Bemesting

Bordje N-P-K van organische oorsprong, lekker en voedzaam voor de bodem

Afgelopen zondag liep ik met een groene container vol oude schapenmest door het dorp. Mooie, gecomposteerde, oude stalmest. De ultieme bemesting voor iedere moestuin. De mest hebben we opgehaald bij een bevriend stel in het dorp. Zwart goud. Zo moet ongeveer het spul er uit gezien hebben dat eeuwenlang de schrale zandgronden in Drenthe van een beetje vruchtbaarheid voorzag. Schapen graasden op de woeste heide en lieten in de winter hun mest achter op heideplaggen in de schaapskooi. Deze laag mest werd dan in het voorjaar uitgereden op de akkers.

Een mooi systeem dat vraagt om een balans tussen de hoeveelheid weidegrond, akkerland, heide en schapen. Als je het goed doet, bouw je met dit systeem door de eeuwen heen een steeds dikkere bodemlaag op. Deze verhoogde akkers (bolle essen) zijn op verschillende plekken in Oost Nederland goed te zien.  De keerzijde van dit systeem is ook nog zichtbaar in het landschap. Te veel schapen op te weinig heide en je krijgt zandverstuivingen.

Nederland en de natuur

Tegenwoordig zijn het beschermde natuurgebieden; de extreme omstandigheden zorgen voor een unieke leefomgeving voor zeldzame planten en dierensoorten. Van waardeloze grond door te intensieve landbouw gepromoveerd tot waardevolle natuur. Dat maakt nieuwsgierig hoe we over 500 jaar kijken naar dat geouwehoer over de op natuurlijke wijze uitgemelgelde grote grazers achter een hekje in de Oostvaardersplassen. Nieuwe natuur in een polder die we hebben aangelegd om onze honger naar vruchtbare landbouwgrond te stillen. Het is een beetje schizofreen, de verhouding tussen Nederland en de natuur als je het mij vraagt.

Kanonnen, kunstmest en koken

Ondertussen is de winter voorbij. Tijd om de tuin te bemesten. Een moestuin vraag veel van de grond. Als je alleen van de grond neemt en nooit iets terug geeft, dan is de liefde natuurlijk een keer voorbij. Bemesten dus, zonder gaat het niet. Nu is het met mest net als met koken. Het kan volledig kunstmatig en chemisch, met pakje en zakjes. Dat noemen we in de tuin kunstmest. Kunstmest is een uitvinding van de wapenindustrie. Dat is een beetje kort door de bocht, maar er zit wel een kern van waarheid in. De zelfde jongens die in 1914-1918 de explosieven voor de slagvelden van Vlaanderen en Verdun verzorgden brachten na de Eerste Wereldoorlog nagenoeg hetzelfde product, synthetische nitraatverbindingen, onder de naam kunstmest op de markt. En boeren vonden het geweldig. Geen gezeul  meer met karrenvrachten mest en magere opbrengsten, maar een handzaam korreltje dat op magische wijze een dorre vlakte in een een groene oase verandert.

Nu heeft kunstmest een paar belangrijke nadelen, die de heren van de wapenlobby er niet bij vertelden. Kunstmest in de vorm van kunstmatige stikstof put de natuurlijke vruchtbaarheid van de bodem uit, doordat de humus in de bodem versneld wordt afgebroken. En humus is nu juist hetgene dat in de natuur voor vruchtbaarheid in de bodem zorgt. Vul je deze humus niet aan met mest, compost of ander organisch materiaal dan wordt de bodem steeds schraler en verliest ze haar samenhang, met als gevolg: zandverstuivingen.

Organisch materiaal

We voeden de moestuin dus niet met synthetische vruchtbaarheid uit pakjes en zakjes, maar met organische materiaal. Mest van onze kippen en konijnen, compost, oude stalmest, organische mulch in de vorm van stro, gemaaid gras, houtsnippers, etc. Het organisch materiaal voedt het bodemleven. Dit bodemleven bestaat uit een complex netwerk van bacteriën, schimmels, amoebes, nematoden, protozoën, pissebedden, wormen en andere beestjes, die niets anders doen dan gratis en voor niets organisch materiaal omzetten in humus en mineralen. De humus zorgt voor structuur in de bodem en dat is nu net wat planten nodig hebben: een luchtige, kruimige bodemstructuur waar planten makkelijk in kunnen wortelen. Daarnaast houdt humus vocht vast. De mineralen, zoals diverse vormen van stikstof (N), fosfor (P) en kalium (K), voeden de plant. Over bemesting wordt vanuit een synthetische bril vooral in hoeveelheden N-P-K gedacht. Deze mineralen zijn van belang, maar niet het hele verhaal achter bemesting. Misschien nog wel belangrijker is het verhaal van koolstof, water en zuurstof.  Dat is het verhaal van organische mest, die voornamelijk uit koolstofverbindingen bestaat. Koolstof zorgt voor humus en humus zorgt voor een luchtige bodem die vocht vasthoudt voor als het nodig is.

De basis is dus organische koolstof. Doen we dan niks aan stifstof, kalium en fosfor? Zeker wel, maar voor mij is dat toch een beetje bijzaak. Schone houtas bevat veel kalium en gaat bij de planten die dat graag lusten, zoals tomaten en aardappels. Fosfor zit veel in botten en botten krijgt onze tuin genoeg uit de composthoop. Stikstof is de enige meststof die ik nog wel eens aanschaf en dan in de vorm van bloedmeel.

Wordt vervolgd…

 

Tomaten zaaien

De kasbewoners van dit jaar

Maart is begonnen en dan is het tijd om tomaten te zaaien. Ik was in februari al begonnen met de pepers en aubergines, maar die wilden niet opkomen. Dan nog maar een poging. Tomaten, aubergines, pepers, paprika’s; het kan ze niet warm genoeg zijn. Daarom beginnen we vroeg, maar binnenshuis. Zo hebben we tegen eind april, begin mei aardige planten die uitgeplant kunnen worden in de kas, zodra de kans op nachtvorst daar verdwenen is.

Rassen

Ik heb dit jaar weer dezelfde tomatenrassen gezaaid als vorig jaar. Drie soorten vleestomaten, namelijk de Black Seaman, de Purple Calabash en de Coeur de Boeuf. Daarnaast een soort cherry tomaat, de Brown Egg Cherry en een “gewone” saladetomaat, de Black Ethiopian.

Twaalf keer drie potentiële plantjes

Keep it simpel

Tomaten zaaien kan je zo ingewikkeld maken als je zelf wil. Ik hou het vrij simpel. Gewone potgrond, eventueel een beetje brekerzand erdoor in een plastic zaaibakjes.  Grond licht aandrukken, drie zaadjes per bakje en afdekken met een beetje zand. Vervolgens de potgrond vol laten zuigen met water, labeltje er bij en het bakje kan in de propagator. Dat is in mijn geval een duur woord voor een houten kist met een krant er onderin en een glazen plaat er boven op. Deze staat in de woonkamer op de meest zonnige vensterbank die we hebben. Het geheel werkt als een minibroeikasje in de woonkamer. Als het zonnig is loopt de temperatuur flink op. Tomaten kiemen het best bij temperaturen ruim boven de 20°C. Aubergines, pepers en paprika’s lusten nog wel een paar graden extra; die komen beneden de 25ºC hun nest amper uit. Je kan ook een elektrische propagator kopen met thermostaat en de hele rambam, maar zonder kan dus ook. Voor tomaten en pepers zelf prima, auberginezaden zijn en blijven verwende etterbakken in mijn beleving. Dat blijft zonder fancy climate control dus een beetje een gok.

Lekker in de zon op de vensterbank.

Vocht

Zonder water geen leven. De grond in de zaaibakjes moet constant een beetje vochtig zijn. Dagelijks even de plantenspuit er op is voldoende. De combinatie van vocht en warmte is ideaal voor schimmels. De combinatie schimmel en pas ontkiemde tomatenplantjes is dodelijk. De oplossing is simpel: voldoende ventilatie in de bak. Hou de glazen plaat altijd op een kiertje en dan is er niks aan de hand.

Ontkiemen

Na een week of twee zullen de tomaten ontkiemen en heel voorzichtig hun kopjes boven het zand steken. Als alles meezit zal een groot deel van de zaadjes opkomen. Van mijn eigen gekweekt tomatenzaad kwam vorig jaar bijna 100% op. De aubergines, pepers en paprika’s laten meestal wat langer op zich wachten; die zijn soms wel drie weken onderweg.

Na de kiemblaadjes komen de eerste twee echte bladeren. Als nummer drie en vier in aantocht zijn is het tijd om te verspenen: de plantjes gaan van hun benauwde zaaibakje naar een groter potje. Maar zover is het nog niet.

Wordt vervolgd…

Het dak

Dakconstructie
Dakconstructie

Deze post is een vervolg op Het raamwerk.

De laatste dagen van februari tikken weg, nog even en het is maart en dat is de magische grens om te beginnen met het zaaien van tomaten. Binnen wel te verstaan, achter glas, in de vensterbank. Normaal sta ik rond deze tijd te popelen om met de tomaten te beginnen, maar deze moeten nog maar een weekje wachten. Het is droog en zonnig, dus… het dak moet er op!

Constructie

Afgelopen week begonnen met de dakconstructie. Het is een simpel plat dak, maar dan met een lichte helling naar beide kanten, dus eigenlijk helemaal niet zo simpel. Het plan is dat we een groen dak erop leggen. In plaats van 20 vierkante meter tuin op te offeren voor een schuurtje, tillen we die tuin gewoon de hoogte in: een minibiotoop met een extreem klimaat.

Nu zijn groene daken  in verschillende soorten en maten te koop: sedum matten, sedum cassetes, etc. Fantastische systemen als je de folders mag geloven, maar ook fantastisch duur. Relatief dan. Dit project draait om soberheid: lage impact, lage kosten, maximaal duurzaam en hergebruikt of opnieuw te gebruiken. Oftewel we maken het groene dak zelf.

De dakconstuctie bestaat uit draagbalken, een raamwerk van regels en een laag kippengaas. Daarop komen nog een of twee lagen waterdichte folie en daaroverheen dan graszode en andere beplanting. Om het hele dak heen ligt een lijst, die voorkomt dat de grond van de graszoden met een flinke regenbui  van het dak spoelt. Je maakt dus een soort badkuip, met aan een kant een afvoer om het overtollige hemelwater naar een nuttiger bestemming te brengen.

Lichte helling naar beide kanten

Vorm

Dat is dan gelijk de eerste reden voor dat gedoe met die helling naar beide kanten: het water kan makkelijker weg. Daarnaast ligt het dak door de helling wat gunstiger in de zon. Dat leek me voor het groen op het dak wel prettig. Tenslotte maakt het knikje het dag wat minder recht en hoekig en past het geheel daardoor beter bij de wat organischer gevormde benen. Het oog wil ook wat.

Dak met een tipje

Matriaal

De dakconstructie is van vurenhout met een daklijst van europees lariks/douglas. Beide met fsc-keurmerk, dus dan vertrouwen we er maar op dat het hout van enigszins verantwoorde oorsprong is. De vuren delen liggen onder de dakbedekking, dus hebben weinig last van zon en regen. De daklijst heeft meer te lijden en dan is lariks een duurzame keuze. Het kippengaas in combinatie met het regelwerk is een lichtgewicht alternatief voor multiplex of ander plaatmatriaal. Het dient om het gewicht van zoden gelijkmatig te verdelen, zodat er geen kuilen in de folie komen waar water in kan blijven staan.

Regelwerk en kippengaas
Regelwerk en kippengaas

Dooi

De dakconstructie is klaar, de folie kan er op. Zoden en vorst lijkt me geen goede combinatie, dus voor een echt groen dak is het wachten op dooi…

Wordt vervolgd.

 

Het raamwerk

Deze post is een vervolg op Splijtstam.

Denk, denk, denk…

Het geraamte van het nieuwe schuurtje staat! Vorige week dacht ik nog dat de planning misschien wat te optimistisch was, maar met het mooie, zonnige en droge weer konden we flink opschieten.

Fundament

De plek waar het schuurtje komt heb ik uitgezet met pikketpaaltjes, een steek diep uitgegraven en opgevuld met twee kuub zand. Hierop heb ik met blokken puin en basalt een fundament gemaakt voor de acht palen, die het dak moeten dragen. Ik heb nog even betonnen stempels overwogen, maar het leek me wat overkill voor een relatief licht bouwwerk. Bovendien vraagt de productie van beton heel veel energie en is daarom niet zo’n groen bouwmateriaal.

Constructie

Oud en nieuw

Met de funderingsstenen op hun plek is een  constuctie  van rechte balken niet zo ingewikkeld. Waterpas, winkelhaak, houtboor, draadeinde, moeren en aan de slag. Mijn vier eiken stammen zijn echter alles behalve recht toe, recht aan. Dan helpt geen waterpas of winkelhaak. Dan moet het op het oog. Of het gevoel. Het kan ook op verstand, maar dan moet je niet al te rechtlijnig zijn in je denken. De belangrijkste hulpstukken bij het plaatsen van de eiken palen bleken een paar houten wiggen te zijn. Balken op hun plek zetten, uitlijnen met de balken van de dakconctructie en dan met een paar wiggen op zoek naar het zwaartepunt van de balk. Vervolgens vastzetten met tijdelijke schoren en dan de draagbalken van het dak er op. Schoren er onder en op naar de dakconstructie. Als het weer mee blijft werken moet die er volgende week wel op liggen.

eiken schoren
van tak tot schoor
geraamte van eik en vloerbalk
Het geraamte staat

Wordt vervolgd.

 

 

 

Splijtstam

Tijdelijke school in aanbouw
Tijdelijke school in aanbouw

Tegenover ons huis wordt een tijdelijke basisschool gebouwd, zodat onze kinderen veilig onder dak zitten terwijl hun oude schoolgebouw aardbevingsproof gemaakt wordt. Met een ingenieus systeem van prefab units staat er in een paar dagen een compleet schoolgebouw bij ons voor de deur.

Ecologisch aanpakken

Zien bouwen, doet bouwen. Een van de grotere projecten die we dit jaar verzonnen hebben is het bouwen van een nieuw schuurtje/kippenhok. Dit bouwprojectje gaan we uiteraard cradle-to-cradle, circulair en ecologisch aanpakken. Dat begint bij de materialen, waar mogelijk hergebruikt en uit de directe omgeving.

Na de verbouwing van de keuken vorig jaar zijn we een stapeltje vloerbalken rijker. Prima bouwmateriaal voor het geraamte van de schuur. Voor de fundering heb ik een paar flinke blokken puin apart gelegd. Maar het mooiste is nog de Amerikaanse eik die we afgelopen herfst hebben laten kappen. Deze leverde een tamelijk noestenvrije en behoorlijke rechte stam van krap twee meter lengte en een miniale doorsnee van 35 cm op. Een loodzwaar kreng dat mijn vrouw en ik met duwen, trekken, tillen, hefbomen, rollen en echtelijk verbaal geweld van de plaats waar hij geveld was verwijderd kregen.

Amerikaanse eik
Amerikaanse eik

Zagen of …?

Wat te doen met deze stam? Mijn eerste gedachte was er balken van te laten zagen. Hier zouden toch vier mooie balken van 15×15 cm uit te halen moeten zijn. Mijn tweede gedachte was de stam zelf in vieren te splijten en de ruwe delen te bewerken tot iets vierkantachtigs. Voorwaar een dilemma. Zagen geeft vier mooie rechttoe rechtaan stukken. Een uurtje klooien om het ding op een aanhanger te krijgen. Even heen en weer rijden naar een zagerij. Praktisch, efficient, voorspelbaar resultaat. Zelf splijten geeft een onvoorspelbaar resultaat, vier ongelijke ruwe stukken en betekent een paar dagen klooien om er iets werkbaars van te maken. Weken heb ik lopen dubben. Uiteindelijk is zelf doen voor mij onweerstaanbaar. Met je blote handen en een paar bijlen en wiggen een boomstam omvormen tot timmerhout; dat maakt je aanhangertje volmikken bij de bouwmarkt toch een vorm van magnetronmaaltijd-bouwen.

Stammen splijten

stammen splijten
Stammen splijten met behulp van wiggen

Enige studie op internet en wat oefenwerk met kleinere stammetjes leerde mij de volgende praktische lessen bij het stammen splijten.

  • Bekijk de stam goed voordat je gaat splijten. Waar is hij dikker, waar dunner, waar zitten noesten, hoe rond of vierkant is de stam, waar zit het hart, hoe lopen de nerven? Markeer met een potlood hoe je de stam gespleten zou willen hebben en hoop dat je daar ook uitkomt.
  • Werk van de dunne kant naar de dikke kant van de stam; dan heb je meer kans dat de stam netjes doormidden splijt.
  • Splijt langs of dwars door noesten, maar niet er haaks op.
  • Maak gebruik van scheuren die al van nature in het hout zitten of maak met een scherpe bijl een eerste inkeping dwars over het uiteinde van de stam.
  • Sla met beleid de eerste wig aan het uiteinde in de stam. Ik heb niet goed kunnen ontdekken of je beter vanuit de rand of het hart kan beginnen. Ik ben vanuit de rand begonnen. Sla de wig er een stukje in, net zolang tot je een scheur ziet ontstaan.
  • Volg met de scheur die de eeste wig heeft gemaakt met meer wiggen in de lengte van de stam en dwars op de stam. Gebruik eventueel bredere, houten wiggen om de scheur breder te krijgen dan je stalen wig.
  • Volg het hout. Je kan amper sturen.
  • Sla de wiggen zo diep dat de stam uiteindelijk doormidden splijt.
  • Hak de laatste splinters waar de helften op vast blijven hangen met een bijl doormidden.
Gespleten stam
Gespleten stam

Na een paar uurtjes werk was dit het resultaat: vier ruwe kwart stammen, klaar om verder bewerkt te worden. Het grote voordeel van een kwart stam is dat hij maar een kwart weegt en dus een stuk makkelijker te hanteren is. Met een handbijltje heb ik de kanten wat bijgewerkt. Vervolgens de  elektrische schaaf erover. Het resultaat: vier eiken balken. Niet echt recht, wel heel eco. Qua uitstraling dan.

Soort van rechte hoek
Drie gedaan, nog een te gaan

De balken zijn gedaan, het graafwerk is gedaan. Zand besteld. Met een beetje mazzel kunnen we deze week de fundering doen en het houten geraamte van het schuurtje opzetten. Wordt vervolgd…

 

 

Koud gerookte makreel

makrelen pekelen
Makrelen pekelen

Mijn vrouw is dol op zalm. Gerookte zalm, zalmfilets in broodkruim, neusje van de zalm, etc. Nu is wilde zalm een fantastische vis, maar helaas nogal overbevist. De viswijzer geeft een gemengd beeld over gekweekte zalm. Er is dus vast wel een zalm met een groen keurmerkje te vinden. Ik vind gekweekte zalm gewoon niet zo denderend qua smaak. Net als met sinaasappelsnoepjes of paprikachips: als je gelooft dat het naar sinaasappel of paprika smaakt kan je jezelf misschien voor de gek houden, maar ik geloof er gewoon niet in.

Gerookte zalm uit een pakje uit de supermarkt komt bovendien zo vaak in het nieuws met listeria en salmonella besmettingen, dat ik het niet meer koop. Nu is een leven zonder koud gerookte vis ook niet echt een leven. Gelukkig is er hoop en wel in de vorm van makreel. Atlantische makreel is met een redelijk gerust geweten te eten als je de viswijzer mag geloven en het is een heerlijke vis om koud te roken.

Koud of warm roken?

Makrelen zijn zowel koud als warm te roken. Het verschil tussen warm en koud roken is dat met warm roken de rook zo’n hoge temperatuur heeft dat de vis meteen gaart. Warm roken is geen conserveringstechniek, maar een bereidingswijze. Bij het koud roken komt de temperatuur van de rook niet boven de 15°C. Het roken werkt als een conserveringsmethode, samen met het pekelen van de vis. Koud gerookte vis is dus in principe best een tijd houdbaar.

Werkwijze

Koop of vang een aantal verse makrelen. Hoe verser hoe beter. Let op dat ze er vers uitzien, naar verse vis ruiken en mooie heldere ogen hebben. Maak de vis zorgvuldig schoon of vraag de visboer dit voor je te doen. De koppen laat je er aan zitten. Als je de visboer vraagt de vissen schoon te maken, controleer ze dan thuis goed. Spoel ze goed schoon en dep ze droog.

Pekelen

Pekelen kan op twee manieren: nat en droog. Bij nat pekelen los je het zout op in water en laat je de vissen in dit pekelbad staan. Bij droog pekelen wrijf je de vissen in met pekel. Ik gebruik hiervoor een mengsel van twee delen keukenzout op één deel bruine suiker met een paar jeneverbessen, peperkorrels en laurierblaadjes voor de extra smaak. Hoeveel pekel gebruik ik? Tja, zoveel als nodig. Ik schat twee eetlepels per vis. Bij droog pekelen van hele vissen houd ik minimaal acht uur aan, soms nog iets langer.

Drogen

Na het pekelen spoel je de vissen schoon en dep je ze droog. Vervolgens rijg ik ze met hun bekjes aan een versgesneden tak, meestal van een hazelaar. Scheelt weer een spit schoonmaken. Daarna gaan ze een tijdje in de kelder hangen te drogen. Minimaal acht uur. Kan ook prima langer. Door het pekelen is de vis geconserveerd. Als de vissen mooi gedroogd zijn, nemen ze de rooksmaak beter op.

Roken

Makrelen in de rookkast
Makrelen in de rookkast

Vervolgens worden de vissen gerookt. Ik heb een simpel rookkastje van triplex en een paar regeltjes getimmerd. De rook maak ik met behulp van een koudrook generator. Dat is een stukje gaas in een spiraalvorm, die er voor zorgt dat rookmot heel langzaam smeult. Voor het roken gebruik ik meestal beukenmot of eikenmot, dat zo fijn is als zaagsel. Deze mot ontstaat vanzelf bij het zagen van brandhout voor de kachel. Als ik zonder zit is de combinatie van een elektrische schaaf en een koffiemolen behulpzaam. Grovere mot smeult op de een of andere manier niet goed door. Het moet erg fijn zijn. Afhankelijk van het soort mot rookt de kast zes tot twaalf uur op een volle generator. Het aansteken doe ik met een gasbrander en volgens wat blazen, totdat je een goede gloeiende kool hebt.

houtmot aansteken
houtmot aansteken

Ik rook de makrelen meestal twee keer acht à tien uur, dus in totaal minimaal zestien uur. Het is heel verleidelijk om direct na het roken de makrelen te proeven, maar probeer de verleiding te weerstaan. Ik hang de makrelen meestal nog een dag of twee in de kelder. De vis droogt verder en de rooksmaak trekt nog beter in de vis. Na twee dagen eens proeven en dan heb je fantastische koudgerookte vis. In totaal ben je een dag of vier bezig. Neem die tijd. Het wordt er echt beter van.

Houdbaarheid

Ik rook meestal een voorraadje in een keer. Wat we niet binnen een week eten, gooi ik in de vriezer. In de koelkast is koudgerookte vis zeker een week of twee à drie houdbaar. Het ruikt echter wel sterk naar gerookte vis en daar moet je wel van houden. Buiten de koelkast heb ik eigenlijk geen flauw idee hoe lang de koudgerookte vissen houdbaar zijn. Ik vermoed best een tijdje. De pekel en de rook hebben beide een conserverende werking. In een koele, geventileerde, droge ruimte moet dat best een tijdje goed gaan.

Wederzijdse hulp

Pjotr Kropotkin
Pjotr Kropotkin, foto PD – US

En daar is ie dan eindelijk, mijn grote vriend Kropotkin! Pjotr Kropotkin, prins, revolutionair, anarchistisch theoreticus, geograaf en ontdekkingsreiziger. Voorwaar, een tegendraadse man met tegendraadse ideeën. Zijn meest tegendraadse idee is misschien wel het idee van wederzijdse hulp als drijvende kracht in de natuur en in de samenleving.

In de natuur heerst het recht van de sterkste. Survival of the fitest. Daar krijg je evolutie en mooie vinken van. Dit Darwinistische beeld bepaalt nog steeds hoe de meeste mensen naar de natuur kijken. Onzin! zei Kropotkin. Niet de strijd van allen tegen allen, maar wederzijdse hulp is de dominante factor in de natuur. Een fantastisch en radicaal idee over de natuur, dat ook aan de basis staat van Kropotkins ideeën over de menselijke samenleving.

Mycorrhiza: symbiose van schimmel en plantenwortel

Kropotkin had gelijk met zijn wederzijdse hulp in de natuur en misschien wel op een manier die omvattender is dan hij zelf had kunnen bevroeden.  Sinds enige tijd zijn de mycorrhiza schimmels hipper dan hip in de ecologische landbouw. In het kort komt het hier op neer: overal in de natuur gaan allerlei soorten schimmels een symbiotisch samenwerkingsverband aan met plantenwortels. Dit samenwerkingsverband is zo innig dat de schimmel vergroeit met de celstructuur van de plantenwortel. De schimmel krijgt suikers van de plant. De plant ruilt de suiker voor  schaarse minerale voedingsstoffen zoals fosfor en stikstof en soms ook water. De schimmel kan verder groeien dankzij de suikers, de plant groeit beter dankzij de extra stikstof en fosfor. De ondergrondse schimmeldraden kunnen uitgroeien tot gigantische netwerken. Binnen deze netwerken kunnen ze voor de plant onbereikbare mineralen transporteren. Het bereik van het wortelnetwerk van de plant wordt dus enorm versterkt door de samenwerking met de schimmel, die op zijn beurt veel baat heeft bij de suikers die het hiervoor ontvangt.

Een belangrijke voorwaarde voor het ontstaan van mycorrhiza is een onverstoorde bodem. Zodra je gaat spitten wordt het netwerk van schimmeldraden kapot gemaakt.  Een andere voorwaarde voor het ontstaan van mycorrhiza is een bodem met een goed bodemlevenweb en voldoende toegang tot koolstofrijk organisch materiaal: ruwe compost, stro, schors, houtsnippers, etc.

Deze samenwerking op microbiologische schaal is geen exotische eigenschap van een beperkt aantal soorten, maar een algemeen fenomeen in het plantenrijk. Bijna alle plantensoorten vormen dergelijke samenwerkingsverbanden met schimmels.

Sir Albert Howard, een van de grondleggers van de ecologische landbouw, schreef al in de jaren 40 van de vorige eeuw over de centrale rol die mycorrhiza spelen in de vruchtbaarheid van de bodem en in de natuurlijke resistentie tegen plagen die gewassen hebben die deze samenwerking met schimmels aangaan. Een paar maanden geleden las ik zijn klassieker An Agricultural Testament. Sindsdien zijn voor mij een hele hoop losse eindjes bij elkaar gekomen. Ik miste de cruciale link tussen organisch materiaal, bodemleven en bodemvruchtbaarheid: de anarcho-communistische confederatie van schimmels en plantenwortels in de moestuin, die de bron is van overvloed voor allen. Daarom koken we bij ons dus met Kropotkin!

 

 

 

Kippen slachten

Haantjes uit de tuin
Haantjes uit de tuin

Geen vlees zonder een dood dier. Zo simpel was het ooit. Tegenwoordig ligt dat een stuk ingewikkelder. Industrievlees is vaak niet alleen vlees, maar ook allerlei anders. Zo bestaat de bekende UNOX-rookworst voor de 93% uit varkensvlees. De rest is … tja, iets anders.

In de groene en bewuste wereld is vlees slecht, evil zelfs, en omdat je bent wat je eet zijn vleeseters ook een beetje evil. Alle vleeseters zijn persoonlijk verantwoordelijk voor de honger in de wereld, de ontbossing  van Zuid-Amerika, alle soorten kanker en het mondiale broeikaseffect. Dat is een beetje gechargeerd, maar er zit wel een kern van waarheid in.

In ons gezin zijn we alle vier liefhebbers van vlees en dat maakt ons dus vier bijzonder verdorven mensen. Om onze ziel nog een beetje te redden, kopen we alleen biologisch vlees rechtstreeks bij de boer. Dan ben je al een stuk dichter bij de bron, maar er blijft een afstand. Een geplukte en schoongemaakte kip in een plastic zak is voedsel. Dat geldt ook voor een halve kilo gehakt onder een cellofaantje. Het vlees is “ontdiert”. Het is geen beest meer, maar een product.

Kippen plukken
Kippen plukken

Kippen slachten

Om er achter te komen hoe dit psychologisch effect precies werkt, heb ik vorig jaar twee haantjes geslacht. Geen leuk werk, wel een indringende ervaring. De scheidslijn tussen leven en dood is bijzonder dun. Een dooie haan is nog steeds een haan. Pas als hij geplukt is en de kop en poten er af zijn, begint de haan op voedsel te lijken.

Afgelopen juni waren we gezegend met een netje van 14 kuikens: 5 hennetjes, 9 haantjes. De hennetjes en een enkele haan raakten we wel kwijt. Afgelopen zaterdag moesten de over gebleven hanen er aan geloven.

Stap 1: doe je huiswerk

Hoe ben ik te werk gegaan? Om te beginnen heb ik me op internet verdiept in het slachtproces. Youtube staat vol met instructiefilmpjes. Je kan natuurlijk ook iemand met ervaring vragen om het voor te doen of mee te kijken. Je moet in ieder geval weten waar je aan begint. Het laatste wat je wilt is een dier onnodig laten lijden door stress en geklungel.

Stap 2: slachten

Er zijn verschillende manieren om een kip te slachten. Ik ben uiteindelijk terecht gekomen bij de combinatie van een slachttrechter en het doorsnijden van de halsslagader. Bij deze methode stop je de kip op zijn kop door een trechtervormig ding. In mijn geval was dat een opgerolde placemat, die ik aan een houten stellage had bevestigd. De trechter fixeert het dier, zodat het rustig blijft. Door de kop een kwart slag te draaien komt de halsslagader bloot te liggen. Als je deze doorsnijdt, bloedt de kip dood. Of het pijnloos is, weet ik niet. Het gaat wel heel snel. Binnen een seconde verliest het dier het bewustzijn en is even later hersendood. Het hart pompt ondertussen het bloed eruit. Nadat de dood is ingetreden, kan het dier nog heftig gaan schokken. Dit is het bekende ‘rennen als een kip zonder kop’.

Als je de methode van de slachttrechter gebruikt, zorg er dan voor dat je een vlijmscherp mes hebt en dat de trechter goed pas. De kip moet makkelijk in de trechter passen en zijn kop moet gemakkelijk door de opening aan het uiteinde kunnen.

Stap 3 plukken

Het plukken van de kip gaat het makkelijkst als je het dier eerst ongeveer 40 seconden onderdompelt in een pan heet water. Het water moet ongeveer 60ºC zijn.

Stap 4 schoonmaken

Nadat de kip geplukt is, kan de kop eraf. Voordat ik dat doe, snijd ik de hals open en verwijder ik de krop. De kop hak ik er met een bijl af op een hakblok. Ik hak dan gelijk ook de poten eraf. Daarna snijdt je kip open tussen staart en anus. Pas op dat je geen darmen raakt. Daarna kan je de anus los snijden en alle ingewanden er uit halen. Persoonlijk vind ik dit het minste aangename werk. Een deel van de ingewanden komt vanzelf mee; een deel vraagt soms wat meer overtuiging. Pas ook op dat de galblaas niet knapt. Als alle ingewanden er uit zijn de kip van binnen en buiten goed schoon spoelen en een dag in de koelkast laten besterven. Daarna kan je de kip desgewenst in stukken verdelen. Bedenk wel dat oude kippen en hanen behoorlijk taai kunnen zijn. Soep is dan de beste bestemming.

Stap 5 de kringloop compleet

Bloed, veren en ander slachtafval kan op de composthoop. Dat maakt de kringloop compleet. Het is een uitstekende bron van stikstof. Om ongedierte en problemen met rovende katten te vermijden gaat het spul in het afsluitbare VAM-vat en dek ik het af met een hoop mest, stro of ander materiaal. Als het composteringsproces goed op gang is, is er na een paar maanden al weinig meer van terug te vinden.

Ten slotte

Om misverstanden te voorkomen: dit is geen pleidooi om je keukenmes uit de lade te halen en te gaan experimenteren met het slachten van je huisdieren. Het wordt al snel een akelig bloedbad. Er zijn talloze redenen om niet je eigen kippen te slachten: het is akelig werk, het is bruut werk, het is onsmakelijk werk en het is veel werk als je het allemaal met de hand moet doen. Als je klaar bent kleeft er letterlijk bloed aan je handen.

Waarom zou je het wel doen? Misschien is bezieling het beste antwoord. Een dier dat je zelf hebt groot gebracht, dat een zomer en herfst lang over je erf heeft gescharreld en dat je vervolgens slacht en opeet, wordt nooit alleen vlees. Er blijft iets van dat diertje over in dat sateetje of die soep. Het is voedsel dat onder de huid zit, waarvoor je een psychologische grens bent overgestoken. Het is voedsel dat mijlen ver verwijderd is van de industriekip, die je voor een habbekrats in je winkelwagen flikkert en weg kaant.  De smaak is onvergelijkbaar, laat staan dat je de levensomstandigheden van een industriekip kan vergelijken met die op ons erf. Een haantje wordt bij ons een maand of vijf; in de bioindustrie gaan hanenkuikens door de shredder.

Konijnen

Grappie en Vlekkie
Grappie en Vlekkie

Konijnen zijn erg zen. Ze stralen onschuld, speelsheid en fluffyness in het algemeen uit. Leuk voor de kinderen dus, maar ik beschouw ze vooral als full time medewerkers in de mestproductie. Stro, hooi, gras, groenteresten, pas gesnoeide takken: ze zetten het allemaal om in mooie, compacte mestkorrels.

We hebben twee marktplaats konijnen, die over de zomer in een riante ren van 100 procent cradle to cradle materiaal vertoeven. Elke dag verplaatsen we de ren, zodat ze iedere dag wat vers gras te eten hebben en een nieuw plekje vinden om hun mest achter te laten. Dit draagt over de zomer bij aan een licht chaotisch maaibeheer van de voortuin en zorgt tegelijk voor wat bemesting.

In de winter betrekken de beide dames of heren, het geslacht weet ik eigenlijk niet, hun winterpaleis: een stevig hok van waterproof multyplex dat we voor nop van vrienden over konden nemen. Daar zitten ze lekker droog en uit de wind op een laag stro en hooi. Het stro is vooral voor de warmte en het opvangen van mest, maar ik zie ze er ook regelmatig flink de tanden in zetten.

De beestjes zijn vrij kieskeurig in het doen van hun behoefte. Dat beperkt het uitmesten tot een selecte hoek van het hok iedere week en om de week een heel nieuw schoon hok. De mest gaat op de hoop. Dat levert in het voorjaar een paar kruiwagen konijnenmest op voor de groentetuin en kas.

Konijnen eten gras, hooi en ander groenvoer. Af en toe een korst brood. Soms een oude wortel. Regelmatig een paar dunne, pas gesnoeide takken. We voeren ze zelden bij met konijnenkorrel. Ik heb steeds meer het idee dat deze korrel een soort junkfood voor de rabbies is. Pakken stro en hooi halen we bij een boer in de buurt. Dat kan met een aanhangwagen, maar het zal je verbazen hoeveel er achter een in Skoda Fabia past.

Stropakken in een skoda fabia
Passen en meten met een ecodiesel

 

 

Elke euro is een politieke keuze

 grafiek uitgaven voeding 2012 vs 2017
uitgaven voeding 2012 vs 2017

Elke keer als je iets koopt maak je een keuze. Volgens economen is dat per definitie een rationele, economische keuze. Je besteedt je geld aan datgene dat voor jou op dat moment het meeste nut oplevert. Dat is natuurlijk complete onzin. Negen van de tien boodschappenwagens ligt bij de kassa vol met te zoute en te vette prefab-rommel die bovendien uit zijn voegen barst van de synthetische kleurstoffen en conserveringsmiddelen, gedrenkt zijn in een flinke portie dierenleed en gewikkeld in drie lagen overbodig verpakkingsmateriaal. Wil je beter, duurzamer en eerlijker voedsel? Dan moet je beter, duurzamer en eerlijker voedsel kopen. Of het zelf verbouwen natuurlijk. In essentie is elke aankoop een bewuste of onbewuste keuze voor het economisch, politiek en ecologisch model dat aan de productie van hetgeen je koopt ten grondslag ligt.

In 2011 ben ik begonnen met het systematisch plannen en bijhouden van onze huishoudfinanciën. Elke banktransactie voer ik in in een boekhoudprogramma en boek ik onder een post. Omdat we vrijwel al onze boodschappen per pin betalen bevat het boekhoudprogramma een schat aan informatie over de consumentenkeuzes die we de afgelopen jaren gemaakt hebben. De grafiek aan het begin van deze post heb ik op basis van onze boekhouding gemaakt en laat zien hoeveel we in 2012 en 2017 uitgaven aan voeding. Voor 2017 heb ik bovendien een schatting opgenomen van de economische waarde van wat we aan eigen voeding produceren: de opbrengt van de groentetuin en kas, het brood dat we bakken (minus de kosten), de eieren van de kippen, etc.

2012: hoogste kwaliteit, laagste prijs.

In 2012 waren we met zijn drieën; Daniel was net geboren. We zijn nu met zijn vieren, Daniel is inmiddels zes en Lotte is vier. In 2012 gaven we zo’n € 5.500,- uit aan voeding. Driekwart werd besteed in de supermarkt; de rest bij de bakker, de slager, de groenteboer, de kaasbus, de toko en op de markt. De hoogste kwaliteit voor de laagste prijs; dat was zo’n beetje onze aankoop filosofie. Laat de Aldi dit nu net als leuze hebben. Kwaliteit won het over het algemeen van prijs. Amper tot geen prefab rommel. Groente en fruit kochten we grotendeels bij de groenteboer, vlees bij een uitstekende keurslager, brood bij de warme bakker, kaas bij de kaasbus. De rest bij de supermarkt. Politieke en ecologische factoren speelden een bescheiden rol. Heel af en toe wat biologische groente of zuivel, koffie alleen fair trade, alleen scharreleieren, geen industriekip. Tamelijk veel vlees. Groente en fruit ongeveer in het seizoen en niet van te ver weg. Dat was het wel zo’n beetje. Ik was al een beetje bezig met een moestuintje, maar de productie daarvan was niet noemenswaardig.

2017: bewuste consument en microproducent

Sinds 2012 is er een hoop veranderd. De herkomst van onze voedsel is steeds zwaarder gaan meewegen in de boodschappenkar en we zijn stapje voor stapje meer zelf gaan produceren . Ik beschouw mezelf als een hyperbewuste consument. Ik lees alle etiketten, kijk naar de herkomst, verdiep me in alle keurmerken, ken de lijst van seizoensgroenten vrijwel uit mijn hoofd, let op E-nummers, etc. Mijn vrouw is iets minder bewust en dat maakt ons samen gewoon bewust. Per categorie maken we afwegingen. Vrijwel alle het vlees dat we eten komt van lokale biologische producenten. Dat geldt ook voor driekwart van de kaas en zuivel. Brood bakken we voor driekwart zelf van meel van de molen van graan van grotendeels lokale oorsprong. Driekwart van de groente komt uit de tuin. In de late winter en het vroege voorjaar kopen we de meeste groente, omdat de tuin dan vrijwel leeg is. Wat we kopen is dan lokaal en in het seizoen. Heel af en toe een tomaat, paprika of aubergine uit de gasgestookte Hollandse kas. Behalve een trosje bananen per twee weken eten we bijna geen tropisch fruit.

Alles bij elkaar gaven we in 2017 ruim € 6.100,- uit aan voeding. Het aandeel van de supermarkt is flink teruggelopen. De supermarkt is meer een kruidenier geworden. Er gaat nu zo’n € 1.500,- rechtstreeks naar de boer. Onze eigen productie schat ik op een netto waarder van ruim € 1.000,-.

Wat nou moestuintjes?

De omschakeling: een kwestie van mentaliteit

Nog steeds komt ruim de helft van onze voeding uit de reguliere levensmiddelenindustrie en supermarktketen. Voor de andere helft maken we bewust een andere keuze of maken we het zelf. Dat is in vijf jaar tijd een grote omschakeling. Per saldo zijn de kosten in euro’s van deze andere keuzes amper hoger. Met een extra mond te voeden zijn we maar een paar tientjes per maand meer gaan uitgeven. Tegelijk gaat er meer geld naar de lokale economie en minder naar de multinationals.  We zijn een enorme hoeveelheid kennis en ervaring in het verbouwen, conserveren en verwerken van voedsel rijker. Onze tuin is vruchtbaarder en bevat meer biodiversiteit dan vijf jaar geleden. We hebben prachtige ervaringen opgedaan en fantastische mensen leren kennen. We eten gezonder. De kinderen groeien op met een intens besef van de oorsprong van hun voedsel en respect voor wat er op hun bord ligt. Allemaal zaken die onbetaalbaar zijn en belangrijker dan een optelsom van euro’s, kilo’s en centen. Een andere mentaliteit is de belangrijkste omschakeling. Een maker denkt anders dan een consument. Afgelopen zomer was er in de supermarkten bijna geen ei te krijgen door het zoveelste voedselschandaal. Vertrouwen op menselijke relaties, de natuur en je eigen afweersysteem geeft een groter gevoel van voedselveiligheid en voedselzekerheid dan “steriele” productieketens en de NVWA.

Verse knoflook. Uit een potje?

PS: het rekenmodel

Ik mag graag rekenen. Die € 1.000,- eigen productie, dat blijft een slag in de lucht natuurlijk. Hoe druk je 60 kilo van de lekkerste, ultra biologische tomaten uit in geld? Ik ben als volgt te werk gegaan. Ik heb gerekend met een gemiddelde kiloprijs voor de eigen groente van  netto drie euro per kilo op basis van wat ik zo her en der zie aan prijzen voor biologische groente. Een kilo bio-aardappelen doet rond de 1,70 bij Albert Heijn, een halve pond bio cherrytomaatjes kan oplopen tot tweevijftig a drie euro. Per kilo zit je dan rond de tien euro. Drie euro per kilo leek mij redelijk. Vrije uitloop bio-eieren doen 30 cent per stuk. Dat is makkelijk. Ik heb alleen de eieren niet geteld. Een brood van de warme bakker doet al gouw een euro of drie en per brood gaan er dan nog de kosten van de grondstoffen af. Energie komt voor driekwart gratis van de zonnepanelen. De grootste verborgen kostenpost is natuurlijk tijd. Brood bakken, de moestuin verzorgen, kippen voeren, augurken inmaken, het kost allemaal tijd. Veel tijd. Productieve tijd. Als ik die tijd zelfs maar voor minimum loon mee zou rekenen, dan zou de balans zwaar omslaan. Maar die tijd rekenen we niet. Waarom zouden we?