The proof of the pudding…

Een oude schets van ons huishoudelijk ecosysteem

Na mijn oproep van vorige week ontving ik een mooie mail met een aantal intrigerende vragen. Om te beginnen de vraag om ook eens te schrijven wat niet lukt en waarom. Ligt dat aan je gedrag, aan de uitvoering of is het een mooi maar te theoretisch idee? Verderop in de mail nog een intrigerende vraag: … maar hoe raakt duurzaam leven populair, hoe kunnen we andere mensen overtuigen, als we dat al willen?

Om met de eerste vraag te beginnen: mislukt er nooit iets? Gelukkig mislukt er voortdurend van alles. Sterker nog: fouten zijn zo ongeveer de beste dingen die me kunnen overkomen. Een fout is informatie. Veel fouten maken, de oorzaak proberen te achterhalen en daar vervolgens van leren is een cruciaal onderdeel van elk ontwikkelingsproces. Als er nooit iets fout gaat, probeer ik het niet hard genoeg. Trial and error, fail fast, fail often. Nog zo’n mooie: Eat your own cooking. Als ik iets verpruts, dan zijn de consequenties voor mij.

Veel van wat ik hier schrijf is een reflectie op huis-tuin-en-keuken projecten. Soms besteed ik expliciet aandacht aan wat er fout gaat, soms laat ik een serie mislukte prototypen en experimenten achterwege en beperk ik me tot een beschrijving van wat wel (ongeveer) werkt. De zonnevoedseldroger uit de aflevering over zongedroogde tomaten is daar een voorbeeld van.

Deze huis, tuin en keuken projecten passen in een groter plaatje, dat misschien nog het best te omschrijven is als een huishoudelijk ecosysteem. Ik zou het ook gewoon economie kunnen noemen, maar dan in de oude Griekse betekenis van het woord: oikos (οἶκος), huis en nomos (νόμος), regel, oftewel de huishoudkunde.

Hoe richt we het ecosysteem, waarin we dagelijks als gezin functioneren, op zo’n manier in, dat we een zinvol leven leiden en tegelijkertijd de postzegel die we bewonen beter achter laten, dan we hem hebben aangetroffen?  Dat is een grote en complexe vraag die verder gaat dan alleen groen, duurzaam of de omvang van onze ecologisch voetafdruk.

Wat stoppen we in ons huishouden en wat komt er uit? In dat grotere plaatje kunnen we nog best veel doen. We hebben een oud huis, waarin we tien jaar geleden nog 2500 kubieke meter gas verstookten. Dit jaar komen we naar schatting voor het eerst onder de 1400 kuub. Dat is aan de ene kant winst, maar aan de andere kant nog een lange weg te gaan. We produceren minder afval dan een gemiddeld gezin, maar ik vind 267,5 kilo nog steeds een hele grote berg.

In de reguliere economie is een huishouden tegenwoordig vooral een eenheid van consumptie en schuld. Dat is naar mijn idee een nogal uitgehold ecosysteem met huizen als lege hulzen voor op de pof gekochte spullen en diensten.

Ons huishouden heeft nu minder schulden dan tien jaar geleden. Doordat ik mijn baan heb opgezegd consumeren we jaarlijks voor circa 25.000 euro minder aan goederen en diensten. Tegelijkertijd zijn we als huishouden een stuk productiever geworden. We produceren op een duurzame manier brood, aardappelen, groente, fruit, eieren, honing, hoestdrank, was,  wijn, whisky, sigaren, zout, zeep, zalf, zaden, planten, diverse bouwmatrialen, compost, mest, etc.

Het belangrijkste echter wat we als huishouden zelf zijn gaan produceren is de zin van het leven. Die zin draait voor ons steeds minder om wat we consumeren en meer om wat we maken. Een maker kijkt anders naar de wereld dan een consument. Het ingewikkelde van de zin van het leven is, dat ik moeilijk voor mijn buurman of vrouw kan bepalen wat de zin van zijn of haar leven is.

Niet iedereen heeft de tijd, ruimte en ambitie om de zin van zijn bestaan op te hangen aan de smaak van zijn zelf verbouwde tomaten. Ik kan er over praten, schrijven, zaden uitdelen en plantjes verkopen. Het overtuigen begint pas als iemand het zaadje plant, de plant laat groeien en zijn eigen tomaten proeft.

The proof of the pudding is in the eating…

Met dank aan René Ruiter.

Honderd

Vandaag aflevering honderd van een reis die twee jaar geleden begon. Honderd morgens koffie met veel melk, een deadline om elf uur, een wit vlak en geen idee waar te beginnen. Een zin, nog een zin, wat schrappen en schuiven en dan zijn we los. Op naar een nieuwe aflevering.

Ik schrijf graag. Het is een ambacht; zinnen kerven, een ritme vinden, een betoog opbouwen, wat verbale donder en bliksem de ruimte in slingeren, dan weer gas terug nemen, uitleggen hoe het zit of dat ik het ook niet weet.

Waar gaat dit blog over? Over koken. Voor de maag, voor de bodem, voor de ziel. Er zijn stemmen die beweren dat het evolutionair proces dat leidde tot het ontstaan van de mensensoort pas echt op stoom kwam na de uitvinding van de kookkunst. Ik kook, dus ik besta.

Er is veel te zeggen over de staat waarin ons voedselsysteem verkeert, de keuzes, die we als individuen daarin maken en morele betekenis die we aan onze maaltijd geven. Elke dag aardappels, groente en vlees zou je een rechts-conservatief dieet kunnen noemen. Elke dag een soja-burger met quinoa en een avocadosalade zou je een links-progressief dieet kunnen noemen. Maar wat nou als die aardappels en groente uit je eigen moestuin komen en die kip van een kneiter biologisch boer een kilometer verderop, terwijl de soja uit die burger van een doodgespoten GMO-akker in de VS afkomstig is, de quinoa zo hip is dat de voedselprijzen in de oorspronkelijke quinoa-landen Peru en Bolivia door het dak laat gaan en die avocado met een vliegtuig van de andere kant van de wereld is ingevlogen? Persoonlijk eet ik liever onkruid dan een ingevlogen avocado.

De wereld wordt bijzonder complex als je voedsel vanuit een morele bril gaat bekijken. Ik heb niet zoveel met simplistische mantra’s als Go green, go vegan. Ik ben meer een onderzoeker. Hoe werkt dat, een kleinschalig, lokaal voedselsysteem?

Om daar achter te komen ben ik zes jaar geleden begonnen er zelf een te bouwen. Dat heeft tot nu toe meer dan een ton zelf geproduceerd, niet gemanipuleerd, onbesproten en kunstmest vrij voedsel opgeleverd.

Het produceren van voedsel is een avontuur, bewaren een volgende. Het conserveren van de overvloed van de zomer is een vergeten kunst: fermenteren, roken, pekelen en drogen.

Hoe maak je de cirkel rond? Waar komt de vruchtbaarheid van de bodem vandaan? Hoe ga je om regenwater, hoe benut je zonlicht, hoe verleng je de seizoenen en de levensduur van je favoriete koekepan? Hoe bouw je een nieuw kippenhok van leem en conservenblikjes en hoe haal je het zout uit de zee?

Hoe is een praktische vraag. In mijn wekelijkse stukjes leg ik vast wat ik heb geleerd. Het is ook een verslag van mijn verbazing, enthousiasme en nieuwsgierigheid. Van niets iets maken, maakt de geest vrij en onafhankelijk en geeft zin aan het bestaan.

Op maandag ruikt het huis naar vers gebakken brood, in juni naar vers geslingerde honing en in november naar gerookte spek. Op dinsdagochtend is het stil. Dan tik ik een stukje. Over de avonturen van de afgelopen week.

Waar moet ik het volgende week over hebben? Ik weet het niet. Als u het weet, mag u het zeggen…

Reageren mag! Graag zelfs. Dat kan met een reactie onder aan deze pagina, via de facebookpagina of met een mailtje aan info(at)kokenmetkropotkin.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Koolstof

Onze wintervoorraad koolstof, om al dat explosieve stikstof organisch mee te binden

Als ik agrariër was, dan zou ik mijn blog waarschijnlijk Boeren met Bakoenin noemen. Bakoenin is een van de andere grote namen uit de libertaire politieke filosofie en wordt doorgaans meer met de revolutionaire doeners geassocieerd dan de academisch ingestelde Kropotkin. Als ik de beelden van het huidige boeren protest bekijk, lijkt het er op dat de geest van Bakoenin massaal in de boeren ontwaakt is.

Boeren is een vak. Een mooi en ingewikkeld vak. Hetzelfde geldt voor actievoeren. Je kan van de harde kern van de klimaatactivisten vinden wat je wil, maar ze pakken hun acties over het algemeen wat professioneler aan dan de boer die gister als een dolle met zijn trekker te keer ging in de binnenstad van Groningen en bij het omver rijden van wat hekken op een haar na enkele onschuldige voorbijgangers miste. Geweldloze actie gekoppeld aan burgerlijke ongehoorzaamheid is een vak appart. Het helpt als je daar met zijn allen van te voren goed over na denkt en  heldere afspraken over maakt, bijvoorbeeld in een actieconsensus. Ga eens praten met de klimaatgekkies als je de fijne kneepjes van het blokkeren wilt leren.

Verzet en saamhorigheid roepen krachtige emoties op. In mijn studententijd protesteerde ik veel. Het was de tijd van onderwijsminister Jo Ritzen en die het een goed idee leek om de academische vorming van de bloem der natie om zeep te helpen met tempobeurzen en astronomische verhogingen van het collegegeld. Dit leidde in december 1994 tot een blokkade van Utrecht Centraal. Een spontane protestactie die het gezag volledig in zijn hemd zette en het treinverkeer in Nederland een dag lang ontregelde. Wij studenten vonden het prachtig. We hadden de slag gewonnen. De dag was van ons!

Tijdens deze en andere acties heb ik een beetje aan de psychologie van verzet en burgerlijke ongehoorzaamheid kunnen ruiken. De kunst van burgerlijke ongehoorzaamheid zit in het strikt vasthouden aan geweldloosheid. De partij die geweld gebruikt, verliest het moreel gelijk en delft uiteindelijk het onderspit. Met dit inzicht lukte het Ghandi om het Britisch Empire op de knieën te dwingen.

Het antwoord op de boerenfrustratie zou wel eens uit India kunnen komen. Terwijl Ghandi zijn zoutmars organiseerde uit protest tegen het Brits koloniale monopolie op de productie van zout, experimenteerde de Engelse botanicus sir Albert Howard op een agrarisch onderzoeksstation in het Indiaase district Indore met de toepassing van compost als elementaire bron van bemesting in de landbouw. Zijn klassieker An agricultural testament uit 1940 is vandaag actueler dan ooit.

Zo verzot als studenten zijn op lang studeren, zo verzot zijn boeren op stikstof. Stikstof is explosieve vruchtbaarheid en wanneer het niet gebonden is aan organisch materiaal zeer vluchtig. Het verdampt dan makkelijk als ammoniak en spoelt snel uit naar het oppervlakte water. Zodra stikstof is vastgelegd in organisch materiaal, met behulp van ruime hoeveelheden koolstof, is het niet zo vluchtig meer en is verdamping en uitspoeling veel minder een probleem.

Stikstof in combinatie met koolstof, zuurstof en een beetje water maakt compost. Compost is in wezen niets anders dan humus: organisch materiaal dat wonderen voor de vruchtbaarheid van elke bodem. Misschien hebben we geen stikstof crisis maar een koolstof crisis. Al die drijfmest schreeuwt om stro, houtsnippers en andere organische koolstof om die explosieve vruchtbaarheid mee vast te leggen, zodat ze niet weglekt naar natuurgebieden en het oppervlakte water, met alle desastreuze gevolgen van dien.

Stikstof

Spontane brandnetel tussen de aardbeien en de Oost-Indische kers

Een netelige kwestie. Stikstof. De kranten staan er vol mee. Onze kinderen behandelen het bij “nieuwsbegrip” op de basisschool, maar wat is het eigenlijk?

Losgeslagen N

Overal om ons heen is stikstof. De atmosfeer bestaat voor 78% uit stikstofgas: N2. In de lucht doet dit stikstofgas niet zoveel. De twee N-atomen zitten stevig aan elkaar vast. Zo stevig, dat ze niet de behoefte hebben om te reageren met allerlei andere atomen. Bliksem is een van de weinige natuurlijke manieren om ze los te peuteren.  Het kan ook synthetisch via het Haber-Boschproces en dan heb je de grondstof voor explosieven en kunstmest te pakken. Een losgepeuterd stukje N is namelijk een heel ander verhaal. Een losgeslagen N reageert als een wilde. Met zuurstof, met waterstof. Je krijgt dan dingen als ammoniak, nietriet en nitraat. Deze verbindingen vormen de essentiele bouwstenen voor iedere levensvorm: zonder stikstof geen DNA, geen eiwitten of aminozuren. Maar dus ook geen springstof en kunstmest.

Stikstofkringloop

Net als water kent stikstof een natuurlijke kringloop. Planten nemen stikstof op uit de bodem en gebruiken dit om organisch materiaal te maken, dat door mensen, dieren, schimmels en bacterien wordt opgegeten en verteerd. Tijdens dit verteren komt de stikstof weer in minerale vorm beschikbaar voor planten en zo begint de cyclus opnieuw. Vlinderbloemigen, dat zijn planten zoals klaver, bonen, erwten en lupine, hebben een bijzondere plek in deze natuurlijke cyclus. Door hun samenwerking met een speciale groep bacterien hebben deze planten de unieke eigenschap om stikstof uit de lucht vast te leggen in de bodem.

Explosieve vruchtbaarheid

In de moestuin ben ik dol op stikstof, simpelweg, omdat ik zonder stikstof niet kan tuinieren. Het is een van de essentiele elementen om de bodem vruchtbaar te houden. Stikstof is explosieve vruchtbaarheid. Deze kennis is eeuwenoud en terug te vinden in religieuze voorschriften, voedselwetten, volksverhalen en sprookjes. Zou vinden we in de bijbel het gebod om geen bloed te eten, maar dit bloed over de akkers te laten lopen, om de welvaart van jezelf en je nageslacht te verzekeren (Deuteronomium 12: 23-25). Bloed is een enorm krachtige stikstofbemesting en wordt als zodanig ook in de (biologische) landbouw gebruikt in de vorm van bloedmeel. In menig sprookje spelen vlinderbloemige toverbonen de hoofdrol als armlastige boeren iets van welvaart proberen te vergaren.

Stikstof is dus explosieve vruchtbaarheid. In de moestuin gaan we daar voorzichtig mee om en proberen we zoveel mogelijk aan te sluiten bij de natuurlijke stikstofkringloop. Dat betekent voldoende erwten, boontjes en andere vlinderbloemigen opnemen in het teelplannen en zorgen dat de stikstof die is vastgelegd in plantenresten door compostering en mulchen ook weer beschikbaar komt in de bodem.

Brandnetel als signaalgewas

Sommige planten zijn extra dol op stikstof. Brandnetels bijvoorbeeld of smeerwortel. Op plekken in de tuin waar deze spontaan gaan groeien zit voldoende stikstof in de bodem. Het is dus een signaalgewas voor de aanwezigheid van stikstof. Vaak is dat op de randen van heggen, paadjes en groentebedden. Regelmatig pluk ik deze brandnetels om ze in de vorm van mulch of brandnetelgier aan planten te geven die nog wel een beetje stikstof kunnen gebruiken. Kool is er dol op.

Ik zou deze brandnetels natuurlijk ook gewoon kunnen eten: blancheren en dan in een soep verwerken of een paar jonge toppen in een glas kokend water nuttigen als heilzame brandnetelthee. Meestal vind ik dat zonde en gebruik ik het liever om er een composthoop of een kwart kuub regenwater mee te pimpen.

 

Bout

Gedicht van Henk Krosenbrink over de ruilverkavelling langs de Boven Slinge

Soms werken dingen beter als ze groter zijn. Protest bijvoorbeeld. Twee trekkers in Den Haag zijn een curiositeit; twee honderd zijn een statement; twee duizend het begin van een opstand. De boeren zijn boos. Ze zijn boos op de hypocrisie van hun eigen politieke leiders, die Schiphol eindeloos laten groeien, maar de agrarische sector aan banden legt. Ze zijn boos op de stad, die het platteland niet begrijpt, maar daar wel een mening over heeft.

Ze zijn boos over het gebrek aan waardering, terwijl ze de verantwoordelijkheid nemen voor de productie van de meest elementaire levensbehoefte: ons voedsel. Ze zijn boos op consumenten, die niet meer snappen waar hun eten vandaan komt, de mond vol hebben over koetjes in de wei en ondertussen gedachtenloos hun boodschappenmandje vol gooien met kiloknallers in supermarken, die maar één boodschap uitdragen: hier is wegwerpvoedsel voor wegwerpprijzen te koop.

Boeren zijn ook boos op hun land. Met steeds groter geweld en grotere machines wordt de aarde opgescheurd en de vrucht van het veld binnengesleept. Boeren rijden niet meer in trekkers; ze rijden in tanks. In een nat najaar hebben akkers waar pas is geoogst vaak meer weg van het slachtveld van Verdun, dan van iets dat met een kringloop of natuurinclusief boeren te maken heeft.

Zondagavond konden we een kwart lam ophalen bij een boer uit de buurt. Dat doen we eens per jaar. Het is een pakket van ruim 11 kilo, waar van alles in zit: schouder, koteletjes, gehakt, lever, nier en een bout natuurlijk. De bout laten we in één stuk van ruim drie kilo. Deze bewaren we voor een bijzondere gelegenheid, zoals het jaarlijkse familieweekend van de Schudde’s. Toevallig was dat ook het afgelopen weekend. Eén bout voedt met gemak vijftien monden. Het lam is geofferd op het altaar van onze familiebanden en die banden zijn een lamsleven waard. In mijn wereld dient voedsel niet uitsluitend om de maag te vullen, maar voedt het ook de ziel.

Lamsbout uit de oven

Een hele lamsbout bereiden vraagt aandacht. Voor het braden maak ik eerst een aantal kleine snede’s in de bout, waar ik teentjes knoflook en hele kruidnagelen in druk. Daarna wrijf ik de bout in met peper om vervolgens de bout aan te braden in een ruime hoeveelheid boter. Op een bout van drie kilo gaat een pond boter de braadslee in. Na het aanbraden gaat de bout met een ruime hoeveelheid rozemarijn de oven in.  Bij honderdvijftig graden bereken ik de totale tijd op een half uur plus een uur per kilo. Een bout van drie kilo staat dus drieeneenhalf uur in de oven. Elke drie kwartier een keer omkeren en bedruipen met vet. Voor het aansnijden even laten rusten, insmeren met honing en op smaak brengen met zout. Opdienen met veel bombarie aan familie, vrienden of anderen die er toe doen.

Henk Krosenbrink

Zaterdagmiddag, voor het koken en eten aan, wandelde ik met mijn familie langs de Boven Slinge naar Bekendelle bij Winterwijk. Halverwege het wandelpad stond een bord met een gedicht van Henk Krosenbrink. Over bulldozers die ten strijde trekken tegen het landschap. Over verdwenen hagen en notenbomen. Over het kille geluid van een bijl. Over een landschap geofferd op het altaar van de vooruitgang.

 

 

 

 

 

Deugniet

Ik heb het niet zo vaak over Kropotkin, de Russische prins, revolutionair, anarchistisch theoreticus, geograaf en ontdekkingsreiziger, die met de naam van dit blog verweven is. Wie de man wil leren kennen kan het beste zijn memoires lezen.

Kropotkin was een tegendraadse man met tegendraadse ideeën. Zijn meest tegendraadse idee is misschien wel het idee van wederzijdse hulp als drijvende kracht in de natuur en in de samenleving.

In de natuur heerst het recht van de sterkste. Survival of the fitest. Daar krijg je evolutie en mooie vinken van. Dit Darwinistische beeld bepaalt nog steeds hoe de meeste mensen naar de menselijke natuur kijken. Onzin! zei Kropotkin. Niet de strijd van allen tegen allen, maar wederzijdse hulp is de dominante factor in de natuur. Een fantastisch en radicaal idee dat aan de basis staat van Kropotkins ideeën over de menselijke samenleving.

Het idee dat de mens een sociaal en vriendelijk wezen is, dat van nature meer gericht is op samenwerking dan op moordende concurrentie, staat weer volop in de belangstelling. Niet in de laatste plaats door het werk van Rutger Bregman. De meeste mensen deugen heet zijn nieuwste boek. Ik las het afgelopen weekend.

In dit boek ontpopt Bregman zich als een moderne Kropotkin en legt hij de wetenschap bloot achter de mensbeelden van Hobbes (mensen zijn als wolven voor elkaar) en Rousseau (de mens is van nature goed). In zijn boek toont hij aan dat enkele van de meest beruchte sociaal-psychologische experimenten, die het bewijs voor de aangeboren verdorvenheid van de menselijke natuur zouden zijn, op wetenschappelijk drijfzand zijn gebasseerd. Hij laat geen spaan heel van het Stanford prison experiment en andere klassiekers.

Hier tegenover zet hij de inzichten uit wetenschappelijk onderzoek dat het belang van vriendelijkheid en samenwerking als centrale factor in de menselijke evolutie benadrukt. Het resultaat is een boeiend en optimistisch betoog voor openheid, eerlijkheid, menselijke maat en menselijk contact.

Of het boek overtuigend is weet ik niet. Ik was al overtuigd voordat ik aan het boek begon en kan dat daarom niet beoordelen. Toen ik een jaar of veertien was brak ik met het Calvinistische wereldbeeld van mijn opvoeding. Ik vertikte te geloven dat de mens vanaf zijn geboorte belast is met zonde. Niet veel later maakte ik kennis met het werk van Kropotkin en zijn idee dat de meeste mensen deugen. Sindsdien is het voeren van ellenlange discussies over de menselijke natuur mijn tweede natuur geworden.Ik weet niet of ik ooit iemand heb overtuigd. Het is lastig om tegen de stroom in te roeien. Mensen haken snel af bij een hoopvol verhaal en dat maakt het betoog van Bregman interessant: hij blijft boeien.

In 2015 publiceerde hij een artikel in de Correspondent waarin hij zijn lezers kennis laat maken met onze wederzijdse vriend Kropotkin en zijn idee dat de meeste mensen deugen. Het is opmerkelijk dat Kropotkin de grote afwezige is in zijn laatste boek, dat zo door en door verweven is met de filosofische erfenis van deze oude Rus. Ik zou daarom kunnen schrijven dat Bregman een kleine deugniet is, maar dat doe ik maar niet. Want de meeste mensen deugen, nietwaar? Het is een gloedvol betoog dat aandacht verdient en andere dwarsliggers een hart onder de riem kan steken in een tijd die strak staat van goedkope misanthropie.

Rutger Bregman, De meeste mensen deugen, een nieuwe geschiedenis van de mens, de Correspondent, ISBN 9789082942187

 

PS

De inleiding van deze post is een bewerking van die van een eerdere post: Wederzijdse hulp.

Mechanisch konijn

De uitwerpselen van een mechanisch versus een organisch konijn

Blaadjes die vallen, donkere wolken in de lucht, de zomer is voorbij, de herfst komt er aan. 

Dit is niet zomaar een overpeinzing van een weemoedige blogger, maar de vrije vertaling van het Franse liedje Feuilles volages, dat ik wel eens met de kinderen zing. Waar ik het liedje geleerd heb weet ik niet meer. Misschien bij meester Klungel op de basisschool, misschien bij meneer Lameris van Frans op het gymnasium. Feuilles volages, ciel plein d’orages, l’ été s’en va, l’automne est là! Dat is de originele tekst in het Frans. Het liedje speelt vaak door mijn hoofd. Vooral al aan eind van de zomer.

De groei van de zomer vervalt in de herfst. Er is steeds meer op te ruimen in de tuin. De haag die vorige maand nog in de warme belangstelling van gemeentelijke handhavers stond, is gesnoeid. De late aardappels zijn gerooid. Afgedragen bramen en andere stuiken wachten op de snoei.

Onze eerste mechanische konijn; helaas afgelopen herfst overleden

Al dit organisch materiaal blijft in de tuin. Het gaat op de composthoop, naar de kippen en konijnen of als mulch onder de fruitbomen en over de groentebedden. Op deze manier wordt de kringloop gesloten en wordt de bodem steeds rijker. Een berg aardappelloof of haagsnoeisel composteert of mulcht niet lekker. Het matriaal is te grof om snel te composteren en al die lange twijgen en stengels maken het omzetten van de composthoop een flinke klus. Een blok haardhout brandt langzamer dan een hoop spaanders. In de composthoop werkt dat net zo. Hoe fijner het materiaal, hoe makkelijker het composteert. Versnipperen dus, voordat het de composthoop op gaat. Nu zijn verschillende manieren om organisch materiaal te versnipperen. Mijn favoriete manieren:

  1.  Konijnen: konijnen eten de gekste dingen, zolang het maar vegetarisch is. De houten planken van hun hok, gesnoeide fruitboom en andere takken, koolstronken, etc. etc. Ze zijn geruisloos, praktisch onderhoudsvrij, gezellig, en verbazingwekkend snel in het omzetten van materiaal afgezet tegen hun geringe omvang. Het te versnipperen materiaal zetten ze om in perfecte ronde korreltjes, die direct zijn toe te passen als organische bemesting in de groentetuin. Andere voordelen: ze kunnen zichzelf reproduceren, zijn volledig biologisch afbreekbaar en in geval van nood eetbaar. Enige nadeel: ze hebben geen uitknop en hebben dus dagelijks een bergje organisch materiaal nodig.
  2. Kippen: vergelijkbaar met konijnen, maar dan niet per se vegetarisch en iets kieskeuriger. Hebben een voorkeur voor keukenkliekjes en zacht en sappig materiaal zoals gras en onkruid. Bijkomend voordeel: geven regelmatig eieren en ruimen graag slakken en andere beestjes op. Nadeel: ze hebben ook geen uitknop en maken in vergelijking met konijnen een stuk meer lawaai. Harder materiaal zoals stro wordt wel versnipperd, maar niet omgezet in mest. Een diep bed organisch materiaal in het kippenhok geeft na een paar maanden een uitstekende berg direct te composteren materiaal.
  3. Grasmaaier: zeer geschikt om grote hoeveelheden relatief grof materiaal zoals haagsnoeisel, aardappelloof, stro en dergelijke om te zetten in makkelijk toe te passen mulch of composteerbaar materiaal. Niet geschikt voor takken met een diameter groter dan 0,5 cm. Nadeel: voegt geen organische waarde toe aan het materiaal, maar hakselt het alleen, maakt veel lawaai, kost energie, kan duur zijn in de aanschaf, gaat na verloop van tijd definitief stuk en is dan niet biologisch afbreekbaar. Reproduceert zichzelf niet. Minder geschikt om gras mee te maaien; daar verdienen konijnen de voorkeur.
  4. Tuinhakselaar of mechanisch konijn: is van alle shredders in dit rijtje het meest geschikt om grover materiaal zoals takken met te versnipperen. Het resultaat is een mengsel van grovere en fijnere hout-, takken- en bladsnippers, die uitstekend zijn toe te passen als grove mulch onder fruitbomen en struiken. De nadelen zijn vergelijkbaar met die van de grasmaaier. De meeste modellen kunnen takken tot 5 cm diameter aan.
  5. Snoeischaar: uitstekend om kleine hoeveelheden mee te versnipperen. Echt fijn snipperen met een snoeischaar is te tijdrovend. Ongeschikt voor grote hoeveelheden.

PS

Wie nieuwsgierig is naar de melodie of de bladmuziek van het Franse liedje kan hier eens kijken.

 

Appeloogst

Groninger Kroon

Aan de rand van de moestuin staan twee appelbomen. Een Reinette van Ekenstein en een Groninger Kroon. Ze staan daar op een verschikkelijk onhandige plek. We hebben ze daar in 2010 geplant toen we ons huis net gekocht hadden.  Ik wist toen nog niet zo goed waar ik in de tuin mee bezig was en beschouw ze als stille getuigen van mijn eigen onwetendheid.

Deze boompjes hebben mij veel geleerd. Over snoeien, over spoorvorming, waterloten, vruchtzetting en nog veel meer. Tussen die twee bomen ligt een ronde zwerfkei en daaronder ligt Pluis, een beruchte zwarte kater, die we in 2015 na een lang en niet zo arbeidszaam leven hebben laten inslapen.

Bomen zijn intelligente wezens. Bomenknuffelaars wisten dat al en nu is de wetenschap daar recent ook achter gekomen. Bomen staan met elkaar in contact via een uitgebreid ondergronds netwerk van schimmeldraden, die op hun beurt weer verbonden zijn met de boomwortels. Zoek eens op mycorrhiza en er gaat een wereld voor je open.

Via dit ondergronds netwerk wordt vanalles geruild, uitgewisseld en besproken. Suikers voor mineralen, water voor de laatste buurtroddels, stikstof voor fosfor, etc, etc. Het VPRO-programma Tegenlicht maakte hier afgelopen zondag een mooie aflevering over.

De twee appelbomen kunnen het uitstekend met elkaar vinden. Als de een een beurtjaar heeft is de ander productief en omgekeerd. Het lijkt wel afgesproken werk, zo regelmatig is het patroon. Ieder jaar weeg ik de alles wat er uit de tuin komt. Ook de appeloogst.

Dit jaar was de Groninger Kroon aan de beurt en had de Reinette van Ekenstein een beurtjaar. Zeven kilo gaf de weegschaal aan. Dat is niet veel voor een boom die in een eerder productief jaar al boven de 20 kilo gaf.  Zouden ze ruzie met elkaar hebben? Hebben ze besloten dit jaar in staking te gaan uit protest tegen twee extreem droge zomers op rij?

De Reinette van Ekenstein had vanaf het begin van de zomer wat last van meeldauw; een teken van stress. De Groninger Kroon stond de hele zomer lang te blaken van gezondheid. Met de appels die we plukken is niks mis. Er zitten zelfs flink grote tussen. Ik weet het niet. Wie het weet mag het zeggen.

 

 

 

 

Groenbemesters

Opschietende groenbemesters in een leeg groentebed

De eerste plekken raken weer leeg in de moestuin. Een groot deel van de aardappels is gerooid. Ik houd niet van lege plekken. Ik bedek ze doorgaans zo snel mogelijk onder een laag mulch. De natuur is immers een kuis wezen. Naakte grond dekt de natuur toe met plantjes die dol zijn vers gespitte aarde. Deze plantjes noemen we onkruid.

Dit jaar probeer ik eens wat anders. Groenbemesters. Dat zijn planten, die niet voor hun blad, zaden, knollen of vruchten gezaaid worden, maar om de bodem te beschermen, de bodemstructuur te verbeteren en de bodemvruchtbaarheid te vergroten. Ook worden ze gebruikt om te voorkomen dat voedingsstoffen in de bodem uitspoelen. Vanggewas noem je ze dan. De plant legt mineralen vast in zijn blad, stengels en wortels. Als het vastzit in een plant, kan het niet wegspoelen met het regenwater, zo is de gedachte. Zodra de plant vergaat in de winter of het volgend voorjaar komen de vastgelegde mineralen weer beschikbaar voor een nieuw teelseizoen.

Veel groenbemester horen bij de familie van de vlinderbloemigen. Deze plantenfamilie heeft de bijzondere eigenschap dat ze stikstof uit de lucht kan vastleggen in de bodem en stikstof, daar houden planten van. Erwten, bonen, klaver, lupine: allemaal vlinderbloemigen en dus geschikt om stikstof in de bodem vast te leggen.

Planten met een stevige, diepe wortel, zoals lupine, kunnen helpen de bodem los te maken en de structuur te verbeteren. Ook zijn er groenbemesters waar bijen dol op zijn. Phacelia is zo’n plant. Als je tegenwoordig in de nazomer grote akkers met paarse bloemetjes ziet is de kans groot dat het een groenbemester is zoals phacelia, lupine of klaver of een combinatie van deze.

Ik ga voor een mix van lupine, phacelia en mosterd. Het is al best laat in het seizoen voor een aantal van deze planten, maar met een beetjes mazzel en een zachte herfst zien we misschien zelfs nog wat bloei als de moestuin steeds leger raakt.

Veel groenbemesters gaan dood na de eerste vorst. De dode planten vormen dan een laagje organisch materiaal, dat je kan vergelijken met een mulchlaag. Lekker laten liggen in het voorjaar. Niet onderspitten.  Hooguit bij elkaar harken en op de composthoop mikken. Hoe minder je de grond spit, beter hij wordt, maar daarover later meer.

Wordt vervolgd…

 

 

 

 

 

 

Hagenpreek

Ons haag en huis

Om een groot deel van onze tuin staat een beukenhaag. Deze haag is zo’n beetje de ecologische hoofdstructuur van onze tuin en biedt een schuilplaats voor vlinders, vogels, hommels en bijen. Onze tuinegel gebruikt de haag als een snelweg om ongestoord van de ene kant van de tuin naar de andere te komen. De grond onder onze haag is zeer humusrijk en heeft een fantastische kruimelige structuur, waardoor het regenwater van een deel van ons dak er makkelijk in de grond verdwijnt. Eén en soms twee keer per jaar snoei ik de heg. Het snoeiafval leg ik vermalen als mulch tussen de groentebedden in de moestuin en helpt daar om het bodemleven te voeden, bepertkt de druk van onkruid en helpt de verdamping tegen te gaan. Hierdoor hebben mijn aardappels en bietjes zelfs in deze gortdroge zomer weinig dorst en hoef ik geen leidingwater te gebruiken om de tuin te sproeien. De haag houdt in het najaar de ergste wind uit de tuin en in de winter voer ik de jonge scheuten aan de konijnen, die dan naast hooi ook wel wat beukenbast en knoppen lusten.

Tuinen in Nederland verstenen. Groen eruit, terrastegels, beton en prefabschuttingen er in en elk ongewenst sprietje groen (help, onkruid!) met een sloot onkruidverdelger de nek om draaien. De gemiddelde aardappelboer gaat inmiddels bewuster met zijn gifspuit om dan de gemiddelde vinexwijkbewoner. De problemen van al dat beton zijn bekend. Al dat steen houdt de hitte van de zon overdag vast en straalt het ’s nachts weer uit. De hitte kan niet meer weg en er is geen groen dat als natuurlijke airco kan fungeren. Het water van de steeds vaker voorkomende stortbuien kan in die versteende tuinen niet meer de grond in zakken, waardoor de kans op wateroverlast toe neemt. Veel gemeenten en groene clubjes zoals operatie steenbreek roepen de burger daarom op de stenen uit hun tuin te halen en deze te vervangen door groen. De deal een plant voor een stoeptegel van de gemeente Groningen werd deze zomer een doorslaand succes.

Ook de groene gemeente Loppersum, landelijk bekend van fenomenen als aardbevingen door de winning van fossiele brandstoffen, uitbuiting van burgers door multinationals en overheidsfalen van on-Nederlandse proporties, ondersteunt dit soort initiatieven doorgaans van harte. Dat is maar goed ook, want ook deze plattelandsgemeente loopt bij de eerste de best wolkbreuk onder water, zo bleek een jaar of drie geleden.

Gister kreeg ik bezoek van de gemeente Loppersum. Ik stond al klaar om de aanmoedigingsprijs “meest groene gezin van de gemeente” met een bescheiden “Dank u wel, dit is te veel eer, we proberen gewoon ons best te doen voor de buurt, de beestjes en het milieu…” in ontvangst te nemen. De vertegenwoordiger van de gemeente had zich voor de gelegenheid in het uniform van een handhavingsambtenaar gestoken en begon zijn verhaal met een preek over mijn heg. Deze moest ik snoeien, want er had iemand geklaagd. Wie dat was, dat bleef geheim, want zo doen we dat in Nederland, waar de overheid haar burgers actief stimuleert om anoniem aangifte te doen van misdaden, misstanden en overhangende heggetakjes.

Ik stond even paf en dat wil wat zeggen voor iemand met mijn vocabulair. Het college van burgemeester en wethouders heeft inmiddels een pittige brief van mij ontvangen en ook u, mijn trouwe lezers, wil ik deze hagenpreek niet onthouden. Want laten we wel wezen, een folder met groene tips van de gemeente is al snel gedrukt, maar het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn dat burgers hun leven en leefomgeving ook daadwerkelijk op een groene manier gaan inrichten en gebruiken.