Voedsel van morgen

Bordje bodemvruchtbaarheid van organische oorsprong, lekker en voedzaam

Wat ligt er in 2050 op je bord? Waar komt dit voedsel vandaan? En hoe wordt het gemaakt? Over deze drie vragen gaat het in de tentoonstelling Voedsel van morgen, die van 10 juli tot en met 6 oktober 2019 in wetenschapsmuseum NEMO in Amsterdam te zien is.

Voor mij is het antwoord op deze vragen vrij simpel. In 2050 eet ik gebakken aardappels met tijm, ui en knoflook, een salade van tomaat en komkommer met een ommelet van shiitakes en scharrelkippenei. Al dit voedsel komt uit mijn achtertuin. Hoe dit voedsel gemaakt wordt kan iedereen lezen op dit blog. Wie echt heel nieuwsgierig is mag langskomen om het zelf te zien. De entree is gratis.

Omdat ik de antwoorden al weet, hoef ik niet naar de tentoonstelling in NEMO in Amsterdam. Dat is jammer, want NEMO is over het algemeen een leuk museum om met je kinderen in rond te dwalen. Bij de uitnodigende tekst van deze tentoonstelling vraag ik me af of dit wel zo geschikt is voor kinderen. Ik geef toe, op de kermis is er ook een spookhuis en dat is best lachen, maar om mijn kinderen nu de stuipen op het lijf te jagen met een toekomst die bestaat uit plofinsekten, hamburgers uit kweekvlees en voedselpoeder op basis van je DNA-profiel…

Ik vind plofkippen moreel verwerpelijk, dus ik zou niet weten waarom we als mensheid hetzelfde geintje met insekten zouden moeten uithalen. De ontwikkeling van kweekvlees lijkt met het ideale pad om nog meer macht over ons voedselsysteem in de handen van een kleine groep multinationals te leggen. U weet wel, die vriendelijke firma’s die met hun dodelijke cocktail van gif, GMO en monocultuur aan de wieg staan van het instorten van complete ecosystemen en de massale uitroeiing van insekten, oftewel het ecologisch armageddon. Bovendien is mijn DNA-profiel privee. Dat ga ik niet delen met het agrochemofarma-industrieel complex.

Het klinkt misschien nog ver weg, maar met een groeiende wereldbevolking moeten we goed nadenken hoe we in de toekomst ons voedsel verbouwen… lees ik verderop in de tekst over de tentoonstelling. Dat is natuurlijk een waarheid als een koe. Het is belangrijk dat we goed nadenken over hoe we ons voedsel verbouwen. Dat is precies de reden dat ik hier elke week met veel plezier een stukje tik om te laten zien hoe je haan uit de achtertuin kan eten in plaats van hamburgers uit de fast food-industrie.

Er is een groep mensen, die denken dat we de wereld gaan voeden door ons voedsel te vertechnologiseren. Deze stroming noemen we ook wel de ecomodernisten. Ecomodernisten geloven dat technologie de oplossing is voor de ecologische vraagstukken van de mensheid. Ze verzinnen dan een zeecontainer volgestouwd met led-lampen, computers, sensoren en zonnecellen om een paar blaadjes sla mee te produceren. Ik denk dan: zoek een paar onderbenutte vierkante meters aarde, composteer een berg herfstbladeren en plant die sla met zijn voetjes in de grond en zijn kroppie in het zonnetje.

De mensheid kan zichzelf met gemak voeden in 2050. Niet door technologisch fata morgana’s na te jagen of door massaal over te stappen op een veganistisch dieet. Om de mensheid te voeden heb je een vruchtbare bodem nodig. De kern van ieder voedselvraagstuk is: hoe kan je oogsten zonder de vruchtbaarheid van de bodem uit te putten?  Zoals de uitvinder van het moderne composteringsproces Sir Albert Howard in zijn klassieker An Agricultural Testament al aantoonde komt het antwoord op die vraag uit het achtereind van een koe. Zonder dieren gaan we het niet redden en vooral niet zonder de stront, die aan de basis ligt van elke bodemvruchtbaarheid.

Wordt vervolgd…

 

 

 

Courgette

Dorstige courgette

Courgettes, ik ben er nooit fan van geweest. Ze doen het leuk in de moestuin. Makkelijke plant, prima opbrengst. Maar de smaak… het is vlak, groenterig, onuitgesproken. Niet iets wat mij in de keuken tot grootse dingen brengt. Ik moffel ze altijd een beetje weg; licht gebakken tussen de aardappels, in blokjes door de spaghettisaus; in de wok door de nasi. Zelden in de hoofdrol en nooit echt briljant. In dunne plakken uit de grilpan vind ik ze jong geplukt nog wel een aardige bijgerecht. Die doorgeschoten courgettes zijn het ergste. Vergeet je er een te plukken en een paar dagen later hangt er een knoepert van één of twee kilo aan de plant.

Gister had ik er zo een. Te groot om weg te moffelen. Het werd uiteindelijk een courgettepuree met kaas uit de oven.

Courgettepuree au gratin

Recept courgettepuree au gratin

Ingrediënten

  • een courgette van ongeveer 1 kg
  • een paar uien
  • twee teentjes knoflook
  • scheutje olijfolie
  • een theelepel specerijenmengsel
  • hand vol verse munt
  • scheutje witte wijn (ik gebruikte een restje zoete Canei-rommel die om onverklaarbare redenen in onze koelkast was beland)
  • twee beschuiten
  • flink wat geraspte oude kaas
  • geraspte schil van één citroen
  • peper en zout

Bereiding

De uien en knoflook snijden en fruiten. De courgette in blokjes en met de ui, knoflook en wijn gaar koken. Specerijen erbij en het geheel laten pruttelen tot het grootste deel van het vocht verdampt is en daarna pureren. De beschuiten er door kruimelen,  de munt hakken en citroenschil raspen en met driekwart van de kaas door de puree mengen. Op smaak brengen met peper en zout. Verdeel de puree in ovenvaste schaaltjes en strooi de rest van de kaas hier over. Zet de schaaltjes puree ongeveer 20 minuten op 180°C onder de gril, zodat ze een knapperig kaaskorstje krijgen.

Serveren met een simpele witte wijn, komkommersalade uit eigen kas en gebakken minikriel met verse tuinboontjes en ui uit de tuin (de tuinboontjes 5 minuten blancheren en daarna meebakken).

Winterkost

Zaailingen van de Russian Red Kale

De zomer is begonnen, dus is het de hoogste tijd om ons met de winterkost bezig te houden. Begin juli zitten we op het randje van het oogst- en inmaakseizoen. De eerste komkommers en courgettes zijn klaar. We eten al een maand vroege aardappelen en de knoflook is uit de grond. Dat betekent dat er her en der wat lege plekken in de moestuin ontstaan. Die plekken vullen we met winterkost: andijvie en boerenkool. Deze heb ik net voor de langste dag gezaaid. In deze periode van het jaar knallen planten de grond uit. Het is warm; het is lang licht; dit is het moment om te groeien. De andijvie kunnen we in de herfst eten. De boerenkool houdt het met een beetje mazzel tot diep in het voorjaar vol.

Het is een bijzonder ras boerenkool. Russian Red Kale stond er bij in de zaadgidsGroenten met een vleugje Oostblok in de naam zijn voor mij onweerstaanbaar. Sovietstamp met saucisse klinkt toch net wat stoerder dan boerenkool met worst. Russian Red Kale is eigenlijk geen boerenkool, maar een bladkool. Goed winterhard en prima in de stamppot of in een stevige rauwkostsalade.

Met de seizoenen meeëten uit de moestuin is vooral ook een of twee seizoenen vooruit denken. De komende weken begint het inmaak seizoen. Zo’n twee keer per week sta ik dan boven dampende potten kilo’s augurken en ander spul weg te werken. Tijd om het glaswerk eens na te lopen, te sorteren en beschadigde deksels te vervangen. Dat glaswerk bestaat hergebruikte groentepotten en deksels. Een pot kan een levenlang mee. De schroefdeksels houden het een jaar of drie vol. Daarna gaan ze roesten en sluiten ze niet meer goed af. We gebruiken ook veel weckflessen. Die gaan generaties lang mee en hebben alleen van tijd tot tijd een nieuwe afsluitring nodig. Ik kan geen kringloopwinkel inlopen zonder met één of twee weckflessen weer buiten te komen.

De aardappelen voor komende winter staan in bloei. Zolang er geen ziektes in zitten mogen die nog een tijdje in de grond blijven. Het zijn late aardappels van de rassen Sarpo Myra en Sevilla. Deze rassen zijn goed resistent tegen de gevreesde aardappelziekte phytophthora, die vooral bij de combinatie van warmte en vochtig weer de kop op steekt. Opletten dus, de komende weken.

 

 

 

 

Airco

Bij mijn buurman in de tuin staan dag en nacht tien airco’s aan. Gelukkig lopen ze niet op stroom, maar op regenwater, mineralen en koolstofdioxide. Eigenlijk zijn het er ook geen tien, maar is het één hele grote. Het is een onderhoudsarm model dat erg lang meegaat; drie honderd jaar of langer is geen uitzondering. Aan het eind van zijn leven is het apparaat ook nog eens om te bouwen tot nachtkastje, barkruk of bezemsteel.  Ze zijn bovendien in heel veel merken en modellen beschikbaar. De buren hebben er een van het merk Es.

Bij elke hittegolf komt het verhaal van de boom en de tien airco’s weer te voorschijn. Bomen koelen actief door de verdamping in de bladeren. Bovendien geven ze schaduw en slaan ze de warmte niet op, zoals beton, steen en asfalt dat wel doen. Het verschil tussen een tegelpad en een stukje groen is na zonsondergang al snel 5°C.

Veel mensen vinden bomen in de tuin van de buren lastig. Er zit bijvoorbeeld geen uitknop op een boom en die heb je op een airco wel. Die schaduw heb je de hele zomer, dus ook als er even geen hittegolf is, maar een periode van intens trieste druilerigheid. Bovendien geven bomen rommel. Ze trekken vogels aan, die de boel onderschijten en iedere herfst weer drapperen ze een heel pakket blaadjes in de tuin.  Prima spul om te composteren, om als mulchlaag te gebruiken of om bladaarde van te maken.

Ik moet toegeven: de es in de tuin van de buren is enorm. Onze kas staat schuin onder deze gigant en in een slechte zomer hoor ik de tomaten wel eens klagen over een gebrek aan zon. Als het stormt hoop ik dat er niets groter dan een bezemsteel naar beneden komt zeilen. Tot nu toe is dat altijd goed gegaan. Twee jaar geleden heeft een boomwerker de kruin verzorgd en een anker geplaatst. Als één van de stammen gaat, vangt de ander hem op.  De es kan weer jaren mee. Dat is maar goed ook, want de soort heeft het zwaar. Door een schimmelziekte verdwijnen er steeds meer essen uit het landschap.

Zonde, want de es hoort bij het cultuurlandschap. Er zijn ongeveer 100 planten, mossen en inspectensoorten specifiek afhankelijk van de es lees ik in een publicatie van de WUR. Van oudsher wordt het veerkrachtige hout van de es vooral gebruikt voor stelen van gereedschap en meubels. Ik heb eens een kaasschaaf en een stamppotstamper gerepareert met een stuk essentak. Werkt als een tierelier. Ook als airco zijn ze dus onovertroffen. Laat die hittegolf maar komen…

 

 

Ranja

Grenadine Jonkheer van Tets

De rode bessen zijn klaar. Dat wil zeggen, wat er van over is. Een flink deel is achterover gedrukt door onze gevederde vrienden. Bij de rode bessen maak ik me daar nooit zo druk over. Ik ben nooit zo’n fan van rode bessen geweest. Een handje vol door de yoghurt is leuk, maar daar krijg ik een halve emmer niet mee weg. Je kan er wijn van maken, maar die wordt over het algemeen te zuur. Op sterk water zetten geeft op zich een prima bessenlikeur, die echter wat bleekjes afsteekt bij de variant met bramen. Ik kan er natuurlijk ook iets non-alcoholisch van maken, bedacht ik, terwijl ik de bessen aan het ritsen was en de kinderen om ranja vroegen. Rode bessen ranja. Met lekker veel suiker. Deze ranja kan je natuur ook prima aan volwassenen schenken. Dan noem je het alleen geen ranja, maar Grenadine Jonkheer van Tets, naar een veel voorkomend aalbessenras. Voor het theatraal effect zeg maar.

Recept rode bessen ranja

Het recept is simpel: kook de gewassen en geritste bessen in een verhouding van twee delen bessen op één deel suiker en één deel water tot moes en druk het geheel door een fijne zeef.  Het resultaat is een rode bessen siroop die naar smaak met water is aan te lengen tot een eerste klas ranja.

Deze ranja is volgens mijn zoon 25% lekkerder dan gewone ranja. Hij kan het weten. De eerste karaf was in 5 minuten leeg.

 

 

 

Wind

Afgelopen zaterdag belandden we onderweg naar vrienden die vlak over de Duitse grens wonen in een kleine zandstorm. We hadden amper de Dollard-klei achter ons gelaten of de horizon kleurde roestbruin. Een straffe wind blies de aarde van de akkers, die uitgedroogd en van hun humus beroofd weinig weerstand konden bieden tegen de kracht van de natuur. Een triest gezicht. Het deed me denken aan de Dust Bowl, de verwoestende stofstormen, die de uitgedroogde prairiegronden van de VS in de jaren 30 van de vorige eeuw teisterden.

In Nederland zijn vooral de veenkoloniale zandgronden gevoelig voor winderosie. Onze dust bowl ligt in de driehoek Hoogezand – Oude Pekela – Emmen. De bodem in dit gebied bestaat uit de arme zandgrond die achter bleef nadat de veenlaag was afgegraven. De grond is arm aan humus, mede door intensief gebruik van kunstmest. Er worden veel fabrieksaardappelen geteeld, die in de fabrieken van Foxhol, Gasselternijveen en Ter Apelkanaal worden omgezet in  aardappelzetmeel.

Aardappelzetmeel is het belangrijkste ingrediënt van mostersoep. Maar niet alleen daarvan. Ook van vleesjus, spaghettisaus, champignonesoep en kip tandori. Dat wil zeggen, als je de ingrediëntenlijst van zetmeel- en zoutmenger Knorr er bij neemt.

Zo’n zakje aardappelzetmeelsaus kost per kilo 28 euro en 37 cent bij de Appie. Ter vergelijking: een kilo biologisch biefstuk kost bij dezelfde grootgrutter 26 euro en 99 cent. Ik vind dat hele dure aardappelmeel. Knorr is onderdeel van Unilever, een gezellige en kneiter duurzame multinational die met één sms-je onze premier zo ver kreeg de dividendbelasting af te schaffen. Ze hebben een duurzaamheidscode laten ontwikkelen door de boefjes van Landbouwuniversiteit Wageningen. In die code lees ik op zeven:

 Zorg voor de grond: Een gezonde bodem is letterlijk en figuurlijk een ‘grondprincipe’. Wij vragen van de voor Knorr werkende boeren een duurzaam bodembeheer en aandacht voor natuurbehoud om ook in de toekomst bodemgezondheid te behouden. Want een goed bodembeheer draagt bij aan kwalitatief betere en grotere oogsten.

Dat klinkt natuurlijk prachtig. Ik vraag me alleen af wat dat precies betekent, terwijl ik in de auto zit en om mij heen per hectare tussen de 5 en 50 ton teelaarde door de lucht vliegt.

 

Burrito’s

Elke maand eten we één keer burrito’s. Dat is op de zaterdag dat we onze maandelijks bestelling van drie biologische kippen bij de boer halen. De kippen gaan in stukken in de vriezer. Van de karkassen trek ik bouillon. Na een half uur koken haal ik de karkassen uit de pan en pluk alle resten vlees van de botten. Dat is voldoende om met zijn vieren twee keer ruim van te eten. Deze gekookte kipsnippers laten zich uitstekend opbakken met een uitje, wat bonen, kikkererwten of rijst. Ik breng het op smaak met mijn vers gemalen specerijenmengsel en heb dan de vulling voor een heerlijke burrito. Om een eersteklas vulling gaat natuurlijk geen bordkartonnen wrap van de appie. De tortilla’s bakken we zelf. Dat is niet moeilijk, maar het vraagt wel wat handigheid. Hoe vaker je ze bakt,  hoe handiger je wordt.

Ik vraag me wel eens af wat de mensheid bezielt om 1 euro 79 neer te tikken voor een inferieur industriëel deeglapje, dat stijf staat van de E-nummers, terwijl je met basale ingrediënten en een beetje moeite voor minder dan vier duppies in je eigen keuken een veruit superieure versie kan maken.

Zo werkt het:

Basisrecept tortilla’s (voor 6 stuks)

Ingrediënten

  • 400 gram bloem
  • een scheutje zonnebloemolie
  • 290 gram  warm water
  • een snufje zout
  • een theelepel gist

Bereiding

Kneedt met de hand of de machine de ingrediënten tot een soepel deeg . Gebruik goed warm water, dan rijst het deeg beter en wordt de tortilla lekker luchtig. Laat het deeg even staan. Tien minuten is prima. Langer mag ook. Bestrooi je werkblad en handen licht met bloem. Pak een stuk deeg, rol hier een soepel balletje van, dat je plat drukt op het werkblad. Rol dit met een deegroller uit tot een tortilla van de gewenste omvang. Keer tijdens het uitrollen de tortilla een paar keer om op je werkblad. Daarmee voorkom je dat hij aan het blad vast gaat plakken en wordt de tortilla gelijkmatiger van dikte.

Verhit ondertussen je favoriete koekenpan op een flink vuur. Gebruik eventueel een klein scheutje zonnebloemolie om de tortilla in te bakken. Bak de tortilla aan beide zijden in ongeveer een minuut gaar. Rol in de tussentijd de tweede tortilla uit. Zo bak je in ongeveer een kwartier een stapel van zes overheerlijke tortilla’s.

Grondcontact

Met blote handen een kuiltje graven in kruimige aarde. Humus ruiken. Goed opletten. Mijten, wormpjes en ander minuscuul bodemleven zien. Voelen hoe de aarde door de handen glipt. Grondcontact; daar wordt een mens gelukkig van.

De bodem leeft. Dit leven bestaat uit een gigantisch web van elkaar voedende organismen. Het begint met organisch materiaal, dat door bacteriën en schimmels verder wordt afgebroken. De schimmels en bacteriën worden belaagd door protozoën, nematoden, arthropoden en andere micro-organismen, die op hun beurt weer voer zijn voor steeds grotere wezens, zoals oorwurmen, duizendpoten en regenwormen.

Dit gigantisch ondergronds web zet organisch materiaal om in vruchtbaarheid: de afbraak van organisch materiaal zorgt er voor dat de mineralen die daarin vastgelegd zijn weer beschikbaar komen voor de wortels van planten. Humus zorgt voor een betere structuur van de grond en houdt vocht vast. De gangenstelsels van wormen zorgen er voor dat de bodem kan ademen en regenwater in de bodem kan infiltreren.

In dat ondergronds web leeft ook de Mycobacterium Vaccae. Onderzoekers van de Universiteit van Bristol onderzochten het effect van deze bacterie op muizen. Wat bleek? De bacterie maakt gelukkig. Muizen die in aanraking kwamen met de bacterie bleken extra serotonine aan te maken. Daardoor konden ze sneller en met minder stress door een doolhof rennen. Onbezorgd door een doolhof rennen is kennelijk alles wat een muis nodig heeft om gelukkig te zijn.

De ontdekking van het serotonine verhogend effect van Mycobacterium Vaccae levert meteen het wetenschappelijke bewijs dat tuinieren gelukkig maakt. Door flink met je handen in de aarde te wroeten snuif je een flinke dosis Mycobacterium Vaccae op en heb je je natuurlijke portie antidepressiva weer binnen.  Of het waar is? Ik weet het niet. Het is in ieder geval een mooi verhaal.

Aanstaande donderdag is het hemelvaartsdag. De dorpsvereniging van Westeremden organiseert dan een open tuinen middag. Wij doen ook mee. Tussen 14.00 en 16.00 uur is onze tuin open voor gelukszoekers.  U bent van harte welkom.

 

 

 

Wakker worden!

In gesprek met minister Wiebes, foto (c) Hollandse Hoogte

Het liedje “Wakker worden!” van Jochem Myjer is bij onze kinderen een grote hit. Als papa en mama te lang in bed liggen, stormen ze de kamer binnen en roepen ze heel hard: “Wakker worden, wakker worden, wakker worden, tjik tjik!” Vanochtend was dat niet nodig. We werden om zes uur wakker van een aardbeving van 3.4 op de schaal van Richter. Het epicentrum lag vier kilometer verderop in het dorpje Westerwijtwerd. In Groningen zijn we al jaren wakker. Nachten lang soms. Terwijl Groningen ontwaakt met de zoveelste aardbeving probeert Den Haag ons in slaap te sussen met papieren beloftes. We gaan jullie schade vergoeden. Ooit. We gaan jullie huizen versterken. Ooit. We gaan een parlementaire enquête houden. Ooit. Jullie krijgen een zak met geld om het gebied weer leefbaar te maken. Ooit. We compenseren de waardedaling van jullie woningen. Ooit.

Groningen heeft geleerd wat de waarde is van Haagse beloften. Niets. De nieuwe aanpak van de schadevergoeding zit muur vast. De versterkingsoperatie ligt stil. De parlementaire enquête is op de lange baan geschoven. De zak geld voor leefbaarheid zit stevig in de handen van lokale bureaucraten en daar is voor burgerinitiatieven in het getroffen gebied maar moeizaam iets uit los te peuteren.

Veiligheid voorop en de gaskraan gaat dicht, dus kan het met de versterking wel een onsje minder, riep minister Wiebes na de beving in Zeerijp. Anderhalf jaar later staat de gaskraan nog steeds ver open, beeft de aarde even hard en is er geen huis veiliger geworden. Dat is hoe de zaken er daadwerkelijk voor staan in Groningen. Wie gelooft dat in Groningen de problemen zijn opgelost mag rustig verder slapen en hopen nooit in dezelfde nachtmerrie wakker te worden.

In Groningen vertrouwen we de overheid niet meer. Te vaak zijn beloften niet nagekomen. Te veel mensen zijn vermalen tussen de bureaucratische molens van de tientallen instanties die zich met schadeherstel en de versterking van huizen bemoeien. Te veel mensen leven in angst.

Niemand in Groningen zal beweren dat er simpele oplossingen zijn. Een overheid die het vertrouwen van haar burgers verliest, verliest ook het vermogen om met diezelfde burgers tot oplossingen te komen. De problemen in Groningen gaan allang niet meer over veilig wonen en versterking van huizen. De onwil en het onvermogen van de overheid om tot een oplossing te komen vormt inmiddels de kern van het probleem. Bij ieder debat over de gaswinning volhardt politiek Den Haag in haar geloof in een papier werkelijkheid en schijnoplossingen voor Groningen. Dringende adviezen, brandbrieven en noodkreten van burgers en bestuurders uit Groningen verdwijnen steevast in de Haagse mist.

Zonder publieke verantwoording komt er geen oplossing voor Groningen, schreef ik afgelopen januari in een opiniebijdrage voor de Volkskrant. Publieke verantwoording raakt het hart van onze democratie. Tot nu toe krijgen opeenvolgende kabinetten de politieke ruimte om ieder jaar een nieuw hoofdstuk aan de ellende in Groningen toe te voegen. Zelfs het zwaarste instrument voor publieke verantwoording, de parlementaire enquête, is naar de toekomst weg gemanoeuvreerd. Een minister of staatssecretaris die het vertrouwen van de Kamer verliest stapt op. Wat gedoe rond een lijstje met cijfers kan daarvoor voldoende zijn, bleek deze week. Politiek is er maar één antwoord mogelijk op de vertrouwenscrisis in Groningen en dat is een brief van de minster-president aan zijne majesteit de Koning. Pas dan geloof ik dat Den Haag echt wakker is geworden en bereid is de politieke verantwoording te nemen voor de ellende die mij om zes uur ’s ochtends met grof geweld het bed uit schudt.

Postscriptum

Dit stuk heb ik woensdagochtend na de beving van Westerwijtwerd geschreven en aangeboden aan de opinieredactie van de Volkskrant. Die besloot het stuk niet te plaatsen. Een dag later trof ik Wiebes in Westerwijtwerd en was ik in de gelegenheid kort met hem van gedachten te wisselen. De strekking van mijn verhaal was hetzelfde: minister, stap op, u bent niet meer geloofwaardig. Voor iedereen is dat beter. Dit moment werd door een fotograaf van Hollandse Hoogte vastgelegd en door de Telegraaf gebruikt als foto bij het artikel Wiebes onder vuur na bagatelliseren aardbeving. Het lijkt me niet onredelijk de persfoto, waarvan ik niet de auteursrechten bezit, op deze wijze van de juiste context te voorzien.

Slakken en ziekten

Als ik te veel heb lopen klooien met mijn telefoon of een ander slim aparaat en hij doet het opeens niet meer, dan bestaat er een noodknop. Deze heet “terugzetten naar de fabrieksinstellingen.” Gebruik die knop en het aparaat wordt weer zoals onze lieve Heer in China of Californië het aparaat bedoeld heeft.

Ook de natuur heeft deze noodknop en daar heet die “de slak”. Slakken en andere opruimers ruimen rommel op, zoals verkeerd geïnstalleerde pompoenplantjes, niet afgeharde slaplantjes, te bleke boontjes en door de kou depressieve aubergineplantjes. Ze werken 24/7 om alle fouten die ik maak te corrigeren. Ook en vooral als ik daar niet om gevraagd heb. Als dank voor hun goede diensten voer ik ze graag aan de kippen.

Gezonde groei is de uitgangspositie van de natuur. Als er iets mis is komt dat meestal omdat er een mens aan heeft lopen kloten. Ik probeer er van te leren als de slakken mij op mijn fouten wijzen en in dat leerproces sneuvelt nog wel eens een plant. Heel soms strooi ik nog wat biologische slakkenkorrels. Dat voelt als een soort noodkreet: laat me nog even zelf wat klooien voordat we teruggaan naar de fabrieksinstellingen.

Nectria Galligena

Een gesneuvelde pompoen is klein moestuin leed. Een appelboompje met vruchtboomkanker doet echt pijn. Afgelopen week trof ik in onze fruithaag een boompje aan met deze gevreesde zwamziekte, die in het Latijn Nectria Galligena heet. De directe ooorzaak is infectie van een beschadiging aan de bast door sporen van de zwam. Deze beschadigingen kunnen optreden door snoeien, hagel, bloedluis, schurende takken, binddraden, etc. Het is een wond- en zwakteparasiet, die vooral toeslaat als bomen om de een of andere reden verzwakt zijn. Het ene ras is er meer vatbaar voor dan het andere. De kwaliteit van de grond speelt een rol, overmatige stikstofbemesting ook.

Wat heb ik fout gedaan? Om te beginnen deugt het concept van de fruithaag met in palmet en waaier gesnoeide boompjes natuurlijk niet. Bomen leiden veroorzaakt stress bij de planten. Ze groeien ingesnoerd aan draden en bamboestokken en kunnen zo niet de optimale groei zoeken die ze van nature willen. De beschadiging is waarschijnlijk ontstaan door het schuren van een van de binddraden. Daar begint de ellende, met de tuinier die de natuur zijn wil op wil leggen. Naast deze stress hebben we vorig jaar nogal een extreem jaar gehad qua droogte en natheid. Meer extremen is meer stress. De keuze voor het ras valt ook wat ongelukkig uit. Het is een Brabantse Bellefleur en die is volgens de literatuur wat meer gevoelig voor Nectria Galligena, vooral op de kleigrond waar wij op tuinieren. De fruitbomen krijgen ruim compost en mulch om de structuur van de grond te verbeteren, maar dit is op klei een proces van lange adem. De schep verteerde potstalmest in het najaar was waarschijnlijk te veel stikstof. Kortom: een optelsom van foutjes, ongelukkige keuzes, omstandigheden en tuinieren tegen de natuur in.

Behandeling

Brabantse Bellefleur met wondbalsem

Dat was de diagnose. Nu de behandeling. De infectie zat midden op de stam, net na de tweede “etage” zijtakken van de palmet en zat bijna helemaal rondom de stam. Als de infectie helemaal rondom de stam zit, dan wordt de sapstroom doorbroken en sterft alles boven de geïnfecteerde ring af. Ingrijpen dus, met het risico driekwart van het boompje te verliezen. Met een scherp mes heb ik de infectie tot op het gezonde kernhout weggesneden. Het minst geinfecteerde deel heb ik laten zitten om een sapstroom naar de rest van het boompje over te houden. Helemaal gezond was het niet, maar het was kiezen voor het minst kwade. Dergelijke drastische ingrepen doe je normaal als de plant in rust is, dus in het najaar of de winter. Naar mijn inschatting hadden we deze tijd nu niet. De snoeiwond heb ik afgedekt met een geimproviseerde wondbalsem.

Boombalsem

Deze balsem heb ik gemaakt door ongeveer vier delen gesmolten bijenwas op een deel zonnebloemolie te mengen. De was sluit wond goed af en heeft van nature een zuiverende en desinfecterende werking. De olie is om het geheel iets smeerbaarder te maken. In gangbare boomwondbalsem recepten kom je naast was terpentine, hars en pek tegen. In plaats van terpentine leek me zonnebloemolie een iets minder agressieve weekmaker voor de was. Aanbrengen met een schone kwast en hopen dat de patient het overleeft.

Lessen…

Of het gaat helpen? Ik weet het niet. Het zou zo maar kunnen. De kans dat we een groot deel van het boompje gaan verliezen schat ik hoger in. Het is een noodgreep die ik uiteraard liever niet had toegepast. Maar wel een om van te leren. Naast de Brabantse Bellefleur leid ik een Court Pendu Plat. Deze staat uitbundig te bloeien. Een mooi oud appelras dat net als zijn Brabantse buurman gevoelig is voor dezelfde ziekte. Een wereld van verschil. Ander ras, zelfde bodem, zelfde manier van leiden en snoeien, een standplaats die een fractie meer zon en minder wind vangt, twee jaar eerder geplant. Ergens zit een les, alleen welke?