Homage aan de bricolage

Opeens stonden ze er weer. Twee tassen met schoolboeken, schriften, tablets en werkinstructies voor een nieuwe ronde thuisonderwijs. Nederland gaat in een lock-down en anders dan in maart moeten “alle niet essentiele winkels” er nu ook aan geloven.

Dat betekent ook de deur op slot voor de bouwmarkt. Dat is natuurlijk erg sneu voor iedereen die tussen kerst en oud en nieuw een doe-het-zelf projectje gepland had. En ik moet eerlijk toegeven, ik ben niet zo van het shoppen, maar de afdeling ijzerwaren van de bouwmarkt oefent op mij altijd een bijzondere aantrekkingskracht uit. Toen ik nog op een kantoor werkte heb ik ooit mijn eindejaarsbonus in de vorm van een A-kwaliteit afkortzaag (in plaats van als i-pad of een andere gadget) laten uitkeren.

Improvisatiekunde

Met de bouwmarkt op slot worden we teruggeworpen op ons improvisatietalent. Improviseren is niet alleen een talent. Je kan het ook leren. Mensen die van koken houden weten dat. Als de rozijnen liggen te wellen, terwijl het recept krenten vermeldt, hebben die rozijnen dan zinloos geweld? Dit zong cabaretformatie De vliegende panters ooit in hun theatershow HYPE.

Die krenten zijn natuurlijk prima in te wisselen voor rozijnen. Ieder recept kan je in die zin opvatten als een vriendelijke suggestie over de wijze waarop een bepaald gerecht bereid kan worden.  Daar zit natuurlijk wel een grens aan. Een ei bakken is niet hetzelfde als een ei koken. Met verhoudingen van ingredienten is veel te spelen, maar ook weer niet altijd. Een roux is ongeveer de helft boter en de helft bloem. Daar is niet zoveel mee te marchanderen, net zoals 1:2:3 een beproefd recept voor beton is. Sommige dingen zijn basaal. Met andere kan je eindeloos klooien.

Voor dit klooien, uitproberen, knutselen, improviseren en prutsen heeft het Frans een prachtig woord: bricolage. Iemand die veel aan bricolage doet is dan een bricoleur. Het Engelse tinkering heeft ongeveer dezelfde lading, maar vind ik een minder mooi woord.

De lockdown doet bij uitstek een beroep op de bricoleur in ons. De kunst van de bricolage gedijt in tijden van schaarste. Ik las ooit een mooi artikel over heimwee naar de knutsel, leen en ruilcultuur die in de DDR onder Trabant bezitter was ontstaan. Wie tien jaar op een nieuwe  kartonnen auto met een walmende tweetakt motor moet wachten doet er alles aan om zijn of haar exemplaar rijdend te houden.

Recht op reparatie

Tegenwoordig moeten consumenten hun recht op repareerbaarheid van spullen bij de rechter afdwingen. De gekste dingen worden hermetisch afgesloten en als onrepareerbaar verkocht. Laatst kocht ik per ongeluk een wegwerp rookmelder à vijf tientjes met een uiterste houdbaarheidsdatum van 2030. Batterij niet vervangbaar las ik in de kleine lettertjes toen ik het ding installeerde. Niet vervangbaar? Dat zullen we nog wel eens zien. Van vrachtauto’s tot mobiele telefoons; de gekste dingen worden tegenwoordig hermetisch dichtgelast met alleen een dure sleutel voor de merkdealer. De EU bereidt inmiddels wetgeving voor op het gebied van het repareren van consumentenelektronica, terwijl de VS reeds een Motor Vehicle Owners’ Right to Repair Act kent.

Schaarste

Schaarste maakt creatief en dwingt tot improviseren. Als de Nederlandse consument ergens een gebrek aan heeft, dan is het wel schaarste. De coronacrisis heeft ons collectief weer kennis laten maken met dat fenomeen. Schaarste is niet mooi op zich. Het is altijd lullig als het wc-paper op is op het moment dat je een boodschap aan de wereld wilt achterlaten.

Schaarste is dus een voorwaarde voor succesvol klooien. Het is wel van belang dat de schaarste relatief is. Je hebt een minimale hoeveel dingen nodig om iets mee te kunnen maken. Laat altijd minimaal één oude fiets, één oude stofzuiger, een stapel houtjes van divers pluimage, diverse stukken pvc, elektra- en koperleiding en vijf bakken ongesorteerde schroefjes in je werkplaats rondslingeren om mee te kunnen improviseren.

Voor de rest: leef je uit. De mogelijkheden zijn eindeloos. Om in de stemming te komen enkele lockdownproof knutselprojecten van de afgelopen jaren:

  1. Voederhuisje
  2. Compostzeef
  3. Pannensteel
  4. Trapleuning
  5. Leemstuc
  6. Leem en vlechtwerk
  7. Stammen splijten

Vergeleken met de echte grootmeesters van de bricolage zijn mijn eigen projecten een soort kleutertje knutsel. Bezoek voor de Grand École du Bricolage eens het youtube kanaal van de Fransman Chaillot Barnabé of de Ieren Sandra en Tim van Way Out West Blow-in Blog

 

 

Griesmeelpudding

Ik maak niet zo vaak toetjes. Geen idee waarom eigenlijk niet. Soms ontwikkel je ongemerkt van die blinde vlekken. Na drie jaar bloggen staat er nog geen toetje op de site. Daarom hoog tijd voor een klassieker: griesmeelpudding!

Als kind aten we vaak griesmeelpudding met een sausje van gebonden sinaasappelsap. Vandaag heb ik met Lotte, onze jongste, een variant met zwartebessenjam uit de tuin gemaakt.

Recept griesmeelpudding met zwarte bessen jam

Voor vier bescheiden porties griesmeelpudding gebruik ik 600 mililiter melk, 60 gram griesmeel, 50 gram suiker en een vanillestokje. Een zakje vanillesuiker kan ook, maar is natuurlijk niet hetzelfde.

Breng de melk aan de kook, roer het griesmeel, de suiker en vanille erdoor en laat het geheel een paar minuten doorkoken. Doe één of twee eetlepels zwarte bessenjam of een andere zelfgemaakte jam of siroop in een stevige beker of een vormpje.

Bij het jam maken heb ik soms van die jam die wat wat minder stijf wordt.  Juist die jam is ideaal voor dit soort toetjes, omdat ie wat meer uitloopt.

Giet er een portie warme griesmeel pudding op en laat het geheel even afkoelen. Voor het serveren de beker of het vormpje omdraaien op een dessertbordje. Als je een beker gebruikt dat blijft de pudding wel eens plakken. Als iedereen aan tafel daar last van heeft kan je er een wedstrijdje van maken: wie het eerst zijn pudding heel uit de beker heeft.

Verder opleuken van het toetje kan, maar is naar mijn idee niet echt nodig. Dat leidt alleen maar af van de jam. Die speelt de hoofdrol.

Tamme kastanjes

Toegegeven, het is rijkelijk laat in het seizoen om nog tamme kastanjes in het wild te gaan zoeken, maar met een beetje mazzel kan je nog wel een paar eetbare exemplaren vinden. Op het platteland in onze omgeving in Groningen zie je niet zoveel tamme kastanje bomen.  In het stadspark in de stad weet ik er een paar te staan. In het zuiden en oosten van Nederland zijn ze veel algemener. Paardenkastanjes heb je hier genoeg, maar die kan je niet eten. Drie huizen verderop staan twee pracht exemplaren. Van de vruchten van paardenkastanjes maak je poppetjes of je verzamelt ze gewoon voor de heb.

In de supermarkt of bij de groenteboer kom ik amper tamme kastanjes tegen. Op de markt in Groningen zag ik ze vanmiddag bij één kraampje liggen en voor een flinke prijs. Toch gek. Je koopt makkelijker een ananas die van de andere kant van de wereld moet komen, dan zo iets simpels als een zak verse kastanjes in de herfst. Gelukkig hebben wij connecties met een tamme kastanjeboom in de tuin en krijgen we elke herfst een zak tamme kastanjes cadeau.

Laat je vers geraapte kastanjes niet in een afgesloten tas of bak staan, maar laat ze een paar dagen drogen in een dunne laag uitgespreid op een paar kranten. Dan voorkom je dat ze gaan schimmelen. Tot de kerst blijven ze zeker goed.

Geroosterd op de houtkachel of boven de vuurkorf vind ik ze het lekkerst. Met een scherp mes zet je een kruisje in de harige punt van de kastanje. Op deze plek krult de schil van kastanje open, zodra ze gaar zijn. Vergeet niet de kastanjes af en toe even draaien tijdens het roosteren. Als de kastanjes gaar zijn, komen ze makkelijk uit de schil. Is het veel peuterwerk, leg ze dan nog even terug, want dan zijn ze nog niet gaar.

 

 

Snijbiet

Snijbiet is een moestuinklassieker. Het is een makkelijke plant, die bijna overal wel wil groeien, zich weinig aantrekt van slakkenplagen en droge zomers en, in een zachte winter, tot diep in het voorjaar nieuw blad aan maakt. De snijbiet op de foto staat eigenlijk al te lang. Dan worden de bladeren wat stug en beginnen slakken rustig aan met hun opruimwerk. Deze mag naar de kippen of konijnen.

In het voorjaar heb ik een bak gezaaid wat een mengsel van snijbiet, snijmoes, rucola en ander bladgroen. Van deze bak hebben we wekenlang bijna dagelijks heerlijke salades gesneden. Aan het eind van de zomer heb ik de sterkste snijbiet en snijmoes wortels overgeplant in een nieuwe bak met wat verse compost. De planten lopen weer mooi uit en pikken elk streepje najaarszon mee om nog wat blad te maken. Met de korte dagen, lage zon en lange schaduwen van november en december gaat dat groeien natuurlijk niet zo snel meer.

In de keuken is snijbiet best veelzijdig. Je kan de bladen en stelen als spinazie eten, verwerken in een salade of er rauw een stamppot van maken. Een salade van alleen snijbiet is wat saai. Voor een salade van snijbiet gebruik ik alleen het jonge blad. De iets oudere bladeren en stelen worden al snel wat te stug voor een salade. Voor een stamppot rauwe snijbiet maakt dat niet uit, maar voor een salade steekt dat wat nauwer.

Na een uitzonderlijk warm begin van november lijkt er zowaar wat nachtvorst aan te komen. Tijd om de laatste vorstgevoelige sla te plukken. Een combinatie met wat snijmoes en pluksla lever best een spannende salade op; zeker met wat verse walnoot en een dressing van honing, walnootolie en een scheutje rode wijnazijn.

 

 

Kelderen

Het werkwoord kelderen wordt meestal gebruikt voor het naar de zeebodem jagen van een schip of het torpederen van een beurskoers. Je kan het werkwoord ook gebruiken om er het opbergen van spullen in een kelder mee aan te duiden. Een moestuin geeft in overvloed, maar wel met pieken en dalen. Hoe bewaar je die overvloed om er in karige tijden van te genieten? De kelder!

Een kelder heeft een constant, koel en donker klimaat. Het  Ideaal om groente, fruit en aardappelen te bewaren. Een kelder is vaak een tikje vochtig. Daarom staat het kelderraam altijd op een kier voor de nodige ventilatie.

Het mooie van een kelder is, dat hij het altijd doet en geen energie verbruikt.  Het is eigenlijk de ultieme ecokoelkast. Tot een jaar of vijftig, zestig geleden werden veel huizen standaard met een voorraadkelder uitgerust. Met de komst van de supermarkt, koelkast en doorzonwoning is de ook de voorraadkelder verdwenen.

Onze aardappels blijven met gemak een half jaar goed in de kelder. Op een gegeven moment gaan ze spruiten. Dat is het teken dat ze op moeten. De vroege aardappels van begin juli hebben we afgelopen week opgemaakt. Met de late aardappels van eind augustus houden we het tot maart wel vol. Uien houden we in de kelder uit de buurt van de aardappels. Die twee combineren niet zo lekker.

Wortels bewaren we in de kelder in een bak met zand. Los in de kelder houden ze het zelden langer dan een week vol, maar in een bak met schoon zand zijn ze prima een paar maanden te bewaren. Laagje zand, laagje wortels, weer een laagje zand. Ook hier is het donkere en koele klimaat van de kelder ideaal. Ook andere wortelgewassen, zoals bietjes en pastinaken doen het prima in de zandkist.

Een krop sla, andijvie of groenlof die te groot is om in één maaltijd op te maken? Geen probleem. Wikkel er een vochtige theedoek om en bewaar het in… de kelder. Blijft makkelijk twee, drie dagen goed. Dit werkt ook prima in de koelkast overigens.

 

 

 

 

Water geven als het regent

Groenbemesters in de kas

De bodem van de kas werkt hard. Tussen mei en juni schieten de tomaten en komkommerplanten razendsnel de grond uit. Dat gaat zo snel, dat ik ze bijna kan zien groeien. In juli, augustus en september brengen die planten een constante stroom vruchten voort. Dat is veel biomassa van een klein stukje bodem. De rotatie is eenzijdig. Tomaat, komkommer, een keertje peper, paprika of aubergine en dan weer tomaat. Dat heb je in een kas al snel.

Door een eenzijdig teelplan, met in ons geval veel planten uit de nachtschade familie, kunnen er ziekten in de bodem onstaan. Bij tomaten is dit bijvoorbeeld kurkwortel (Pyrenochaeta lycopersici). De wortel van een gezonde tomatenplant is egaal wit of ivoorkleurig. Aangetaste wortels hebben bruine vlekken en zien er verdroogd en gespleten, kurkig, uit. Tomaten die last hebben van kurkwortel zien er wat vermoeid uit en geven minder opbrengt. Als ik de tomaten in oktober opruim controleer ik altijd even de wortels op tekenen van kurkwortel.

Alle reden dus om het bodemleven in de kas extra aandacht te geven. Daar begint alles mee: gezonde groei en bodemvruchtbaarheid. Het hangt allemaal samen met een levende bodem. Er zitten miljarden micro-organismen in de bodem. Geeft je het bodemleven een eenzijdig dieet, dan gaan schadelijke soorten overheersen en krijg je problemen.

In het verleden heb ik de grond in de kas hierom wel eens twee steek diep vervangen. Een flinke klus en ik geloof niet dat het iets geholpen heeft. Het getuigt ook van een soort wegwerpmentaliteit. Je gebruikt de bodem een aantal jaar en als het resultaat je niet meer aanstaat haal je nieuwe.

Hoe krijgen we minder eenzijdigheid in de kas en een gezonde bodem? In de zomer staan er tussen de tomaten wat basilicum en goudsbloem. Die doen het daar prima. Ook afrikaantjes zijn een bekende buur in de kas om problemen te voorkomen. Dit jaar heb ik na de tomaten een mengsel van klaversoorten, mosterd, phacelia, borage, wikke, haver en rogge in de kas gezaaid. Deze groenbesters in de winter helpen hopelijk ook om de eenzijdigheid te doorbreken.

Mulchen! In de zomer wordt het heet in de kas. Een onbedekte bodem in de kas droogt dan razendsnel uit. Het bodemleven trekt zich terug. Een mulchlaag van bijvoorbeeld gemaaid gras houdt het vocht vast in de bodem, reguleert de temperatuur en voedt het bodemleven.

Niet spitten. Spitten verstoort het bodemleven. Hoe minder verstoring in de bodem, hoe beter de structuur. De bodem voed je van boven af. Het is niet nodig om mest of compost in de bodem in te werken. De natuur doet dit zelf voor je. Vooral wormen kunnen een enorme hoeveelheid origanisch materiaal de bodem in trekken. Ze zorgen bovendien voor een netwerk van minuscuele gangetjes, waardoor lucht en water de bodem in kunnen trekken. Deze gangetjes geven plantenwortels de ruimte om te groeien. Een gezonde, niet gespitte bodem heeft een sponsachtige structuur. Een gespitte bodem slaat dicht.

In het najaar laat ik een paar keer de regentonnen leeglopen in de kas. In de zomer kom ik regenwater tekort. In het najaar heb ik een overvloed. Waarom geen water geven als het regent? Na de zomer kan de kas wel een slok water gebruiken. Een stortbui van 1000 liter op tien vierkante meter. In een paar minuten is het water weggetrokken in de kleibodem. Dit vermogen om water te laten infiltreren zegt iets over de kwaliteit van de bodem. Vijf jaar geleden had ik met die 1000 liter een overdekt zwembadje in de kas gemaakt. Nu hoor ik het overal borrelen en klokken. Luchtbelletjes die ontsnappen uit die sponsstructuur. De bodem had dorst.

Als het groen kniehoog in de kas staat mogen de kippen er in. Die lusten wel wat groen in de winter.

Hooikist of hooimadam

Veel mensen hebben er een, zo’n moeder van schoonzus of tante van een vriendin, die heel handig zijn met een naaimachien en van lappen en stof de meest prachtige creaties maken. In ons geval gaat het om een charmante Brabantse, die een prachtige hooikist of hooimadam voor ons maakte. Dat is zeg maar een theemuts voor een pan warm eten. Ik ken het fenomeen als hooikist, maar hooimadam schijnt ook gangbaar te zijn.

Het idee is simpel; breng een pan te garen voedsel aan de kook, haal de pan van het vuur en zet hem in de hooikist. De isolerende deken zorgt ervoor dat de warmte in de pan behouden blijft en het gerecht langzaam gaart. Een mooie uitvinding, die ongetwijfeld terug tot de tijd dat spaarzaamheid met energie een algemene deugd was.

Op een klein experiment na heb ik nog geen ervaring met het garen van gerechten in de hooikist.  Daar komen we op terug als we er wat meer ervaring mee opgedaan hebben. Naast het garen en warm houden van gerechten heeft de hooikist nog een geweldige functie. Je kan de hooikist namelijk prima gebruiken om brooddeeg te laten rijzen.

Hooikist of rijskast?

In onze hooikist passen precies twee op elkaar gestapelde teilen met brooddeeg. Dan is er nog net ruimte voor een verwarmingselement in de vorm van een hete kruik. Deze geimproviseerde rijskast is ideaal voor een warme eerste rijs van een uur of twee. Over de zomer laat ik het deeg onder een vochtige theedoek op kamertemperatuur in de keuken rijzen. In het najaar vind ik onze kamertemperatuur daar net een beetje te koel voor. Als ik alleen thuis ben zet ik de thermostaat zelden hoger dan 17 graden en dat is voor een vrij snelle eerste rijs wat aan de koele kant.

Overigens kan brooddeeg prima bij lage temperaturen rijzen; je moet dan alleen wat meer tijd nemen voor het hele proces. Ons standaard huisgebakken tarwebrood heeft van start tot finish een kleine vier uur nodig en bij die snelheid is een tot rijskast gepromoveerde hooikist een uitkomst.

Hoe je zo’n hooikist nu precies maakt, weet ik niet. Een knoop aan jas of een gescheurde naad dicht naaien, dat lukt me nog net. Een patroon, daar zijn vast wel naaiblogs en patroondeelplatforms voor te vinden. Gelukkig zijn er moeders van schoonzussen en tantes van vriendinnen.

 

Walnootolie

Oliemolen met walnoot en zonnebloem. De witte zonnebloempitten van deze bloem bevatten te weinig olie; daarvoor moet je de zwarte hebben

In een moestuin groeit geen vet. Daar schreef ik eerder deze post over.  Zonder notenboom blijven er maar een paar opties over voor moestuinvet. Met de oliepompoenen wilde het dit jaar niet zo vlotten en de zonnebloemen uit de tuin vielen ten prooi aan de kippen en mezen. Die lusten ook wel een beetje vet. Gelukkig kregen we van een dorpsgenoot een tas vol walnoten van de notenboom uit haar tuin. Een mooie gelegenheid om de Piteba oliemolen weer eens uit de kast te halen.

Dit vernuftig machientje is ontwikkeld in Scheemda en ziet er bedriegelijk eenvoudig uit. Een buis, wat schroefdraad, een vijzelas, een zwengel, een olielampje en een vitting met een dopje; dat is het wel. Zou eenvoudig als het er uitziet werkt het ook. Noten doppen, lampje aan, noten in de molen en draaien maar. Zo pers je met gemak uit een paar handen walnoten twee stevige borrelglazen walnootolie. De olie komt troebel uit de pers, maar is makkelijk te klaren door hem eerst door een theezeefje en daarna door filter van kaasdoek of iets dergelijks te halen. Het resultaat: een zeer milde notenolie uit een tuin een straat verderop.

Het proces is wel behoorlijk bewerkelijk. Uit een paar handen vol noten haal je natuurlijk geen liters olie en hoe handig je er ook in wordt, noten doppen kost tijd.

Gepelde noten uit winkel kunnen ook in de molen, maar daar is het even opletten op het vochtgehalte. Als de noten te droog zijn werkt de molen niet goed. De perskoek wordt dan keihard en er valt geen druppeltje olie te bekennen. Een testje met wat hazelnoten uit de supermarkt leerde mij dat die vaak te droog zijn. Dit is te verhelpen door ze 48 uur met een klein beetje water te bevochtigen.

De walnoot perskoek die uit de molen komt is overigens ook een interessant ingrediënt. Je kan er zo van snoepen, maar het is ook prima te verwerken in het deeg voor een appel- en notentaart, met wat muesli door de yoghurt, of als extra notenboost in een bonenburger.

Zonder eigen oliemolen kan een mens best gelukkig worden, maar zo’n vernuftige machientje zou toch op fietsafstand van iedere notenboom te vinden moeten zijn. Voor Westeremden en directe omgeving is die bij mij te leen.

Alexandra Kropotkin

Portret van Sasha Kropotkin Afbeelding: Gerald Kelly – Gallery's online collection; Europeana listing,  PD-US, Link

Het leven zit vol grote en kleine verrassingen, die je nieuwsgierig maken naar wat de wereld nog meer voor je in petto heeft. Zo ontdekte ik twee weken geleden Alexandra Kropotkin. Ze was de dochter van de Russische schrijver, revolutionair, ondekkingsreiziger en geograaf Peter Kropotin, wiens intellectuele nalatenschap een belangrijke inspiratiebron is voor dit blog. Waar vader het in standaardwerken als The Conquest of Bread vooral heeft over maatschappelijke krachten, sociale strijd en solidariteit, schreef dochter Alexandra The best of Russian Cooking, het standaard kookboek over de Russische keuken in de Engelstalige wereld. Ik kreeg het vanochtend voor mijn 45e verjaardag.

De klassieker over de Russische keuken

De eerste druk van het kookboek verscheen in 1947. Ruim 70 jaar later is het boek nog volop verkrijgbaar. Een klassieker dus. Het blijft voor mij een klein raadsel waarom Alexandra en haar kookboek zo lang voor mij, een gretige lezer met een voorliefde voor koken en Russische geschiedenis, onder de radar zijn gebleven. De originele Koken met Kropotkin: The best of Russian Cooking, is een ode aan de Russische keuken,  de Russische eetcultuur en de legendarische Russiche gastvrijheid.

Beoordeel een volk niet op zijn politici, maar op de gastvrijheid van zijn inwoners en de kwaliteit van zijn roggebrood en koolsoep. Dat is de boodschap van Alexandra Kropotkin. Uit haar klassieker het recept voor een snelle rode bietensoep: borsch.

  • 2 blikken¹ consommé (geklaarde fond/bouillon)
  • 1 blik bouillon
  • 1 cup (240 ml) water
  • 1 theelepel azijn
  • ½ theelepel Worcestershire saus
  • ½ cup bietensap
  • ½ cup zure room

Meng de consomme met bouillon en water en breng het aan de kook. Voeg de azijn, Worcestershire saus en bietensap toe. Voeg eventueel een snufje suiker toe als de bietensap de soep niet zoet genoeg maakt, maar maak de soep in geen geval te zoet! Roer de zure room glad met een eetlepel water en voeg daarna de consomme toe. Opnieuw verwarmen, maar niet aan de kook brengen. Als je de soep koud op wil dienen voeg je de zure room pas toe vlak voor het opdienen, als de soep is afgekoeld.

Deze soep dient, of hij nu warm of koud geserveerd wordt, altijd rijk bestrooid te worden met fijn gesnipperde peterselie.

Alexandra Kropotkin, The Best of Russian Cooking, Hypocrene Books, New York, ISBN 0-7818-0131-1

¹Het recept spreekt hier over cans, blikken. Wat de inhoudsmaat van deze blikken is, is me onduidelijk. Zeventig jaar terug was soep uit blik natuurlijk lekker hip. In plaats van blikken bouillon raad ik nu aan zelf een paar liter mooie bouillon of consommé te trekken.

 

 

 

 

Groei en verval

De laatste tomaten

Gister heb ik de tomatenplanten opgeruimd. De basilicum die tussen de tomaten stond mag nog even blijven staan, net als de klaver die her en der opduikt. De zomer is voorbij. In de namiddag vangt de kas nog een klein streepje zon. Tot eind februari zal ze in de schaduw van de kerk naast ons huis liggen.

Ik versnipper de tomatenplanten en breng ze naar de composthoop, samen met de resten stro van de mulchlaag die de hele zomer lang de bodem van de kas beschermd heeft tegen de ergste hitte. De kas heeft dorst. Afrijpende tomaten houden niet van te veel water ineens. Dan gaan ze scheuren. In de nazomer knip ik bovendien zo veel mogelijk loof weg. Er hoeft dan niet zo veel meer gegroeid te worden en elke streep zon helpt met het rijpen van de laatste volgroeide trossen.

Na twintig gieters water worden de wormen die zich in de bodem verstopt hebben wel weer wakker. Waar de tomaten stonden zaai ik een mengsel van verschillende groenbemesters. Rogge, phacelia, borage, japanse haver, wikke. We zullen zien wat er nog opkomt. Met een beetje mazzel geven de groenbemesters een extra boost aan het bodemleven. Dit helpt om verschijnselen als kurkwortel en andere gevolgen van de eenzijdige en gebrekkige teeltvariatie, die zich in de beperkte ruimte van een kas snel voor doen, tegen te gaan. Voor een winterteelt van kool of sla heb ik te weinig weinig zon in de kas.

Bij het opruimen van tomaten leg ik de trossen die nog groen zijn apart. De komende weken kleuren die langzaam rood in de vensterbank. In de salade zijn deze groen geplukte tomaten niet echt lekker meer. Voor in een pastasaus zijn ze prima.

Van groei naar verval naar nieuwe groei. De komende maanden wordt er heel wat cellulose, lignine en polysachariden afgebroken. Op de composthoop en in de bodem. De koolstof verdwijnt grotendeels als koolstofdioxide in de lucht. Een klein deel blijft achter als humus. Samen met de mineralen om zo weer beschikbaar te komen voor een nieuwe groeispurt in het voorjaar.

Hoe meer er vervalt, hoe meer er straks weer kan groeien. Daarom zijn we zuinig op al het organisch materiaal dat de tuin voortbrengt. Onkruid, tomatenplanten, heggensnoeisel, herfstbladeren… het kan allemaal op de composthoop. Als het organisch is, is het te composteren.

De composthoop is de verzamelplek van alles wat organisch is en niet door ons zelf, de kippen of de konijnen gegeten worden, niet naar het wormhotel gaat en ook niet als mulchlaag hoeft te dienen. Dat is nog best veel. Tomaten en andere planten uit de nachtschade familie zijn giftig voor de kippen en konijnen, maar kunnen prima op de composthoop. Fijngehakt als groen tussen twee lagen bruin is er in twee weken vrijwel niets van terug te vinden. Een goed hete composthoop vernietigt ook alle sporen van eventuele plantziekten. Uit voorzorg geen tomaten of aardappelloof composteren is naar mijn idee onzin.

De natuur ruimt zijn eigen rommel op en heeft daarvoor een leger van miljarden schimmels, bacteriën en andere microorganismen voor klaar staan. Ik ben voorlopig klaar in de kas. Laat de natuur zijn gang maar gaan.