Zaaien

Groenbemester van kippenvoer en capucijners onder stromulch in de kas

“Het was de hele tijd februari en dan ineens is het floep… maart!” vertelde Anton Dingeman, de tamelijk briljante cartoon van Pieter Geenen mij vanochtend in Trouw. Heel lang suddert de winter door en ineens is het maart. De start van een nieuw seizoen in de tuin. Zaaien! En niet zo’n beetje ook.

In januari had ik al een voorschot genomen op het voorjaar met twee bakken extreem vroege aardappelen in de kas. Dit steken al een aardig eind boven de grond en genieten net als ik van elk uurtje zonneschijn tussen de buien door.

Opeens is het maart

Gister heb ik flink gezaaid. Tomaten en pepers binnen in de zaaibakken in de vensterbank. Peulen, capucijners, tuinbonen, witte kool en rode bieten in zaaitrays in de kas. Plantuitjes in de verhoogde bakken in de tuin.

Zaaien is niet zo ingewikkeld. De natuur is een paar miljard jaar bezig geweest met uitvogelen hoe een plant zich het beste voort kan planten. Als mens kunnen we daar niet zoveel aan toevoegen en het meeste dat we toevoegen zijn lapmiddelen om de kwalijke gevolgen van ons geklooi op te lossen.

Zaaien begint natuurlijk met een zaadje. Als de omstandigheden goed zijn, wordt dat ding wakker en gaat het vanzelf groeien. Aarde, water, een beetje warmte, soms een beetje licht; dat zijn de belangrijkste ingredienten om een zaadje wakker te schudden.

Nu is het ene zaad het andere niet. Ik heb eerder al eens wat bespiegelingen aan kiemkracht gewijd. De zaden van het vorige seizoen die ik zelf bewaard heb vindt ik meestal het meest levenslustig.

Aarde is het tweede ingrediënt. Voor alle zaden kleiner dan een erwt gebruik ik een mengsel van potgrond met een flink deel grof zand. Bij grotere zaden meng ik door dat mengels nog wat compost van onze composthoop. Voordeel van deze compost is dat het meer bodemleven bevat dan potgrond, dat over het algemeen akelig steriel is. In onze compost zitten vaak nog wat onverteerde zaden van grasjes en onkruidjes. Bij groter spul, zoals erwten en bonen, vind ik dat niet zo erg. Bij kleine zaailingen zijn die verstekelingen hinderlijk en dan neem ik het gebrek aan leven in de potgrond op de koop toe.

Hoe diep moet je zaaien? Een goede vuistregel is een tot anderhalf keer zo diep als het zaadje groot is. Een dikke tuinboon mag best een paar centimeter. Een klein kool zaadje hoeft helemaal de grond niet in, maar vindt het prima om afgedekt te worden met een paar milimeter grof zand.

Zonder water geen groei. De verhuizing van een droog zakje naar een vochtig bedje is voor veel zaden voldoende om wakker te worden. Teveel water is ook weer niet goed, want dan kan de boel gaan rotten. Goed vochtige grond bij het zaaien is meestal voldoende water om de zaden te laten ontkiemen. Water geven hoeft dan pas als de plantjes boven komen.  Kweekbakken binnen willen wel eens sneller uitdrogen; zeker als ze zoals bij ons boven de radiator staan. Een neveldouche om de twee à drie dagen is dan voldoende. Zorg wel voor ventilatie, anders gaat de boel schimmelen.

Houten kist met glasplaat: een effectieve propagator

Licht en warmte, dat verschilt nogal van plant tot plant. Koukleumen zoals tomaten, paprika’s en aubergines beginnen binnen op de vensterbank onder glas. Dan hebben ze het al snel warm genoeg om wakker te worden. Daarna is licht de grootste uitdaging. Pal voor het raam; bij voorkeur op het zuiden. Anders krijg je van die lange, iele zaailingen, die wanhopig groeien naar het licht en na twee weken moedeloos en verzwakt hun kopjes laten hangen.

Robuuster spul, zoals erwten, kan al in februari in de koude kas of onder glas. Een hoekje kippenvoer met capucijners, dat ik in januari in een hoekje van de kas bij wijze van experiment heb uitgestrooid onder een flinke mulch laag stro komt al prima boven.

Met een onverwarmde kas of koude bak kan je het zaaien dus flink vervroegen. Voor planten die wat vorst kunnen verdragen is dat prima te doen. Bij planten die minder vorst kunnen hebben bijft het gokken. Min twee of min drie gaan mijn extra vroege aardappels in de kas wel overleven. Bij min vier of vijf wordt dat al spannender. Afdekken met hooi of stro en hopen dat het geen min zeven wordt, is dan de strategie. Tot de ijsheiligen half mei vertrokken zijn blijft die kans op vorst aanwezig.

Extra vroege mobiele aardappels in de kas, hopen dat het niet te streng meer gaat vriezen

Het gros van de aardappels mag dus nog even wachten. Met twee a drie week gaan de vroege rassen de grond in. Begin april de late. Pompoenen, courgettes, bonen, komkommers, daarvoor is het allemaal nog veel te vroeg.

Maar voor het zelfde geld is het met een paar weken april. Dat weet je maar nooit. En misschien dat het daarna ook al weer snel mei is.

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *