Perenhout

Rover en de trapleuning

De zolder is bijna af. Toen we ons huis kochten was het een kale vliering, die alleen met behulp van een keukentrap en enkele halsbrekende toeren te bereiken was. Tussen de bedrijven door kwamen er een vliezotrap en een vloer. De doorbraak kwam met een vaste trap, het isoleren van de kap, een beetje elektra en een nieuw dakraam.

Afgelopen weekend was het tijd voor een trapleuning. Voor de balustrade rond het trapgat had ik al wat zitten klooien met eik, hazelaar en es uit de tuin. De trapleuning werd van peer. Een van onze twee perenbomen was zo vriendelijk daarvoor een tak te doneren. Januari is een prima maand voor zo’n flinke amputatie. De sapstroom ligt dan stil.

Ik hou van perenhout. Het heeft een mooie, egale rozegele kleur met weinig tekening. Het heeft niet de flexibiliteit van es of hazelaar en ook niet de hardheid van eik. Het is wat het is: perenhout.

Ik heb de tak vers van de boom verwerkt. Bast eraf, noesten van de vele zijtakken er af. Beetje schuren. Dat is natuurlijk vragen om moeilijkheden. Hout werkt. Altijd. Het neemt vocht op en geeft vocht af, afhankelijk van de luchtvochtigheidsgraad van de omgeving. Vers hout zit nog vol vocht. Naarmate het hout droogt, krimpt het. Deze krimp zit niet zozeer in de lengte van het hout, maar vooral in de diameter. Als hout te snel droogt kan het gaan scheuren. Bij het drogen van groen hout moeten we daarom eerder in jaren dan in weken of maanden denken en dan het liefst onder een afdak in de buitenlucht.

Nu ben ik best een geduldig man, maar niet altijd. Die trapleuning moest er zaterdag in en ik was vergeten twee jaar vooruit te denken. Of de trapleuning er zonder scheuren van af gaat komen moet nog blijken. De zolder is niet verwarmd en heeft een gelijkmatig klimaat. Misschien dat ik er mee weg kom.

Beugels van koperpijp

De bevestigingsbeugels heb ik gemaakt van een paar stukjes gerecyclede koperen waterleidingpijp, die her en der in de schuur rondzwerven. Ze zijn simpel te maken: stukje koperbuis, bochtje erin met een pijpenbuiger, uiteinden plat drukken met de bankschroef en/of een hamer, paar gaatjes boren. Een perfectionist zou tevens een verzinkboortje gebruiken om de schroefkoppen weg te laten vallen. Zelf ben ik meer van de grote lijnen.

Het plan was de leuning uit een stuk te maken. De krommingen van de tak, die op het oog beperkt genoeg waren om sierlijk te zijn en binnen één vlak leken te liggen, bleken binnen de realiteit van het trapgat meer vrijgevochten dan goed is voor een leuning, wier leven zich toch voornamelijk binnen twee dimensies dient af te spelen. Eén kromming heb ik er uit gezaagd. Toch jammer, maar voor de grote lijn geen probleem.

 

Rauwe melk

We zijn er al weer doorheen…

Als het even kan halen we elke week drie liter rauwe melk. Deze halen we in Winsum, bij Kleikracht. Het is even rijden of fietsen, dus het schiet er wel eens bij in. Toen de kinderen nog voor en achter op de fiets pasten was het mijn vaste uitje op papadag. Een heerlijke tocht: via Huizinge naar Fraamklap, over het jaagpad langs het Winsumerdiep, door Onderdendam en dan naar Winsum. Een uurtje fietsen, even bij de koeien kijken, praatje maken met de boerin. Drie liter melk, stukje kaas en weer terug. Onderweg even zitten; een paar slokken melk drinken, de kaas proeven en genieten van het uitzicht op Westerwijtwerd.

Over rauwe melk wordt veel beweerd. Superfood, dat bol staat van goede bacteriën en gezonde anti-stoffen volgens de een. Een gezondheidsrisico, dat een bron is voor voedselvergiftiging door e.coli en listeria infecties volgens de overheid.

Bij mijn oma op de boerderij werd de rauwe melk altijd gekookt in een grijze emaille melkkoker. Dat is een schenkkan met een geperforeerde tuitdeksel die de kokende melk terug laat vloeien in de kan. De melk bij oma was altijd warm en daar kwam dan bij het afkoelen een vel op. Heerlijk vonden we dat.

Het obsessief koken van rauwe melk komt uit de tijd dat het een bron van TBC-besmetting kon zijn. De officiele bijsluiter van de NVWA bij de verkoop van rauwe melk is nog steeds: koken. Gekookte melk kan je moeilijk meer rauw noemen. Gekookte melk is gesteriliseerd. Daar zit dus weinig leven meer in. Ik vind het advies om rauwe melk te koken als je rauwe melk wilt drinken dan ook een raar advies.

Gelukkig heb ik meer vertrouwen in de boerin, dan in de adviesen  van de overheid. Rauwe melk is een vertrouwensproduct en dat zijn producten waar de overheid moeite mee heeft. De overheid denkt in industriële ketens, in kruisbesmetting, in toezicht, perverse prikkels en risicomodellen en niet in een één op één relatie tussen producent en consument.

In het industriële model produceert de overheid het vertrouwen in de veiligheid van het voedsel, betaalt de consument de rekening en gaat de supermarkt er met de winstmarge vandoor.

Wij proberen als het even kan de industriële voedselketen te ontwijken. Niet met alles, wel met veel. Dat betekent ook dat we voor de veiligheid van het ons voedsel niet op een overheidsstempel vertrouwen, maar op onze eigen  oordeelsvermogen en op de gedrevenheid van de mensen waar we zaken mee doen. Dit is een wezenlijk onderdeel van wat ook wel voedselvrijheid wordt genoemd: de vrijheid om te eten wat je wilt en dat voedsel te betrekken van wie je dat wilt. Zonder blokkades van overheid, EU of industrie.

Veilig rauwe melk drinken begint dus met een boer die je vertrouwt en vertrouwen werkt het beste als je elkaar een beetje leert kennen. Brandschone flessen is ook een must, net als gekoeld vervoeren en bewaren. Met drie liter komen we een dag of vier vooruit. Veel langer bewaren we hem eigen nooit.

Of rauwe melk gezonder is? Ik weet het niet. Dat ligt eraan waar je het haalt. Waar wij hem halen, smaakt hij heerlijk en ieder seizoen weer anders. Heel af en toe ontroom ik de melk en maak ik daar boter of zure room van.

Voor mij geen ekosojamelk uit de industriële keten.  Je zal er niet dood aan gaan, maar ik kan de boer die het boontje verbouwde niet recht in de ogen kijken en daarom vertrouw ik die rommel niet.

 

 

 

 

 

Snijmoes

Op snijmoes de winter door

Gisteravond aten we aardappelpuree met spekjes, een salade van snijmoes met appel, rozijn, sesam, anijs en venkelzaad en een dressing van olijfolie, citroensap en honing. Daarbij dronken we een glas rode Boskoop Glorie uit de kas en als toetje een bakje stoofperen. De peren, aardappels, snijmoes, honing en wijn komen uit de tuin. De spek hebben we in november gerookt. Die maaltijd vat het jaar in en om de moestuin aardig samen. Als ik het jaar afmeet aan wat er op mijn bord ligt, was een uitstekend jaar.

No farmers, no food! hoor ik de laatste tijd veel in mijn omgeving. Gelul, denk ik dan. Iedereen die een paar vierkante meter over heeft kan zijn eigen voedsel maken. There is no excuse, om met La Thunberg te spreken. De revolutie begint op mijn bord.

Het werd een strijdbaar jaar, dat somber begon met een containerramp op de Noordzee, die pijnlijk zichbaar maakte hoeveel nutteloze zooi er dagelijks de wereld rondgepompt wordt. In mei werden we wakker met wederom een flinke aardbeving. Deze zijn het gevolg van de aardgaswinning in Groningen, waar Shell, ExonnMobile en de Staat der Nederlanden miljarden aan verdienden, terwijl ze vertikken de rotzooi op te ruimen. Kut aartbefingen. Zo vatte mijn zoon de situatie treffend samen op zijn protestbord tijden de klimaatmars in maart. En toen was er ineens de stikstof discussie en gingen de boeren massaal op de trekker naar Den Haag. Niet om Shell lesje te leren, maar om, tegen beter weten in, een failliet landbouwsysteem nog een tijdje aan de beademing te krijgen. De grond waait liever weg, dan dat het lijdzaam blijft liggen om nog een lading drijfmest te verwerken.

Ik begon dit blog ooit met het idee dat iets anders doen overtuigender is dan zeggen dat het anders moet. Hoe ver reiken daden? Hoe ver reiken woorden? Het was een verwarrend jaar, dat 2019. Het einde van een tijdperk, zonder dat echt duidelijk is van het tijdperk van wat. In 1989 was het simpel. Ik was veertien jaar, had mijn zakken vol rotjes, strijkers en ander explosief materiaal. De muur was gevallen. We gingen knallend een nieuwe toekomst tegemoet.

Gister heb ik de snijmoes opgeruimd. De plantjes leken me nog niet helemaal uitgeleefd. Ik heb ze onder een laag stro in potten nieuwe grond op een plekje in de zon gezet. Misschien lopen ze weer uit.

Op naar 2020.

 

 

 

 

 

 

, .

 

Gerookte zalm

Kerst en gerookte zalm; ze horen bij elkaar als Peppie en Kokkie. Nu heeft gerookte zalm bij mij niet zo’n beste naam. Met enige regelmaat wordt er een listeria besmetting in gerookte zalm uit de supermarkt aangetroffen. Veel gerookte zalm uit de supermarkt is kweekvis, die op een bio-industriële wijze met antibiotica en vismeel wordt grootgebracht. Een soort zwemmende plofkip dus. Ook de smaak van de doorsnee gerookte zalm uit de supermarkt vind ik niet om over naar huis te schrijven, zeker als ik het afzet tegen de prijs, die met gemak tussen de 23 euro de kilo bij een Duitse prijsvechter tot 40 euro de kilo voor het huismerk van de appie ligt.

Laat vers gerookte zalm een dag met rust, dan wordt de smaak beter

Zelf maken dus. Dat  heeft als voordeel dat je de visboer aan een kruisverhoor over de herkomst van de vis kunt onderwerpen; mocht je dat willen. Een tweede voordeel is de prijs. Een hele kweekzalm op de markt deed afgelopen week net geen 14 euro de kilo. Let wel, daar zit de kop, staart, graat en alles bij in. Dit weekend kocht ik er een van een kleine twee kilo.

Recept zalmsoep

Uit zo’n vis haal je twee filets. De kop, graat en staart is een prima basis voor een zalmsoepje. Trek er in een half uur een bouillon van, vis de graat, staart en kop uit de bouillon en  pluk de overgebleven restjes van de graat. Deze kunnen als zalmsnippers terug in de soep. Voeg twee gesnipperde, gedroogde rode pepertjes, een paar sperzieboontjes, een geperst teentje knoflook, een scheutje olijfolie en wat limoenzest toe.

Recept koud gerookte zalm

Regel een complete zalm en snijd hier de filets uit.  Verwijder de grootste graten en pekel de vis twaalf uur in een ruime hoeveelheid droge pekel. Ik gebruik standaard een mengsel van twee delen zout op een deel bruine suiker, met wat specerijen zoals kardemom en jeneverbes. Spoel de vis af na het pekelen, dep de gezouten filets droog en hang ze een paar uur goed te drogen. Rook minimaal acht uur boven een kouderook generator. Koud gerookte vis is een dag na het roken vaak beter op smaak. Snijd voor het serveren desgewenst het vel van de gerookte filets.

Meer weten?

Zie voor een uitgebreide beschrijving van de verschillen tussen koud en warm roken van vis de post over koud gerookte makreel.

Zie voor een uitgebreidere beschrijving van het gebruik van de koude rook generator en het zelf maken van rookmot de post over spek roken.

 

 

 

 

 

 

Flamberen

Kinderen houden van beeldschermen. Dat had ik als kind ook. We hebben het dan over de jaren 80 van de vorige eeuw. Naast briljante dingen als “De film van ome Willem”, “De familie Knots” en “Theo en Thea” bestond ons beeldschermmenu ook uit de dubieuze redneckpulp van “The Dukes of Hazzard” en de hitserie “The A-team”.

Ik weet niet precies welke sporen deze beeldschermconsumptie uit mijn vroege jeugd in mijn geest hebben achter gelaten. Ergens meen ik toch een rode draad van achterdocht tegen macht in het algemeen, een afkeer van boze ooms in het bijzonder en een voorkeur voor explosies in dit televisiedieet te herkennen.

Voor een deel zal het de tijdsgeest geweest zijn, die in de jaren 80 vrijer was dan nu. Voor een deel belichamen die series ook de erkenning van het feit dat “kind zijn” nu eenmaal een universele anti-autoritaire daad op zich is. Wij hadden Pipi Langkous; mijn kinderen hebben Greta Thunberg. Zweedse meisjes met vlechten die de volwassen wereld op de kop zetten. De geschiedenis herhaalt zich, in een pijnlijke omkering van het adagium van Marx. In dit geval eerst als farce en daarna als tragedie.

Ik mag graag koken met onze kinderen. Ik heb het dan over echt koken en niet ze het knopje van de magnetron in laten drukken. Om te koken heb je een koksmes nodig. Het liefst een die goed scherp is. Dat mes heet bij ons “het gevaarlijke mes” en wordt met het nodige respect inmiddels zelfstandig, doch onder stevig oudelijke toezicht, door de kinderen gehanteerd. Zo’n koksmes in kinderhanden geeft helpen met koken net dat vleugje “The A-team” dat ik nodig heb om ze los te weken van hun i-padjes. Om het feest compleet te maken eindigde ik gister onze kinderkooksessie met een explosie. Een explosie in de keuken, dat heet flamberen. Papa maakt graag een beetje theater in de keuken.

Flamberen: techniek en voorzorgsmaatregelen

Flamberen is niet heel ingewikkeld, maar ook weer geen kinderspel. De combinatie van een licht ontvlambare vloeistof en open vuur vraagt de nodige voorzorg. Laat daarom nooit kleine kinderen zelf flameren en flambeer als volwassene ook nooit je zelf, maar altijd het gerecht. Draag geen licht ontvlambare kleren of kapsels (haarlak!). Zorg dat een deksel klaar ligt om een eventuele vlam in de pan te doven. Schakel de afzuigkap uit om brand te voorkomen. Zorg dat er voldoende vrije ruimte boven de pan is. Ga niet met je neus boven de pan hangen en houd toeschouwers, zeker kinderen, op veilige afstand. Gebruik een gril of koekepan met een lange steel en giet beheerst een vooraf afgemeten half borrelglas sterke drank met een alcohol percentage tussen de 30 en 40% over het te flamberen gerecht in een goed verhitte pan. Dranken met een lager alcohol percentage ontbranden niet en dranken met een alcoholpercentage boven de 40% zijn te link om mee te flamberen. Houdt bij een gasfornuis de pan een tikje schuin boven de pit en de verdampende alcohol zal spontaal vlam vatten. Bij andere fornuistypen kan een lange lucifer of keukenaansteker behulpzaam zijn.

Flamberen gaat fantastisch met wild, gevogelte, een mooi stuk rund of lam, maar is ook bij uitstek een geschikte techniek om gegrilde aubergines of paddestoelen naar een heel ander niveau te tillen. Je hoeft niet met top cognac te flamberen. Een restje beerenburg kan ook al heel verrassende resultaten geven.

 

 

 

 

 

 

Snert

Groene spliterwten, de basis voor snert

Dit blog gaat bijzonder weinig over koken de laatste tijd en dat is toch opmerkelijk gezien de titel van het blog. Het is dus weer de hoogste tijd voor een paar keukengeheimen. Deze keer nemen we een klassieker op de korrel: snert, oftewel erwtensoep. We aten vroeger altijd snert na het Sint Maarten-lopen op 11 november en dan pannekoeken na.

Snert is zo klassiek dat het uitgeroepen is tot immaterieel erfgoed. Bovendien is er een wereldkampioenschap snertkoken in het leven geroepen, waarvan de 26 editie vrijdag 14 februari 2020 gekookt zal worden. Normaal ben ik niet zo van het koken in wedstrijdverband. Kookwedstrijden op tv roepen bij mij beelden op van fascistoïde juryleden, die zichzelf belangrijker vinden dan de liefde voor goed eten en authentieke kookkunst. Bij voldoende bijval overweeg ik voor het wk snertkoken een uitzondering te maken, te meer omdat het kampioenschap in Groningen plaats vindt en ik er dus amper de deur voor uit hoef.

Recept snert

Snert is zo’n gerecht waar je met recht een geheim familierecept voor kan hebben. Er zijn meerdere manieren waarop je tot een goede huisgemaakte snert kan komen. De basis is en blijft de groene spliterwt, die in water of bouillon tot soep wordt gekookt. Ik gebruik ofwel huisgemaakte kippenbouillon ofwel een bouillon op basis van een paar mergpijpjes en/of een varkenspootje. Reken per pond erwten op anderhalf à twee liter bouillon. Bouillon aan de kook brengen, erwten erbij en langzaam gaar laten koken. De erwten vallen vanzelf uit elkaar. Af en toe het schuim afscheppen.

Dan hebben we de basis voor de groene brei. Hierbij gaan een paar in blokjes gesneden winterwortels, aardappelen en huisgerookte spek. Verder gaan er minimaal een paar uien en tegen het einde een preitje in. De rookworst laat ik tegenwoordig meestal achterwege. Die vind ik ten opzichte van onze spek weinig toevoegen. Ruim anderhalf uur op een laag pitje laten koken en regelmatig roeren. Met peper en zout op smaak brengen.

Een dag later is snert op zijn best en bovendien laat snert zich prima invriezen. Serveren met roggenbrood met spek, een dubbele trappist en pannekoeken met huisgestookte calvados na.

Leve de winter!

 

 

 

 

Cijfers

Analoge werkgeheugenextensie voor de moestuinstatistiek op de keukendeur

Afgelopen weekend viel de jaarafrekening van het energiebedrijf op de deurmat. In totaal hebben we 1393 m3 aardgas verstookt en netto 454 kWh stroom van het net getrokken. De jaarafrekening is een cijferfeest en ook dit jaar heeft onze gas- en stroomboer weer zijn best gedaan om een mooi pakket cijfers aan te leveren. Omdat ik dol op cijfers ben was mijn weekend meteen goed.

Ik hou zoveel van cijfers, dat ik ze verzamel. Ik heb inmiddels een paar prachtige collecties. Het vlaggenschip van de collectie is de moestuinstatistiek, waarin ik de productie van onze moestuin bijhoud. De financiele administratie mag er ook wezen, maar dat is niet zo’n prestatie. Er zijn zoveel apps, tools en programma’s om je financiën bij te houden, dat je wel een extreme numerofoob moet zijn om hier geen overzicht over te hebben. Ik gebruik GNUcash, een open source boekhoudprogramma, om onze financiële administratie in bij te houden.

De energiestatistiek is ook een pareltje. Sinds de komst van de zonnepanelen op ons dak begin 2015 houd ik ons energieverbruik maandelijk in de gaten. Elektriciteitsverbruik en teruglevering op hoog en laag tarief, gasverbruik, zonuren en graaddagen geven samen een mooi inzicht in onze energiehuishouding. Een graaddag is een rekeneenheid om de temperatuurvariaties in een seizoen eenvoudig mee te kunnen nemen in de berekeningen over ons energieverbruik. Door het gasverbruik te delen door het aantal graaddagen krijg je een cijfer, dat rekening houdt met de natuurlijke schommelingen, die je van jaar tot jaar hebt. Zo is ons verbruik van ruim 0,6 kuub per graaddag in 2015 teruggegaan naar 0,45 kuub het afgelopen jaar. Op internet zijn handige websites te vinden om het aantal graaddagen per KNMI-meetstation uit te rekenen.

Dingen die van cijfers houden, laten zich door cijfers sturen. Dat is goed om te onthouden, want niet alles laat zich door cijfers sturen. Dingen als liefde, geluk en de zin van het leven zijn bekende numerofobe (=cijferangstige) fenomenen. Ook de ontwikkeling van kind tot volwassene is iets dat zich naar mijn idee beter in ervaringen dan in cijfers laat vatten. Daarmee is het echt idioot hoe cijfermatig ons onderwijssysteem is ingericht.

Cijfers zijn in opmars en kruipen steeds dichter onder onze huid. Mijn telefoon telt mijn stappen en het aantal uren dat ik op het beeldscherm zit en mijn telefoon is niet te beroerd om die cijfermatige kennis over mijn gedrag als een bemoeizuchtige zeur tegen mij te gebruiken. Hou je kop, denk ik dan, en wee je gebeente als je die cijfers doorklept aan de firma Appel.

Een hoop mensen zijn huiverig geworden voor het fenomeen cijfer op zich. Deze mensen laten zich liever leiden door het gevoel. Bij ons gasverbruik is mijn echtgenote er typisch een van de gevoelsaanpak. Zodra ze het koud heeft, heeft ze de, overigens volstrekt natuurlijke, neiging de thermostaat een klein tikje hoger te zetten. Ik, cijfermens dat ik ben, zie dan getallen akelig dicht in de buurt van de 19ºC op het beeldscherm van de thermostaat komen en vrees op zo’n moment het ergste voor mijn cijferparadijs op de eindafrekening. Gasverbruik heeft een knop, die een rechtstreeks verband heeft met het verbruik en gasverbruik laat zich goed in cijfers uitdrukken. Het is daarmee een cijferminnend fenomeen, dat zich door die cijfers laat sturen.

Sinds begin 2015 is ons gasverbruik stevig afgenomen. De belangrijkste stap was meten. Door ons verbruik nauwkeurig bij te houden, zijn we bewuster met energie omgegaan. Voor mij is een stookgrens van 17°C hoog genoeg. Overdag mag het nog best wat lager. Een wollen trui en een paar extra sokken zijn de meest efficiente manier om je huis te isoleren. Dat vergeten mensen nog wel eens. Een aantal jaar geleden stookten we met gemak 2500 kuub gas per jaar. De eerste 500 kuub gas hebben we bespaard door simpel de thermostaat een paar graden lager te zetten en de verwarming alleen open te zetten in ruimten die we ook echt gebruiken. De overige 600 kuub besparing zit in een beperkt aantal isolatiemaatregelen en kleine dingen zoals radiatorfolie. We moeten op termijn naar 0 en dat wordt voor een vrijstaande woning van rond 1930, waar de noordenwind vrijwel ongehinderd vanaf het wad tegenaan kan blazen, best een uitdaging.

Wordt vervolgt…

 

 

 

 

 

 

 

 

Kalkverf

Kalk, zilverzand en water: een basis voor kalkverf

Een zelfgekleide muur met leemstuc op basis van ingrediënten uit de achtertuin is natuurlijk prachtig, maar is eigenlijk niet compleet zonder een afwerking met kalkverf.

Kalkverf is verf op basis van kalk en kalk is een bouwmateriaal dat je overal in de natuur tegenkomt. Als de natuur iets bouwt, dan doet ze dat bij voorkeur uit kalk als je een dier bent (botten en schelpen) of cellulose (hout) als je een plant bent. Voor de groene mens is kalk dus een heel voor de hand liggend bouwmateriaal.

Kalk als basis voor verf heeft een aantal grote voordelen. Kalkverf blijft ademen en sluit wanden dus niet volledig af voor vocht. Vocht uit de lucht kan daardoor opgenomen worden in de wand en verdampen. Door deze eigenschap vormt het de perfecte combinatie met leemstuc, want ook leem is een natuurlijk materiaal dat blijft ademen.

Prijs ecologische bouwmaterialen

Zoals dat met veel ecologische bouwmaterialen gaat zijn ze kneiterduur als je ze in de winkel koopt. Voor sommige zaken vind ik dat logisch. Ik kan me heel goed voorstellen dat het productieproces van isolatiemateriaal op basis van schapenwol voor een ander prijskaartje zorgt dan een pakje glas- of steenwol.

Bij andere materialen heb ik daar meer moeite mee. Een zak gips kost in de bouwmarkt een euro of zeven. Voor een zak basisleem mag je daar een tientje bij op knallen en met een zakje ben je er nog niet. Terwijl de basisingredienten: zand, klei en stro, niet direct de duurste zijn. Kalkverf is te koop in de winkel, maar ook hier voor een fikse prijs. Ruim zeventig euro voor een blikje van twee liter is geen uitzondering.

Maakt dit ecologisch bouwen een dure en elitaire hobby, die uitsluitend is weggelegd voor linkse mensen  met een onzinbaan in de gesubsidieerde sector? Natuurlijk niet. Een beetje avonturier maakt het gewoon zelf en ook voor kalkverf is dit prima te doen.

Recept doe-het-zelf kalkverf

De leemstuc wand op zolder hebben we afgewerkt met een huisgemaakte kalkverf op basis van zilverzand en kalk. Een zakje kalk van twee en een half kilo kost een euro of drie en een zak zilverzand kost je hooguit het vorstelijke bedrag van twee euro. Een beetje kraanwater doet de rest. C’est tout. Zo simpel is het. Superecologische kalkverf kopen voor zestig euro de liter? Niet doen! Voor een luttele euro de liter maak je het lekker zelf en dan houd je een hoop geld over voor andere (duurzame) keuzes.

Maar hoe gaat dat dan, die verf maken? Wat zijn de verhoudingen? Wat je wil. Ik ben nog een beetje zoekende, maar ik heb gemerkt dat een mengsel van ongeveer twee delen zilverzand op drie à vier delen kalk een mooie verf geeft, die niet meer helemaal spierwit is en die de oneffenheden in het leemstuc mooi wegwerkt. Meng de kalk en het zand met zoveel water aan, dat je de consistentie van yoghurt krijgt. Aanbrengen gaat het beste met een dikke blokkwast.

Ik heb de kalkverf aangebracht op leemstuc en op niet afgewerkt cementstuc. Dat is het soort poreuze ondergrond waar kalkverf direct op toepasbaar is, zonder met een vorm van voorstrijk te werken. Bij een andere, minder poreuze ondergrond kan een vorm van voorstrijk nodig zijn. Als je zelf met kalkverf in de weer wilt is het verstandig je een beetje in de materie te verdiepen. Een wand die je eenmaal in de kalkverf hebt gezet laat zich niet meer zo makkelijk overschilderen met een andere verfsoort.

Kalkverf droogt niet geheel egaal op. Dat geeft een mooi speels effect. De kleur is nog wel wat witjes. Dat moet nog wel iets avontuurlijker kunnen. Daarvoor kan ik wat natuurlijke pigmenten gaan bestellen, maar het is veel leuker om ook daar het een en ander zelf uit te vogelen. Roze op basis van bietjes gaat hem in ieder geval niet worden. 

Dit is een vervolg op de aflevering Leemstuc.

Leemstuc

De basis van doe-het-zelf leemstuc: klei, zand, gehakte stro en zaagsel

We wonen in Noordoost Groningen, boven op een van de grootste aardgasvelden ter wereld. Uit dit gasveld is sinds de jaren 60 van de vorige eeuw voor een slordige 300 miljard euro aan aardgas gewonnen. Dankzij deze aardgasbaten ligt het asfalt er in Nederland piekfijn bij en hebben we een gloednieuwe hogesnelheidslijn, die de randstad met de rest van Europa verbindt.

Gasbevingen

Als gevolg van deze gaswinning hebben we in Groningen te maken met aardbevingen. Over het algemeen probeer ik dit onderwerp in dit blog te mijden. Het gaat in ons gezin al vaak genoeg over de bevingsproblematiek. De dinsdagochtend besteed ik liever aan zinvoller zaken. Deze week maak ik een uitzondering.

De meeste van deze bevingen zijn relatief bescheiden, maar er zitten regelmatig flinke knallen tussen. Wat zo’n beving met ons gezin doet heb ik eerder beschreven in de aflevering Wakker worden!

Deze bevingen veroorzaken schade. Deze varieert van kleine scheuren in stuc- en metselwerk tot woningen, die zoveel schade hebben opgelopen, dat het niet meer veilig is om er in te wonen.

Deze ellende is nu zo’n tien jaar bezig. Dat is best een lange tijd. Lang genoeg om als democratische samenleving een manier te verzinnen om de schade te vergoeden en de huizen op zo’n manier te versterken dat je er in ieder geval levend uit komt bij een grote beving.

Boefjes

Niets is minder waar. Het afgelopen jaar ben ik gemiddeld een halve dag in de week bezig geweest met het overtuigen van overheidsinstanties dat de schade aan onze woning niet door thermische fluctuaties in bouwmaterialen is veroorzaakt, maar door de economische activiteiten van Shell en ExxonMobile en dat ik een computermodel afkomstig uit de keuken van deze twee criminele organisaties geen goed uitgangspunt vind voor een overheidsbesluit over de vraag of onze woning uit veiligheidsoverwegingen al dan niet versterkt moet worden.

In januari 2018 kreeg Zeerijp, een dorpje hier drie kilometer verderop, een enorme klap te verwerken. De schade aan onze woning, die door die klap is veroorzaakt, is afgelopen week voor een deel vergoed. Dit proces heeft ruim 666 dagen, één schadeopname, drie schaderapporten, twee zienswijzen, een klachtenprocedure inclusief hoorzitting, een kwart dozijn juristen, vijf echtelijke ruzies, twintig scheldkannonades, twee huilende kinderen, tientallen tweets, telefoongesprekken en e-mails, een kranteninterview en een boekpresentatie inclusief minister (Ik wacht) geduurd.

Ongeveer tweederde van de schade is nu vergoed. Om de rest vergoed te krijgen, moeten we bezwaar aantekenen tegen het overheidsbesluit, dat onze schadevergoeding regelt. En dan begint het circus weer van voren af aan.

Leemstuc: de oplossing?

Tussen de bedrijven door ben ik begonnen de schade te herstellen. Op zolder hadden we een paar flinke scheuren. Afgelopen voorjaar ben ik begonnen met het isoleren en aftimmeren van de zolder. Vorige week was het gescheurde pleisterwerk aan de beurt.

Het leek me een goed moment om mijn experimenten met leem op basis van Groninger klei voort te zetten. Na een middagje klieren met klei, zand, zaagsel en stro zit één wand er in.

Vers wandje leemstuc

Er zijn grote voordelen van leemstuc boven stucwerk op basis van gips. Ik kan op de Groninger klei leemstuc maken op basis van ingredienten uit mijn achtertuin, terwijl ik voor een zak gip naar de bouwmarkt moet. Leemstuc ademt en reguleert op een natuurlijke manier de luchtvochtigheid in een ruimte en draagt zo bij aan een gezond binnenklimaat. Vooral voor mensen met luchtwegaandoeningen schijnt het ideaal te zijn.

Het grootste nadeel van leemstuc is meteen ook een groot voordeel als je in Groningen woont. Leem is niet waterbestendig. Als het is uitgehard en je maakt het weer vochtig, dan wordt het weer zacht. Scheuren zijn op die manier in theorie eenvoudig te repareren. Veelbelovend materiaal dus voor Groningse omstandigheden. Of het in de praktijk ook zo werkt, gaan we de komende tijd testen.

Het recept voor leemstuc is simpel. Meng in een speciekuip één deel klei op twee à drie delen zand en genoeg water om de consistentie te krijgen die net wat natter is dan metselspecie. Voeg per 5 liter leem een paar flinke handen zaagsel en vers gehakt stro toe. Het idee achter het zaagsel en de stro is dat het krimpscheurtjes tijdens het drogen helpt voorkomen. Meng het geheel nog even flink tot je de consistente massa hebt.

Een leuke eigenschap van leemstuc is dat het makkelijker te verwerken is dan gipsstuc. Gips is na drie kwartier tot een uur hard. Daarmee moet je dus snel en secuur doorwerken. Leem blijft veel langer flexibel en is dus veel vergevingsgezinder voor tussentijds geklooi, geklets en kopjes koffie.

De wand zit er nu een week in en begint voorzichtig aan harder te worden. Het hele proces van uitharden gaat een week of vier duren. Ondertussen denk ik na over de afwerking. Laten we het zo of gooien we er nog een experimentje met huisgebrouwen kalkverf tegenaan?

Wordt vervolgd.