Het raamwerk

Deze post is een vervolg op Splijtstam.

Denk, denk, denk…

Het geraamte van het nieuwe schuurtje staat! Vorige week dacht ik nog dat de planning misschien wat te optimistisch was, maar met het mooie, zonnige en droge weer konden we flink opschieten.

Fundament

De plek waar het schuurtje komt heb ik uitgezet met pikketpaaltjes, een steek diep uitgegraven en opgevuld met twee kuub zand. Hierop heb ik met blokken puin en basalt een fundament gemaakt voor de acht palen, die het dak moeten dragen. Ik heb nog even betonnen stempels overwogen, maar het leek me wat overkill voor een relatief licht bouwwerk. Bovendien vraagt de productie van beton heel veel energie en is daarom niet zo’n groen bouwmateriaal.

Constructie

Oud en nieuw

Met de funderingsstenen op hun plek is een  constuctie  van rechte balken niet zo ingewikkeld. Waterpas, winkelhaak, houtboor, draadeinde, moeren en aan de slag. Mijn vier eiken stammen zijn echter alles behalve recht toe, recht aan. Dan helpt geen waterpas of winkelhaak. Dan moet het op het oog. Of het gevoel. Het kan ook op verstand, maar dan moet je niet al te rechtlijnig zijn in je denken. De belangrijkste hulpstukken bij het plaatsen van de eiken palen bleken een paar houten wiggen te zijn. Balken op hun plek zetten, uitlijnen met de balken van de dakconctructie en dan met een paar wiggen op zoek naar het zwaartepunt van de balk. Vervolgens vastzetten met tijdelijke schoren en dan de draagbalken van het dak er op. Schoren er onder en op naar de dakconstructie. Als het weer mee blijft werken moet die er volgende week wel op liggen.

eiken schoren
van tak tot schoor
geraamte van eik en vloerbalk
Het geraamte staat

Wordt vervolgd.

 

 

 

Splijtstam

Tijdelijke school in aanbouw
Tijdelijke school in aanbouw

Tegenover ons huis wordt een tijdelijke basisschool gebouwd, zodat onze kinderen veilig onder dak zitten terwijl hun oude schoolgebouw aardbevingsproof gemaakt wordt. Met een ingenieus systeem van prefab units staat er in een paar dagen een compleet schoolgebouw bij ons voor de deur.

Ecologisch aanpakken

Zien bouwen, doet bouwen. Een van de grotere projecten die we dit jaar verzonnen hebben is het bouwen van een nieuw schuurtje/kippenhok. Dit bouwprojectje gaan we uiteraard cradle-to-cradle, circulair en ecologisch aanpakken. Dat begint bij de materialen, waar mogelijk hergebruikt en uit de directe omgeving.

Na de verbouwing van de keuken vorig jaar zijn we een stapeltje vloerbalken rijker. Prima bouwmateriaal voor het geraamte van de schuur. Voor de fundering heb ik een paar flinke blokken puin apart gelegd. Maar het mooiste is nog de Amerikaanse eik die we afgelopen herfst hebben laten kappen. Deze leverde een tamelijk noestenvrije en behoorlijke rechte stam van krap twee meter lengte en een miniale doorsnee van 35 cm op. Een loodzwaar kreng dat mijn vrouw en ik met duwen, trekken, tillen, hefbomen, rollen en echtelijk verbaal geweld van de plaats waar hij geveld was verwijderd kregen.

Amerikaanse eik
Amerikaanse eik

Zagen of …?

Wat te doen met deze stam? Mijn eerste gedachte was er balken van te laten zagen. Hier zouden toch vier mooie balken van 15×15 cm uit te halen moeten zijn. Mijn tweede gedachte was de stam zelf in vieren te splijten en de ruwe delen te bewerken tot iets vierkantachtigs. Voorwaar een dilemma. Zagen geeft vier mooie rechttoe rechtaan stukken. Een uurtje klooien om het ding op een aanhanger te krijgen. Even heen en weer rijden naar een zagerij. Praktisch, efficient, voorspelbaar resultaat. Zelf splijten geeft een onvoorspelbaar resultaat, vier ongelijke ruwe stukken en betekent een paar dagen klooien om er iets werkbaars van te maken. Weken heb ik lopen dubben. Uiteindelijk is zelf doen voor mij onweerstaanbaar. Met je blote handen en een paar bijlen en wiggen een boomstam omvormen tot timmerhout; dat maakt je aanhangertje volmikken bij de bouwmarkt toch een vorm van magnetronmaaltijd-bouwen.

Stammen splijten

stammen splijten
Stammen splijten met behulp van wiggen

Enige studie op internet en wat oefenwerk met kleinere stammetjes leerde mij de volgende praktische lessen bij het stammen splijten.

  • Bekijk de stam goed voordat je gaat splijten. Waar is hij dikker, waar dunner, waar zitten noesten, hoe rond of vierkant is de stam, waar zit het hart, hoe lopen de nerven? Markeer met een potlood hoe je de stam gespleten zou willen hebben en hoop dat je daar ook uitkomt.
  • Werk van de dunne kant naar de dikke kant van de stam; dan heb je meer kans dat de stam netjes doormidden splijt.
  • Splijt langs of dwars door noesten, maar niet er haaks op.
  • Maak gebruik van scheuren die al van nature in het hout zitten of maak met een scherpe bijl een eerste inkeping dwars over het uiteinde van de stam.
  • Sla met beleid de eerste wig aan het uiteinde in de stam. Ik heb niet goed kunnen ontdekken of je beter vanuit de rand of het hart kan beginnen. Ik ben vanuit de rand begonnen. Sla de wig er een stukje in, net zolang tot je een scheur ziet ontstaan.
  • Volg met de scheur die de eeste wig heeft gemaakt met meer wiggen in de lengte van de stam en dwars op de stam. Gebruik eventueel bredere, houten wiggen om de scheur breder te krijgen dan je stalen wig.
  • Volg het hout. Je kan amper sturen.
  • Sla de wiggen zo diep dat de stam uiteindelijk doormidden splijt.
  • Hak de laatste splinters waar de helften op vast blijven hangen met een bijl doormidden.
Gespleten stam
Gespleten stam

Na een paar uurtjes werk was dit het resultaat: vier ruwe kwart stammen, klaar om verder bewerkt te worden. Het grote voordeel van een kwart stam is dat hij maar een kwart weegt en dus een stuk makkelijker te hanteren is. Met een handbijltje heb ik de kanten wat bijgewerkt. Vervolgens de  elektrische schaaf erover. Het resultaat: vier eiken balken. Niet echt recht, wel heel eco. Qua uitstraling dan.

Soort van rechte hoek
Drie gedaan, nog een te gaan

De balken zijn gedaan, het graafwerk is gedaan. Zand besteld. Met een beetje mazzel kunnen we deze week de fundering doen en het houten geraamte van het schuurtje opzetten. Wordt vervolgd…

 

 

Koud gerookte makreel

makrelen pekelen
Makrelen pekelen

Mijn vrouw is dol op zalm. Gerookte zalm, zalmfilets in broodkruim, neusje van de zalm, etc. Nu is wilde zalm een fantastische vis, maar helaas nogal overbevist. De viswijzer geeft een gemengd beeld over gekweekte zalm. Er is dus vast wel een zalm met een groen keurmerkje te vinden. Ik vind gekweekte zalm gewoon niet zo denderend qua smaak. Net als met sinaasappelsnoepjes of paprikachips: als je gelooft dat het naar sinaasappel of paprika smaakt kan je jezelf misschien voor de gek houden, maar ik geloof er gewoon niet in.

Gerookte zalm uit een pakje uit de supermarkt komt bovendien zo vaak in het nieuws met listeria en salmonella besmettingen, dat ik het niet meer koop. Nu is een leven zonder koud gerookte vis ook niet echt een leven. Gelukkig is er hoop en wel in de vorm van makreel. Atlantische makreel is met een redelijk gerust geweten te eten als je de viswijzer mag geloven en het is een heerlijke vis om koud te roken.

Koud of warm roken?

Makrelen zijn zowel koud als warm te roken. Het verschil tussen warm en koud roken is dat met warm roken de rook zo’n hoge temperatuur heeft dat de vis meteen gaart. Warm roken is geen conserveringstechniek, maar een bereidingswijze. Bij het koud roken komt de temperatuur van de rook niet boven de 15°C. Het roken werkt als een conserveringsmethode, samen met het pekelen van de vis. Koud gerookte vis is dus in principe best een tijd houdbaar.

Werkwijze

Koop of vang een aantal verse makrelen. Hoe verser hoe beter. Let op dat ze er vers uitzien, naar verse vis ruiken en mooie heldere ogen hebben. Maak de vis zorgvuldig schoon of vraag de visboer dit voor je te doen. De koppen laat je er aan zitten. Als je de visboer vraagt de vissen schoon te maken, controleer ze dan thuis goed. Spoel ze goed schoon en dep ze droog.

Pekelen

Pekelen kan op twee manieren: nat en droog. Bij nat pekelen los je het zout op in water en laat je de vissen in dit pekelbad staan. Bij droog pekelen wrijf je de vissen in met pekel. Ik gebruik hiervoor een mengsel van twee delen keukenzout op één deel bruine suiker met een paar jeneverbessen, peperkorrels en laurierblaadjes voor de extra smaak. Hoeveel pekel gebruik ik? Tja, zoveel als nodig. Ik schat twee eetlepels per vis. Bij droog pekelen van hele vissen houd ik minimaal acht uur aan, soms nog iets langer.

Drogen

Na het pekelen spoel je de vissen schoon en dep je ze droog. Vervolgens rijg ik ze met hun bekjes aan een versgesneden tak, meestal van een hazelaar. Scheelt weer een spit schoonmaken. Daarna gaan ze een tijdje in de kelder hangen te drogen. Minimaal acht uur. Kan ook prima langer. Door het pekelen is de vis geconserveerd. Als de vissen mooi gedroogd zijn, nemen ze de rooksmaak beter op.

Roken

Makrelen in de rookkast
Makrelen in de rookkast

Vervolgens worden de vissen gerookt. Ik heb een simpel rookkastje van triplex en een paar regeltjes getimmerd. De rook maak ik met behulp van een koudrook generator. Dat is een stukje gaas in een spiraalvorm, die er voor zorgt dat rookmot heel langzaam smeult. Voor het roken gebruik ik meestal beukenmot of eikenmot, dat zo fijn is als zaagsel. Deze mot ontstaat vanzelf bij het zagen van brandhout voor de kachel. Als ik zonder zit is de combinatie van een elektrische schaaf en een koffiemolen behulpzaam. Grovere mot smeult op de een of andere manier niet goed door. Het moet erg fijn zijn. Afhankelijk van het soort mot rookt de kast zes tot twaalf uur op een volle generator. Het aansteken doe ik met een gasbrander en volgens wat blazen, totdat je een goede gloeiende kool hebt.

houtmot aansteken
houtmot aansteken

Ik rook de makrelen meestal twee keer acht à tien uur, dus in totaal minimaal zestien uur. Het is heel verleidelijk om direct na het roken de makrelen te proeven, maar probeer de verleiding te weerstaan. Ik hang de makrelen meestal nog een dag of twee in de kelder. De vis droogt verder en de rooksmaak trekt nog beter in de vis. Na twee dagen eens proeven en dan heb je fantastische koudgerookte vis. In totaal ben je een dag of vier bezig. Neem die tijd. Het wordt er echt beter van.

Houdbaarheid

Ik rook meestal een voorraadje in een keer. Wat we niet binnen een week eten, gooi ik in de vriezer. In de koelkast is koudgerookte vis zeker een week of twee à drie houdbaar. Het ruikt echter wel sterk naar gerookte vis en daar moet je wel van houden. Buiten de koelkast heb ik eigenlijk geen flauw idee hoe lang de koudgerookte vissen houdbaar zijn. Ik vermoed best een tijdje. De pekel en de rook hebben beide een conserverende werking. In een koele, geventileerde, droge ruimte moet dat best een tijdje goed gaan.

Wederzijdse hulp

Pjotr Kropotkin
Pjotr Kropotkin, foto PD – US

En daar is ie dan eindelijk, mijn grote vriend Kropotkin! Pjotr Kropotkin, prins, revolutionair, anarchistisch theoreticus, geograaf en ontdekkingsreiziger. Voorwaar, een tegendraadse man met tegendraadse ideeën. Zijn meest tegendraadse idee is misschien wel het idee van wederzijdse hulp als drijvende kracht in de natuur en in de samenleving.

In de natuur heerst het recht van de sterkste. Survival of the fitest. Daar krijg je evolutie en mooie vinken van. Dit Darwinistische beeld bepaalt nog steeds hoe de meeste mensen naar de natuur kijken. Onzin! zei Kropotkin. Niet de strijd van allen tegen allen, maar wederzijdse hulp is de dominante factor in de natuur. Een fantastisch en radicaal idee over de natuur, dat ook aan de basis staat van Kropotkins ideeën over de menselijke samenleving.

Mycorrhiza: symbiose van schimmel en plantenwortel

Kropotkin had gelijk met zijn wederzijdse hulp in de natuur en misschien wel op een manier die omvattender is dan hij zelf had kunnen bevroeden.  Sinds enige tijd zijn de mycorrhiza schimmels hipper dan hip in de ecologische landbouw. In het kort komt het hier op neer: overal in de natuur gaan allerlei soorten schimmels een symbiotisch samenwerkingsverband aan met plantenwortels. Dit samenwerkingsverband is zo innig dat de schimmel vergroeit met de celstructuur van de plantenwortel. De schimmel krijgt suikers van de plant. De plant ruilt de suiker voor  schaarse minerale voedingsstoffen zoals fosfor en stikstof en soms ook water. De schimmel kan verder groeien dankzij de suikers, de plant groeit beter dankzij de extra stikstof en fosfor. De ondergrondse schimmeldraden kunnen uitgroeien tot gigantische netwerken. Binnen deze netwerken kunnen ze voor de plant onbereikbare mineralen transporteren. Het bereik van het wortelnetwerk van de plant wordt dus enorm versterkt door de samenwerking met de schimmel, die op zijn beurt veel baat heeft bij de suikers die het hiervoor ontvangt.

Een belangrijke voorwaarde voor het ontstaan van mycorrhiza is een onverstoorde bodem. Zodra je gaat spitten wordt het netwerk van schimmeldraden kapot gemaakt.  Een andere voorwaarde voor het ontstaan van mycorrhiza is een bodem met een goed bodemlevenweb en voldoende toegang tot koolstofrijk organisch materiaal: ruwe compost, stro, schors, houtsnippers, etc.

Deze samenwerking op microbiologische schaal is geen exotische eigenschap van een beperkt aantal soorten, maar een algemeen fenomeen in het plantenrijk. Bijna alle plantensoorten vormen dergelijke samenwerkingsverbanden met schimmels.

Sir Albert Howard, een van de grondleggers van de ecologische landbouw, schreef al in de jaren 40 van de vorige eeuw over de centrale rol die mycorrhiza spelen in de vruchtbaarheid van de bodem en in de natuurlijke resistentie tegen plagen die gewassen hebben die deze samenwerking met schimmels aangaan. Een paar maanden geleden las ik zijn klassieker An Agricultural Testament. Sindsdien zijn voor mij een hele hoop losse eindjes bij elkaar gekomen. Ik miste de cruciale link tussen organisch materiaal, bodemleven en bodemvruchtbaarheid: de anarcho-communistische confederatie van schimmels en plantenwortels in de moestuin, die de bron is van overvloed voor allen. Daarom koken we bij ons dus met Kropotkin!

 

 

 

Kippen slachten

Haantjes uit de tuin
Haantjes uit de tuin

Geen vlees zonder een dood dier. Zo simpel was het ooit. Tegenwoordig ligt dat een stuk ingewikkelder. Industrievlees is vaak niet alleen vlees, maar ook allerlei anders. Zo bestaat de bekende UNOX-rookworst voor de 93% uit varkensvlees. De rest is … tja, iets anders.

In de groene en bewuste wereld is vlees slecht, evil zelfs, en omdat je bent wat je eet zijn vleeseters ook een beetje evil. Alle vleeseters zijn persoonlijk verantwoordelijk voor de honger in de wereld, de ontbossing  van Zuid-Amerika, alle soorten kanker en het mondiale broeikaseffect. Dat is een beetje gechargeerd, maar er zit wel een kern van waarheid in.

In ons gezin zijn we alle vier liefhebbers van vlees en dat maakt ons dus vier bijzonder verdorven mensen. Om onze ziel nog een beetje te redden, kopen we alleen biologisch vlees rechtstreeks bij de boer. Dan ben je al een stuk dichter bij de bron, maar er blijft een afstand. Een geplukte en schoongemaakte kip in een plastic zak is voedsel. Dat geldt ook voor een halve kilo gehakt onder een cellofaantje. Het vlees is “ontdiert”. Het is geen beest meer, maar een product.

Kippen plukken
Kippen plukken

Kippen slachten

Om er achter te komen hoe dit psychologisch effect precies werkt, heb ik vorig jaar twee haantjes geslacht. Geen leuk werk, wel een indringende ervaring. De scheidslijn tussen leven en dood is bijzonder dun. Een dooie haan is nog steeds een haan. Pas als hij geplukt is en de kop en poten er af zijn, begint de haan op voedsel te lijken.

Afgelopen juni waren we gezegend met een netje van 14 kuikens: 5 hennetjes, 9 haantjes. De hennetjes en een enkele haan raakten we wel kwijt. Afgelopen zaterdag moesten de over gebleven hanen er aan geloven.

Stap 1: doe je huiswerk

Hoe ben ik te werk gegaan? Om te beginnen heb ik me op internet verdiept in het slachtproces. Youtube staat vol met instructiefilmpjes. Je kan natuurlijk ook iemand met ervaring vragen om het voor te doen of mee te kijken. Je moet in ieder geval weten waar je aan begint. Het laatste wat je wilt is een dier onnodig laten lijden door stress en geklungel.

Stap 2: slachten

Er zijn verschillende manieren om een kip te slachten. Ik ben uiteindelijk terecht gekomen bij de combinatie van een slachttrechter en het doorsnijden van de halsslagader. Bij deze methode stop je de kip op zijn kop door een trechtervormig ding. In mijn geval was dat een opgerolde placemat, die ik aan een houten stellage had bevestigd. De trechter fixeert het dier, zodat het rustig blijft. Door de kop een kwart slag te draaien komt de halsslagader bloot te liggen. Als je deze doorsnijdt, bloedt de kip dood. Of het pijnloos is, weet ik niet. Het gaat wel heel snel. Binnen een seconde verliest het dier het bewustzijn en is even later hersendood. Het hart pompt ondertussen het bloed eruit. Nadat de dood is ingetreden, kan het dier nog heftig gaan schokken. Dit is het bekende ‘rennen als een kip zonder kop’.

Als je de methode van de slachttrechter gebruikt, zorg er dan voor dat je een vlijmscherp mes hebt en dat de trechter goed pas. De kip moet makkelijk in de trechter passen en zijn kop moet gemakkelijk door de opening aan het uiteinde kunnen.

Stap 3 plukken

Het plukken van de kip gaat het makkelijkst als je het dier eerst ongeveer 40 seconden onderdompelt in een pan heet water. Het water moet ongeveer 60ºC zijn.

Stap 4 schoonmaken

Nadat de kip geplukt is, kan de kop eraf. Voordat ik dat doe, snijd ik de hals open en verwijder ik de krop. De kop hak ik er met een bijl af op een hakblok. Ik hak dan gelijk ook de poten eraf. Daarna snijdt je kip open tussen staart en anus. Pas op dat je geen darmen raakt. Daarna kan je de anus los snijden en alle ingewanden er uit halen. Persoonlijk vind ik dit het minste aangename werk. Een deel van de ingewanden komt vanzelf mee; een deel vraagt soms wat meer overtuiging. Pas ook op dat de galblaas niet knapt. Als alle ingewanden er uit zijn de kip van binnen en buiten goed schoon spoelen en een dag in de koelkast laten besterven. Daarna kan je de kip desgewenst in stukken verdelen. Bedenk wel dat oude kippen en hanen behoorlijk taai kunnen zijn. Soep is dan de beste bestemming.

Stap 5 de kringloop compleet

Bloed, veren en ander slachtafval kan op de composthoop. Dat maakt de kringloop compleet. Het is een uitstekende bron van stikstof. Om ongedierte en problemen met rovende katten te vermijden gaat het spul in het afsluitbare VAM-vat en dek ik het af met een hoop mest, stro of ander materiaal. Als het composteringsproces goed op gang is, is er na een paar maanden al weinig meer van terug te vinden.

Ten slotte

Om misverstanden te voorkomen: dit is geen pleidooi om je keukenmes uit de lade te halen en te gaan experimenteren met het slachten van je huisdieren. Het wordt al snel een akelig bloedbad. Er zijn talloze redenen om niet je eigen kippen te slachten: het is akelig werk, het is bruut werk, het is onsmakelijk werk en het is veel werk als je het allemaal met de hand moet doen. Als je klaar bent kleeft er letterlijk bloed aan je handen.

Waarom zou je het wel doen? Misschien is bezieling het beste antwoord. Een dier dat je zelf hebt groot gebracht, dat een zomer en herfst lang over je erf heeft gescharreld en dat je vervolgens slacht en opeet, wordt nooit alleen vlees. Er blijft iets van dat diertje over in dat sateetje of die soep. Het is voedsel dat onder de huid zit, waarvoor je een psychologische grens bent overgestoken. Het is voedsel dat mijlen ver verwijderd is van de industriekip, die je voor een habbekrats in je winkelwagen flikkert en weg kaant.  De smaak is onvergelijkbaar, laat staan dat je de levensomstandigheden van een industriekip kan vergelijken met die op ons erf. Een haantje wordt bij ons een maand of vijf; in de bioindustrie gaan hanenkuikens door de shredder.

Konijnen

Grappie en Vlekkie
Grappie en Vlekkie

Konijnen zijn erg zen. Ze stralen onschuld, speelsheid en fluffyness in het algemeen uit. Leuk voor de kinderen dus, maar ik beschouw ze vooral als full time medewerkers in de mestproductie. Stro, hooi, gras, groenteresten, pas gesnoeide takken: ze zetten het allemaal om in mooie, compacte mestkorrels.

We hebben twee marktplaats konijnen, die over de zomer in een riante ren van 100 procent cradle to cradle materiaal vertoeven. Elke dag verplaatsen we de ren, zodat ze iedere dag wat vers gras te eten hebben en een nieuw plekje vinden om hun mest achter te laten. Dit draagt over de zomer bij aan een licht chaotisch maaibeheer van de voortuin en zorgt tegelijk voor wat bemesting.

In de winter betrekken de beide dames of heren, het geslacht weet ik eigenlijk niet, hun winterpaleis: een stevig hok van waterproof multyplex dat we voor nop van vrienden over konden nemen. Daar zitten ze lekker droog en uit de wind op een laag stro en hooi. Het stro is vooral voor de warmte en het opvangen van mest, maar ik zie ze er ook regelmatig flink de tanden in zetten.

De beestjes zijn vrij kieskeurig in het doen van hun behoefte. Dat beperkt het uitmesten tot een selecte hoek van het hok iedere week en om de week een heel nieuw schoon hok. De mest gaat op de hoop. Dat levert in het voorjaar een paar kruiwagen konijnenmest op voor de groentetuin en kas.

Konijnen eten gras, hooi en ander groenvoer. Af en toe een korst brood. Soms een oude wortel. Regelmatig een paar dunne, pas gesnoeide takken. We voeren ze zelden bij met konijnenkorrel. Ik heb steeds meer het idee dat deze korrel een soort junkfood voor de rabbies is. Pakken stro en hooi halen we bij een boer in de buurt. Dat kan met een aanhangwagen, maar het zal je verbazen hoeveel er achter een in Skoda Fabia past.

Stropakken in een skoda fabia
Passen en meten met een ecodiesel

 

 

Elke euro is een politieke keuze

 grafiek uitgaven voeding 2012 vs 2017
uitgaven voeding 2012 vs 2017

Elke keer als je iets koopt maak je een keuze. Volgens economen is dat per definitie een rationele, economische keuze. Je besteedt je geld aan datgene dat voor jou op dat moment het meeste nut oplevert. Dat is natuurlijk complete onzin. Negen van de tien boodschappenwagens ligt bij de kassa vol met te zoute en te vette prefab-rommel die bovendien uit zijn voegen barst van de synthetische kleurstoffen en conserveringsmiddelen, gedrenkt zijn in een flinke portie dierenleed en gewikkeld in drie lagen overbodig verpakkingsmateriaal. Wil je beter, duurzamer en eerlijker voedsel? Dan moet je beter, duurzamer en eerlijker voedsel kopen. Of het zelf verbouwen natuurlijk. In essentie is elke aankoop een bewuste of onbewuste keuze voor het economisch, politiek en ecologisch model dat aan de productie van hetgeen je koopt ten grondslag ligt.

In 2011 ben ik begonnen met het systematisch plannen en bijhouden van onze huishoudfinanciën. Elke banktransactie voer ik in in een boekhoudprogramma en boek ik onder een post. Omdat we vrijwel al onze boodschappen per pin betalen bevat het boekhoudprogramma een schat aan informatie over de consumentenkeuzes die we de afgelopen jaren gemaakt hebben. De grafiek aan het begin van deze post heb ik op basis van onze boekhouding gemaakt en laat zien hoeveel we in 2012 en 2017 uitgaven aan voeding. Voor 2017 heb ik bovendien een schatting opgenomen van de economische waarde van wat we aan eigen voeding produceren: de opbrengt van de groentetuin en kas, het brood dat we bakken (minus de kosten), de eieren van de kippen, etc.

2012: hoogste kwaliteit, laagste prijs.

In 2012 waren we met zijn drieën; Daniel was net geboren. We zijn nu met zijn vieren, Daniel is inmiddels zes en Lotte is vier. In 2012 gaven we zo’n € 5.500,- uit aan voeding. Driekwart werd besteed in de supermarkt; de rest bij de bakker, de slager, de groenteboer, de kaasbus, de toko en op de markt. De hoogste kwaliteit voor de laagste prijs; dat was zo’n beetje onze aankoop filosofie. Laat de Aldi dit nu net als leuze hebben. Kwaliteit won het over het algemeen van prijs. Amper tot geen prefab rommel. Groente en fruit kochten we grotendeels bij de groenteboer, vlees bij een uitstekende keurslager, brood bij de warme bakker, kaas bij de kaasbus. De rest bij de supermarkt. Politieke en ecologische factoren speelden een bescheiden rol. Heel af en toe wat biologische groente of zuivel, koffie alleen fair trade, alleen scharreleieren, geen industriekip. Tamelijk veel vlees. Groente en fruit ongeveer in het seizoen en niet van te ver weg. Dat was het wel zo’n beetje. Ik was al een beetje bezig met een moestuintje, maar de productie daarvan was niet noemenswaardig.

2017: bewuste consument en microproducent

Sinds 2012 is er een hoop veranderd. De herkomst van onze voedsel is steeds zwaarder gaan meewegen in de boodschappenkar en we zijn stapje voor stapje meer zelf gaan produceren . Ik beschouw mezelf als een hyperbewuste consument. Ik lees alle etiketten, kijk naar de herkomst, verdiep me in alle keurmerken, ken de lijst van seizoensgroenten vrijwel uit mijn hoofd, let op E-nummers, etc. Mijn vrouw is iets minder bewust en dat maakt ons samen gewoon bewust. Per categorie maken we afwegingen. Vrijwel alle het vlees dat we eten komt van lokale biologische producenten. Dat geldt ook voor driekwart van de kaas en zuivel. Brood bakken we voor driekwart zelf van meel van de molen van graan van grotendeels lokale oorsprong. Driekwart van de groente komt uit de tuin. In de late winter en het vroege voorjaar kopen we de meeste groente, omdat de tuin dan vrijwel leeg is. Wat we kopen is dan lokaal en in het seizoen. Heel af en toe een tomaat, paprika of aubergine uit de gasgestookte Hollandse kas. Behalve een trosje bananen per twee weken eten we bijna geen tropisch fruit.

Alles bij elkaar gaven we in 2017 ruim € 6.100,- uit aan voeding. Het aandeel van de supermarkt is flink teruggelopen. De supermarkt is meer een kruidenier geworden. Er gaat nu zo’n € 1.500,- rechtstreeks naar de boer. Onze eigen productie schat ik op een netto waarder van ruim € 1.000,-.

Wat nou moestuintjes?

De omschakeling: een kwestie van mentaliteit

Nog steeds komt ruim de helft van onze voeding uit de reguliere levensmiddelenindustrie en supermarktketen. Voor de andere helft maken we bewust een andere keuze of maken we het zelf. Dat is in vijf jaar tijd een grote omschakeling. Per saldo zijn de kosten in euro’s van deze andere keuzes amper hoger. Met een extra mond te voeden zijn we maar een paar tientjes per maand meer gaan uitgeven. Tegelijk gaat er meer geld naar de lokale economie en minder naar de multinationals.  We zijn een enorme hoeveelheid kennis en ervaring in het verbouwen, conserveren en verwerken van voedsel rijker. Onze tuin is vruchtbaarder en bevat meer biodiversiteit dan vijf jaar geleden. We hebben prachtige ervaringen opgedaan en fantastische mensen leren kennen. We eten gezonder. De kinderen groeien op met een intens besef van de oorsprong van hun voedsel en respect voor wat er op hun bord ligt. Allemaal zaken die onbetaalbaar zijn en belangrijker dan een optelsom van euro’s, kilo’s en centen. Een andere mentaliteit is de belangrijkste omschakeling. Een maker denkt anders dan een consument. Afgelopen zomer was er in de supermarkten bijna geen ei te krijgen door het zoveelste voedselschandaal. Vertrouwen op menselijke relaties, de natuur en je eigen afweersysteem geeft een groter gevoel van voedselveiligheid en voedselzekerheid dan “steriele” productieketens en de NVWA.

Verse knoflook. Uit een potje?

PS: het rekenmodel

Ik mag graag rekenen. Die € 1.000,- eigen productie, dat blijft een slag in de lucht natuurlijk. Hoe druk je 60 kilo van de lekkerste, ultra biologische tomaten uit in geld? Ik ben als volgt te werk gegaan. Ik heb gerekend met een gemiddelde kiloprijs voor de eigen groente van  netto drie euro per kilo op basis van wat ik zo her en der zie aan prijzen voor biologische groente. Een kilo bio-aardappelen doet rond de 1,70 bij Albert Heijn, een halve pond bio cherrytomaatjes kan oplopen tot tweevijftig a drie euro. Per kilo zit je dan rond de tien euro. Drie euro per kilo leek mij redelijk. Vrije uitloop bio-eieren doen 30 cent per stuk. Dat is makkelijk. Ik heb alleen de eieren niet geteld. Een brood van de warme bakker doet al gouw een euro of drie en per brood gaan er dan nog de kosten van de grondstoffen af. Energie komt voor driekwart gratis van de zonnepanelen. De grootste verborgen kostenpost is natuurlijk tijd. Brood bakken, de moestuin verzorgen, kippen voeren, augurken inmaken, het kost allemaal tijd. Veel tijd. Productieve tijd. Als ik die tijd zelfs maar voor minimum loon mee zou rekenen, dan zou de balans zwaar omslaan. Maar die tijd rekenen we niet. Waarom zouden we?

Plannen, plannen, plannen, …

Gelukkig nieuwjaar!

Typisch de tijd voor wat bespiegelingen op wat geweest is en wat gaat komen. Mijn relatie met het fenomeen tijd is intensiever geworden sinds ik min of meer serieus begonnen ben met het zelf produceren van voedsel. De moestuin geeft een intense beleving van de seizoenen. Veel voedsel wint aan smaak door te langzaam te rijpen. In de winter vertraagt alles. Een ideale tijd om inspiratie op te doen, plannen uit te broeden en voornemens te maken.

Ik maak ieder jaar een beknopt teelplan voor de groentetuin met een zaaiplanning. Deze volg ik in grote lijnen. In de praktijk lopen dingen vaak anders dan op papier. Het ene gewas vraagt ook een betere timing dan het andere. Tot april is het allemaal redelijk te overzien en dan breekt in mei de pleuris los. Vanaf juli neemt de drukte qua zaaien en planten wat af, maar dan begint het inmaakseizoen. Dat loopt door tot en met oktober. Als eind oktober de laatste tomatenplanten in de kas opgeruimd zijn, begint de lange leegte van de herfst en winter. Knoflook de grond in, beetje snoeien, de beesten verzorgen, een paar stukken spek roken, wijntjes bottelen, haardhout kloven en zaadlijst opsturen en wachten op het voorjaar.

In het teelplan en de planning neem ik ook altijd een  paar grotere projecten mee die niet ieder jaar terugkomen, zoals het planten van nieuwe fruitbomen,  grotere en kleinere bouwwerkjes, grotere snoei- of kapprojecten. Wat zijn de grote plannen voor dit jaar?

Projecten voor 2018:

  1. Wekelijks bloggen! In ieder geval elke dinsdag een nieuwe post.
  2. Een nieuw schuurtje annex kippenhok bouwen, low/no budget, cradle to cradle.
  3. Een paar druivenstokken en een tweedehands trampoline in de voortuin planten.
  4. Een extra regenton installeren.
  5. Een hügelkultur-experimentje opzetten.
  6. Een zonnedroger bouwen.
  7. Flink experimenteren met doe-het-zelf yoghurt en kaas.

 

 

 

Mosterdsoep

Vrolijk kerstfeest allemaal! Geen feest zo doe-het-zelf-food als kerst. Voor de rest van het jaar heeft de gemiddelde Nederlander een beroerde track record als keukenprins of prinses, maar met kerst willen we ons nog wel eens uitsloven. Wat eten we met kerst? Vier gangen bij elkaar geraapte onzin uit de allerhande of toch maar weer het gourmetstel van zolder halen?  Bij Koken met Kropotkin doen we niet aan gourmetten of de allerhande. Daarom uit de serie dingen die je ook had kunnen eten als je vandaag niet was gaan gourmetten: de Groninger mosterdsoep.

Mosterdsoep met/zonder huisgerookte spek

Mosterdsoep is een klassieker uit de Groninger keuken. Het is wat mij betreft de ultieme soep voor elke fancy dinnerparty, kerstdis of soup sunday. Hij kan als klassieker op basis van runderbouillon met spekjes of als vegetarische variant op basis van kruidenbouillon zonder spekjes.

Ingrediënten voor 8 personen

  • 1 liter kruiden of runderbouillon, (voor het beste resultaat trek je hem zelf)
  • 50 gram bloem
  • 50 gram boter
  • 1/2 tot een hele pot grove Groninger mosterd (met van die bruine pitt’n d’r in)
  • kopje verse room
  • flinke scheut witte wijn
  • 1 à 2 lenteuitjes of hele dunne preitjes
  • stukje huisgerookte buikspek (of niet)

Bereiding

Breng de bouillon aan de kook. Maak in een steelpannetje een roux van de boter en de bloem. Zet een soeppan op een laag vuur, doe de roux hierin en voeg al roerend lepel voor lepel de bouillon toe tot je een gladde, gebonden soep hebt. Breng deze nog niet aan de kook. Voeg de mosterd en de room erbij en roer het weer tot een gladde soep. Voeg als laatste de witte wijn toe. . Snijd ondertussen het spek in blokjes en bak deze uit. Breng de soep vlak voor het serveren heel even licht aan de kook. Bij een gemengd vegetarisch/omnivoor publiek de spekjes bij het uitserveren toevoegen. De groentjes vlak voor het serveren rauw in de soep draperen.

Bij deze soep past een stevige witte wijn, zoals een gewurtztraminer uit de Elzas of een stevig lokaal biertje.

 

Vijf jaren plan

Deze blogpost is een vervolg op de post Principes, wat moet je er mee?

De bouw van onze kas in 2012
De bouw van onze kas in 2012

In 2012 ben ik met mijn kas begonnen. Twee zomers heb ik er aan gebouwd. In 2014 konden we serieus beginnen met het verbouwen van onze eigen groente. De jaren daarvoor was ik ook al wat aan het aanklooien met wat groente in een hoekje van de tuin. Het eerste voorjaar in ons nieuwe huis buiten de stad plantten we drie fruitbomen. Twee streekeigen appels, de Groninger Kroon en Reinette van Ekenstein en een stoofpeer, de bekende Gieser Wildeman.

Er was geen vast omlijnd plan. Meer een vaag idee. Amper kennis. Een paar principes. Biologisch goed, kunstmest en gif fout. Maar hoe doe je dat, ecologisch tuinieren? Met compost. Dus alle groen op een hoop achter in de tuin en wachten tot het goed komt. Ondertussen voorzichtig een strookje gazon inpikken, ontdoen van de graszoden en omspitten.

Ik was vooral gefocust op tomaten. Er zijn weinig vruchten waar de smaak zo extreem veel beter van is uit de volle grond, dan van de tomaat. Twee jaar heb ik geprobeerd ze in de buitenlucht te telen. Beide jaren een grote phytophthora bende. Het was me duidelijk. Ik had een kas nodig. De fundamenten lagen er al. Een niet afgemaakt project van de vorige eigenaar van het huis. Drie bij zeven meter. Mooi formaat. Niet helemaal de beste plek met het oog op de zon, maar daar moest het gebeuren.

We zijn nu vijf jaar verder en voor mijn gevoel lichtjaren verwijderd van die eerste stappen in de tuin.  De jaarlijkse oogst is gegroeid van een magere 100 kg aardappelen, groente en fruit naar meer dan een kwart ton dit jaar. Ik ben me gaan verdiepen in planten, teeltwijzen, snoeitechnieken, composteren, mulchen en noem maar op. Ik leer mezelf graag nieuwe dingen aan. Ik ben wat je noemt een autodidact. Ik lees alles wat los en vast zit en kijk veel op internet. Ik doe kennis op, pas dingen toe, experimenteer, pas dingen aan, reflecteer op zaken. Trial and error, dat is mijn methode. Dingen aannemen van autoriteiten is niet zo mijn ding.

Opbrengst tuin 2014 – 2017

Permacultuur

Pas vrij recent ben ik mij iets gaan verdiepen in het begrip permacultuur. Als concept benadert dit “hippie en hipster” begrip vrij dicht ons project. Voor wie het niet kent, permacultuur is een holistische benadering van duurzame landbouw gericht op het creëren van zichzelf onderhoudende ecosystemen. Het is in de jaren 70 in Australie ontwikkeld door Bill Molison en David Holmgren.

Permacultuur  kan opgevat worden als een designethiek en methodiek. Er zijn twaalf ontwerpprincipes:

  1. Observeer en neem deel aan de natuur
  2. Vang en bewaar energie
  3. Zorg voor een opbrengst
  4. Pas zelfregulering toe en accepteer feedback
  5. Gebruik en waardeer hernieuwbare hulpbronnen
  6. Produceer geen afval
  7. Ontwerp van patroon naar detail
  8. Integreer in plaats van te segregeren
  9. Gebruik kleine en langzame oplossingen
  10. Gebruik en waardeer diversiteit
  11. Gebruik randen en waardeer het marginale
  12. Ga creatief om met verandering

Er worden ook anderen principes genoemd of andere formuleringen gebruikt, maar daar gaat het mij hier niet om. Voor wie zich in de theoretische uitgangspunten van permacultuur wil verdiepen: internet staat er vol mee.  Help uzelf. Waar het mij hier wel om gaat is de schoonheid van de uitgangspunten, de eenvoud van de heuristiek.

Een anti-fragiel voedselsysteem?

Op het eerste gezicht lijkt permacultuur op een soort abc van de groene mens. Hernieuwbare bronnen, geen afval. Open deuren. Integreren in plaats van segregeren? U bedoelt? Waardeer het marginale? Kijk, op deze plekken wordt het interessant. Zeker wanneer je de uitgangspunten van permacultuur toetst aan de inzichten van mijn grote vriend Nassim Taleb, de statistisch filosoof die de wereld indeelt in drie categorieën: iets is fragiel (gaat stuk door er op te meppen), robuust (meppen heeft geen invloed) of iets is antifragiel (hoe harder het meppen, hoe sterker het wordt).

Het moderne agro-chemische voedselsysteem is bij uitstek een fragiel systeem. Een kleine fipronil-affaire of een vogelgriepje is voldoende om het systeem accuut in de problemen te brengen. In de tussentijd zorgt de impact van dit voedselsysteem op het klimaat, de ecologie en samenleving voor de grootste tikkende tijdbom uit de geschiedenis van de mensheid.

Een voedselsysteem gebaseerd op permacultuur is robuust tot anti-fragiel. Diversiteit in soorten gewassen, planten- en dierrassen leidt tot veel robuustere systemen in termen  van resistentie tegen plagen, weeromstandigheden, etc. Een waarheid als een koe. Spreid risico’s zegt men op de beurs. Zet niet alles op één paard. En dat is precies wat een monocultuur wel doet en waar permaculuur precies het tegenovergestelde doet.

Maar waar zit nu het anti-fragiele van de permacultuur? Met andere woorden, hoe wordt het voedselsysteem steeds beter of sterker naarmate de plagen en wanorde toenemen?  De crux zit in het begrijpen van de fundamentele onderliggende dimensie onder de plagen en wanorde en die dimensie is tijd. Tijd is de grote verstoorder; de grote wanorde. En de dimensie tijd is precies de dimensie waarin permacultuur meester is. Een permanent voedsel-ecosysteem gebaseerd op vaste, overblijvende planten in combinatie met dieren, bouwt biomassa en daarmee vruchtbare bodem op. Een voedselsysteem gebaseerd op permacultuur geeft dus een opbrengst in combinatie met een toenemende bodemvruchtbaarheid. En daarin zit de anti-fragiliteit van de permacultuur. Hoe langer het duurt, hoe beter het wordt. Op naar de 1000 kg opbrengst aan het eind van ons volgende vijf jaren plan.