we in een VAM-compostvat.

Composteren is in dit geval een groot woord. Het VAM-vat is de plaats voor een min of meer gecontroleerd rottingsproces dat soms richting een groot wormenhotel gaat en soms meer weg heeft van klassiek composteren. Heel soms gaat het mis. Dan ontstaat zuurstofloze rotting.

Met dat laatste ben ik  meestal niet zo blij. Rotten zonder zuurstof geeft potentieel bijzonder akelige bijproducten zoals methaan, amoniak en zwavelzuurachtige verbindingen. Niet zo fris en zeker niet iets wat zonder meer het bodemleven tot grote bloei brengt. Ongecontroleerde anaerobe rotting is precies hetgeen waar je voor op je hoede bent bij het composteren.  Daarom moet een composthoop met enige regelmaat omgekeerd worden; op die manier komt er weer zuurstof in de hoop.

Terug naar de bokashi. Wat mijn natuurlijke argwaan wekt is dat het alleen schijnt te werken als er iets uit een duur flesje bij gaat. Want zonder een preparaat van effectieve micro-organismen gaat het blijkbaar niet. Op zich is dat niet raar. In een luchtdichte afgesloten container krijg je een micro-organismen orgie van de gasten die toevallig op de afvalresten zijn beland en dan is het maar net de vraag wie ongecontroleerd de overhand krijgt. Daar kunnen best rare jongens tussen zitten. Een preparaat met de gewenste organismen helpt om de race bij voorbaat te winnen.

De bokashi starters die ik tegen kom bestaan meestal uit met  melkzuurbacteriën geïmpregneerde tarwezemelen. Misschien dat een zakje havermout en een scheutje biologische karnemelk hetzelfde doet. Wellicht een leuk experiment als je geen ruimte hebt voor een kippenhok en composthoop. Als je die ruimte wel hebt lijkt me het gedoe van bokashi niet opwegen tegen de gezelligheid een paar scharrelende kippen en het genot van een vers geraapt ei.

Bij één van de claims die ik rond bokashi aantref heb ik zo mijn vraagtekens. Bokashi produceert geen CO2 in tegenstelling tot composteren. Amahoela denk ik dan. De prut gaat na het fermentatieproces alsnog de tuin in, waar het bodemleven het uiteindelijk omzet in humus en … CO2.

Alles bij elkaar denk ik dat bokashi een mooie techniek kan zijn voor de klein behuisde medemens die bewust aan de slag wil met zijn groene reststroom. Een wormenhotel kan dan natuurlijk ook. Of stiekem toch twee minikippetjes.

 

 

 

Kas in de wind

e

We hebben de storm weer overleefd. Sinds de kas in de tuin staat, wordt ik wat nerveus van alles boven windkracht zeven. Stormen weten namelijk haarfijn de vinger achter ontwerpfouten, achterstallig onderhoud en achteloos rondslingerende voorwerpen te krijgen.

De storm van afgelopen weekend was nummer acht sinds de bouw van de kas in de zomers van 2013. Het was mijn eerste wat grotere bouwproject. Ik heb lang over het ontwerp nagedacht. De afmetingen en locatie stonden vast: een hoek van drie bij zeven meter schuin achter de schuur, waar de vorige eigenaren van ons huis alvast de  fundamenten voor een nooit voltooid project hadden gestort. Om vergunningsvrij te bouwen ligt de nokhoogte beneden de drie meter.

Met die afmetingen in mijn hoofd zocht ik naar een mooi en functioneel ontwerp. Het werd een dubbele gebroken kap, een variant op wat in bouwtermen wel een mansardedak wordt genoemd. Waarom er per se een dubbele knik in moest weet ik niet meer. Het zal wel voor de mooi geweest zijn in combinatie met de architectuur van onze woning. Achteraf kwam ik nog iets tegen over ideale hellingshoeken van het glas ten opzichte van de zon. Twee rechte wandjes en een zadeldak was een stuk praktische geweest, maar het oog wil ook wat.

De bouw van de kas in 2013

Met die dubbele knik leek het me geen goed idee de stijlen het hele gewicht van de kas te laten dragen. De stijlen zijn daarom over een houten geraamte gelegd, dat het gewicht verdeeld en de windbelasting opvangt. Dit geraamte is opgebouwd uit verlijmde panlatten, die op de hoekverbindingen precies in elkaar grijpen. Om de windbelasting op de kopse kant op te vangen heb ik enkele schoren van staaldraad aangebracht.

De hardhouten stijlen en het glas wist ik bij een kweker in de buurt voor een schappelijke prijs op de kop te tikken. De belangrijkste tip die ik van hem meekreeg: zorg dat het glas los in de sponningen zit. Er zit altijd wel iets beweging in zo’n kas en als het glas niet mee kan bewegen gaat het barsten.

Andere wijsheid: zorg dat bij harde wind een raam op een kier staat, zodat je bij een stevige windvlaag een niet te groot verschil in luchtdruk tussen buiten en binnen de kas krijgt. Derde tip: zorg voor voldoende luchtramen, zodat je een overschot aan warme in de zomer kwijt kan. Die tip heb ik iets te grondig ter harte genomen. De acht luchtramen uit mijn oorspronkelijk ontwerp zijn er zeker vier te veel. Bovendien bleken juist die luchtramen een slecht doordacht onderdeel van mijn ontwerp.

Begin oktober 2013 had ik ze eindelijk alle acht er in en was de kas klaar. De zware storm van 28 oktober 2013 blies ze er net zo hard weer uit. En sindsdien blijft het klooien met die luchtramen. Elke storm sneuvelt er wel wat en elk voorjaar repareer ik de boel weer. Soms provisorisch, soms wat grondiger, maar uiteindelijk blijft het geklooi. Een paar weken geleden heb ik nog drie luchtramen vervangen door vaste ruiten. Deze hebben de afgelopen storm glansrijk doorstaan, net als de rest van de kas.

Het basisontwerp is robuust en flexbel genoeg. Tijdens menig windvlaag zag ik mijn mansardekap meegolven met de wind. Niet gek voor een eerste bouwproject, dat hoofdzakelijk uit hergebruikte materialen is opgetrokken. Wat ook helpt is dat we redelijk in de luwte staan voor alles wat uit het zuidwesten komt. Bij een noordwester krijgen we echter de volle lading.

Bij de bouw hield ik rekening met een levenduur van minimaal tien jaar. Nu hoop ik dat ik de kas in zijn huidige staat nog twee jaar vooruit kan. Het hout van de stijlen gaan sneller achteruit dan ik had gehoopt. In de winter vangt de kas veel schaduw en krijgt het hout amper de kans te drogen. Het panlatten geraamte aan de binnenkant houdt zich aardig. Behalve waar het veel gelekt heeft en dat is precies op de plek van al die ellendige luchtramen.

 

Lappenmand met honing

Yvet’s honing

Vanwege ronddwalende verkoudheden, kuchen, rochels en ander ongemak houden we het deze week kort. We zitten in de lappenmand. Kopjes tijmthee en theelepels honing, een half ui naast het bed, een extra portie zuurkool voor de vitamine c en dan snel weer onder de wol.

Honing helpt vanwege de anti-bacteriële eigenschappen van honing. Deze verdwijnen echter als je de honing te veel verhit, zoals een in gloeiendhete thee. De anti-bacteriële eigenschappen komen van enzymen en deze enzymen vallen uit elkaar als je ze verhit.

Daarom is honing rechtstreeks van de imker het best. Deze is niet gepasteuriseerd of aangelengd met suikerwater en bevat daarom precies de heilzame eigenschappen waar de snotterende mens naar op zoek is.

Nu ben ik gezegend met een imkerende echtgenote en een imkerende vader, en op die manier verzekerd van een stabiele toegang tot eerste klas honing. Heb je dat geluk niet, stap dan eens op de fiets en bel aan bij een huis waar zo’n bordje met de boodschap “honing te koop, rechtstreeks van de imker” aan de deur hangt.