Zuider Lopsterweg

De spoorwegovergang aan de Zuider Lopsterweg, toen er nog chloortreinen reden

De spoorlijn Groningen – Delfzijl speelt een belangrijke rol in het landschap van mijn herinneringen. Ik herinner me vaag nog de Blauwe Engel die er reed, voordat die werd vervangen door de nikszeggende Wadloper.

Het landschap rond het dorp Loppersum, waar ik ben opgegroeid, was kleinschalig. We speelden vaak op het Zwarte laantje. Toen een onverhard landweggetje aan de zuidrand van het dorp, dat tussen tuinderijen en weilanden omzoomd met holle wilgen doorliep. In droge sloten tussen het riet stookten we fikkies en vochten we denkbeeldige veldslagen uit.

Later speelden we vaak bij de spoorbrug, iets verderop  aan het Maar. Een andere mooie plek was de onbewaakte spoorwegovergang bij de Zuider Lopsterweg, aan de oostkant van het dorp. Een vergeten en verwilderd hoekje, waar in die tijd nog wel eens wat puin werd gestort. Ideaal om je crosfiets te testen, fikkies te stoken en kwajongen te zijn.

Ruilverkaveling

In de jaren 90 van de vorige eeuw ging de buldozer over het landschap van mijn jeugd. De ruilverkaveling brak los. Lijnen en landschapselementen die het geografisch geheugen van een eeuwenoud cultuurlandschap markeerden, werden zonder pardon geofferd op het altaar van de vooruitgang.

Het Zwarte Laantje werd een strak betonpad, het Juisterpad werd verbreed en rechtgetrokken. De rommel bij het spoor verdween en maakte plaats voor een bosje. Verder veranderde er niet zoveel aan de Zuider Lopsterweg. Deze plek overleefde wonderwel de kaalslag van de ruilverkaveling. Dit weggetje bleef een kronkelend en onverhard met een onbewaakte spoorwegovergang, waar twee keer per uur de boemel naar Delfzijl en een paar keer per week de chloortrein naar Rotterdam langs trok.

Het is een mooie plek om te wandelen, stil te staan en je ogen langs de horizon te laten gaan. Met je neus naar het noorden zie je de Jacobus Kerk van Zeerijp (begin 14e eeuw). Achter je ligt dan de boerenkathedraal van de Petrus en Pauluskerk van Loppersum (13e-16e eeuw). Iets naar het noordoosten het bescheiden scheve kerkje van Eenum. (12e eeuw). Acht eeuwen cultuurgeschiedenis in één oogopslag. Mooier wordt het cultuurlandschap in Nederland niet.

Chloor, spoor en veiligheid

Die chloortrein had een gevaarlijke reputatie en was de lokale politiek jarenlang een doorn in het oog. Een ontspoorde chloortrein in een grote stad als Groningen zou van de inzet van chloor bij Ieper in 1915 een lachtertje hebben gemaakt. Maar zoals dat ging in die jaren gingen de financiële belangen van de industrie boven de veiligheid van de Groningers. Niet alleen de firma Shell, ook de firma Akzo, de producent van het Groningse chloor, was goed vertegenwoordigd in de bestuurlijke top van Nederland. Die Groningers moesten niet zeuren. Er was niks om je zorgen over te maken. De risico’s van de chloortrein waren verwaarloosbaar.  Waar kennen we dit toch van en zou er inmiddels iets veranderd zijn?

Pro Rail

De chloortrein is inmiddels verleden tijd. Toch is men wakker geworden bij de spoorwegen. Die onbewaakte overweg ten oosten van Loppersum, aan dat slingerende landweggetje, waar de tijd lijkt stil te staan. Die moet weg. Die is levensgevaarlijk. Pro Rail wil van de overweg af en sluiten is volgens hen de enige optie. Twee andere onbewaakte overgangen aan de spoorlijn worden wel beveiligd en daarmee is de pot geld leeg.

Dat er geen geld is om de spoorwegovergang te beveiligen, is natuurlijk een leugen, waar Mark Rutte nog een puntje aan kan zuigen. Er is in Groningen ongeveer 400 miljard euro aan de gaswinning verdiend. Van dit geld is ongeveer 0,3% naar Groningen gegaan. Het overige is verramsjd door politiek Den Haag en omgezet in asfalt en beton in randstedelijke infraprojecten. In dit licht lijken me de kosten nog het zwakste argument om deze spoorwegovergang te sluiten.

Zo ver zal het gelukkig niet komen, want ik weet dat iedereen die dit stukje  leest van verontwaardiging van zijn stoel zal vallen en de petitie voor het openhouden van de Zuider Lopsterweg zal tekenen. Delen mag. Graag zelfs.

Teken hier de petitie voor het openhouden van de Zuider Lopsterweg:

https://petities.nl/petitions/behoud-de-zuiderlopsterweg-in-loppersum-voor-wandelaars?locale=nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nieuwe horizon

Vlak voor de kerst kochten mijn echtgenote en ik een weiland. Het ligt twee dorpen verderop. Het is ruim eenderde hectare groot en heeft een beetje de vorm van een sok met de punt naar het zuiden. Om het weiland ligt een sloot. Er staat een oude wilg en een lage haag met een paar jonge fruitboompjes en bramen deelt het perceel door midden.

Er is jaren niet zoveel met het landje gebeurd. In het najaar is er nog een keer gemaaid en zijn de sloten schoongemaakt. De grasmat is doorgroeid met verschillende soorten onkruid. Veel brandnetel, her en der wat distel, speenkruid. Die brandnetels wijzen op stikstof. Molshopen verraden de aanwezigheid van ondergrondse gravers. Waar mollen zijn, zijn wormen.  Een teken dat er aardig wat leven in de bodem zit. Niet zo verwonderlijk. Als je jarenlang de boel de boel laat, keer het bodemleven langzaam terug.

Zo’n molshoop geeft ook een aardig beeld van de toestand iets dieper onder de grasmat. Ik heb een balletje klei van een molshoop mee naar huis genomen en thuis een slaketest uitgevoerd. Je droogt dan een kluit aarde en legt die droge kluit op een grof rooster in een bak met water. Een biologisch actieve bodem zal stabiele bodemagregaten bezitten met veel micro-poriën die door glomaline bij elkaar worden gehouden. Deze glomaline is zeg maar een bioplaksel dat door mycorrhiza schimmels geproduceerd wordt.

Deze bodemaggregaten zorgen er voor dat water makkelijk de bodem kan infiltreren, dat plantenwortels hun weg kunnen vinden en een samenwerking aan kunnen gaan met die mycorrhiza schimmels. In die samenwerking ruilen planten suiker, dat ze maken met behulp van fotosynthese, voor allerlei mineralen, die ze niet zelf kunnen maken, maar die de schimmels in hun uitgebreid ondergronds netwerk wel weten te vinden.

De slake-test kan je eenvoudig thuis uitvoeren en geeft een goed idee hoe het met de stabiliteit van je bodemaggregaten is gesteld. Dit filmpje op youtube geeft goed weer hoe zo’n test werkt. Onze kluit bleef een week of drie stabiel en viel daarna pas uit elkaar. Dat zijn aardig stabiele aggregaten.

Verderop in het veld kwam ik een paar paddestoelen tegen. Nog een aanwijzing die duidt op bodemleven en de ruime aanwezigheid van organisch materiaal in de bodem.

Vrienden en bekenden beginnen meteen over trekkers en ploegen als ik ze over onze nieuwe aanwinst vertel. Ik heb het niet zo op ploegen en spitten en  kom dan met een ingewikkeld verhaal over schimmels en aggregaten en het belang van observeren. Het gesprek gaat dan vaak al snel over iets anders. Mensen zijn doeners. De schop erin, actie, plannen, ten aanval!

Op naar vijftig meter mulch

Die plannen zijn er. Scherp observeren is de eerste stap. De afgelopen weken heb ik het maaisel uit de berm gevist, een composthoop aangelegd, vijftig meter toekomstige groentebedden van een dikke laag rietmulch voorzien. Het plastic dat her en der rondzierf opgeruimd. Stap voor stap, met een compostvork en een kruiwagen. Mijn kop in de januarizon, wind in de rug, handen uit de mouwen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dag 2020, hallo 2021

Het was een ziek jaar, 2020. Daar kunnen we kort over zijn. De perenboom in de voortuin vat het goed samen. Die begon het jaar vol in de knop en viel later in de zomer ten prooi aan een verwelkingsziekte. Ik vermoed bacterievuur. We hebben het boompje in het voorjaar van 2010 geplant, toen we ons huis net gekocht hadden. Na een paar jaar kwamen de eerste peren. Na vijf jaar hing de boom vol. Deze zomer was het afgelopen. In twee weken tijd verschrompelde het blad en verdween het leven uit de boom. Op één tak na. Ik heb alles weggesnoeid. Die ene tak weerhield me ervan het hele boompje te rooien. Misschien loopt hij komend voorjaar weer uit.

Na de kerst was ik zaadbommen aan het maken voor een groot, nieuw project. Daarover binnenkort meer. Nog voor de klei goed en wel droog was begonnen de eerste zaden te ontkiemen. Niet helemaal de bedoeling, maar ik kan het ze niet kwalijk nemen. Zin in een nieuw voorjaar. Zin in een nieuwe zomer. We laten 2020 achter ons; 2021 wordt beter.

 

Water geven als het regent

Groenbemesters in de kas

De bodem van de kas werkt hard. Tussen mei en juni schieten de tomaten en komkommerplanten razendsnel de grond uit. Dat gaat zo snel, dat ik ze bijna kan zien groeien. In juli, augustus en september brengen die planten een constante stroom vruchten voort. Dat is veel biomassa van een klein stukje bodem. De rotatie is eenzijdig. Tomaat, komkommer, een keertje peper, paprika of aubergine en dan weer tomaat. Dat heb je in een kas al snel.

Door een eenzijdig teelplan, met in ons geval veel planten uit de nachtschade familie, kunnen er ziekten in de bodem onstaan. Bij tomaten is dit bijvoorbeeld kurkwortel (Pyrenochaeta lycopersici). De wortel van een gezonde tomatenplant is egaal wit of ivoorkleurig. Aangetaste wortels hebben bruine vlekken en zien er verdroogd en gespleten, kurkig, uit. Tomaten die last hebben van kurkwortel zien er wat vermoeid uit en geven minder opbrengt. Als ik de tomaten in oktober opruim controleer ik altijd even de wortels op tekenen van kurkwortel.

Alle reden dus om het bodemleven in de kas extra aandacht te geven. Daar begint alles mee: gezonde groei en bodemvruchtbaarheid. Het hangt allemaal samen met een levende bodem. Er zitten miljarden micro-organismen in de bodem. Geeft je het bodemleven een eenzijdig dieet, dan gaan schadelijke soorten overheersen en krijg je problemen.

In het verleden heb ik de grond in de kas hierom wel eens twee steek diep vervangen. Een flinke klus en ik geloof niet dat het iets geholpen heeft. Het getuigt ook van een soort wegwerpmentaliteit. Je gebruikt de bodem een aantal jaar en als het resultaat je niet meer aanstaat haal je nieuwe.

Hoe krijgen we minder eenzijdigheid in de kas en een gezonde bodem? In de zomer staan er tussen de tomaten wat basilicum en goudsbloem. Die doen het daar prima. Ook afrikaantjes zijn een bekende buur in de kas om problemen te voorkomen. Dit jaar heb ik na de tomaten een mengsel van klaversoorten, mosterd, phacelia, borage, wikke, haver en rogge in de kas gezaaid. Deze groenbesters in de winter helpen hopelijk ook om de eenzijdigheid te doorbreken.

Mulchen! In de zomer wordt het heet in de kas. Een onbedekte bodem in de kas droogt dan razendsnel uit. Het bodemleven trekt zich terug. Een mulchlaag van bijvoorbeeld gemaaid gras houdt het vocht vast in de bodem, reguleert de temperatuur en voedt het bodemleven.

Niet spitten. Spitten verstoort het bodemleven. Hoe minder verstoring in de bodem, hoe beter de structuur. De bodem voed je van boven af. Het is niet nodig om mest of compost in de bodem in te werken. De natuur doet dit zelf voor je. Vooral wormen kunnen een enorme hoeveelheid origanisch materiaal de bodem in trekken. Ze zorgen bovendien voor een netwerk van minuscuele gangetjes, waardoor lucht en water de bodem in kunnen trekken. Deze gangetjes geven plantenwortels de ruimte om te groeien. Een gezonde, niet gespitte bodem heeft een sponsachtige structuur. Een gespitte bodem slaat dicht.

In het najaar laat ik een paar keer de regentonnen leeglopen in de kas. In de zomer kom ik regenwater tekort. In het najaar heb ik een overvloed. Waarom geen water geven als het regent? Na de zomer kan de kas wel een slok water gebruiken. Een stortbui van 1000 liter op tien vierkante meter. In een paar minuten is het water weggetrokken in de kleibodem. Dit vermogen om water te laten infiltreren zegt iets over de kwaliteit van de bodem. Vijf jaar geleden had ik met die 1000 liter een overdekt zwembadje in de kas gemaakt. Nu hoor ik het overal borrelen en klokken. Luchtbelletjes die ontsnappen uit die sponsstructuur. De bodem had dorst.

Als het groen kniehoog in de kas staat mogen de kippen er in. Die lusten wel wat groen in de winter.

Alexandra Kropotkin

Portret van Sasha Kropotkin Afbeelding: Gerald Kelly – Gallery's online collection; Europeana listing,  PD-US, Link

Het leven zit vol grote en kleine verrassingen, die je nieuwsgierig maken naar wat de wereld nog meer voor je in petto heeft. Zo ontdekte ik twee weken geleden Alexandra Kropotkin. Ze was de dochter van de Russische schrijver, revolutionair, ondekkingsreiziger en geograaf Peter Kropotin, wiens intellectuele nalatenschap een belangrijke inspiratiebron is voor dit blog. Waar vader het in standaardwerken als The Conquest of Bread vooral heeft over maatschappelijke krachten, sociale strijd en solidariteit, schreef dochter Alexandra The best of Russian Cooking, het standaard kookboek over de Russische keuken in de Engelstalige wereld. Ik kreeg het vanochtend voor mijn 45e verjaardag.

De klassieker over de Russische keuken

De eerste druk van het kookboek verscheen in 1947. Ruim 70 jaar later is het boek nog volop verkrijgbaar. Een klassieker dus. Het blijft voor mij een klein raadsel waarom Alexandra en haar kookboek zo lang voor mij, een gretige lezer met een voorliefde voor koken en Russische geschiedenis, onder de radar zijn gebleven. De originele Koken met Kropotkin: The best of Russian Cooking, is een ode aan de Russische keuken,  de Russische eetcultuur en de legendarische Russiche gastvrijheid.

Beoordeel een volk niet op zijn politici, maar op de gastvrijheid van zijn inwoners en de kwaliteit van zijn roggebrood en koolsoep. Dat is de boodschap van Alexandra Kropotkin. Uit haar klassieker het recept voor een snelle rode bietensoep: borsch.

  • 2 blikken¹ consommé (geklaarde fond/bouillon)
  • 1 blik bouillon
  • 1 cup (240 ml) water
  • 1 theelepel azijn
  • ½ theelepel Worcestershire saus
  • ½ cup bietensap
  • ½ cup zure room

Meng de consomme met bouillon en water en breng het aan de kook. Voeg de azijn, Worcestershire saus en bietensap toe. Voeg eventueel een snufje suiker toe als de bietensap de soep niet zoet genoeg maakt, maar maak de soep in geen geval te zoet! Roer de zure room glad met een eetlepel water en voeg daarna de consomme toe. Opnieuw verwarmen, maar niet aan de kook brengen. Als je de soep koud op wil dienen voeg je de zure room pas toe vlak voor het opdienen, als de soep is afgekoeld.

Deze soep dient, of hij nu warm of koud geserveerd wordt, altijd rijk bestrooid te worden met fijn gesnipperde peterselie.

Alexandra Kropotkin, The Best of Russian Cooking, Hypocrene Books, New York, ISBN 0-7818-0131-1

¹Het recept spreekt hier over cans, blikken. Wat de inhoudsmaat van deze blikken is, is me onduidelijk. Zeventig jaar terug was soep uit blik natuurlijk lekker hip. In plaats van blikken bouillon raad ik nu aan zelf een paar liter mooie bouillon of consommé te trekken.

 

 

 

 

Groei en verval

De laatste tomaten

Gister heb ik de tomatenplanten opgeruimd. De basilicum die tussen de tomaten stond mag nog even blijven staan, net als de klaver die her en der opduikt. De zomer is voorbij. In de namiddag vangt de kas nog een klein streepje zon. Tot eind februari zal ze in de schaduw van de kerk naast ons huis liggen.

Ik versnipper de tomatenplanten en breng ze naar de composthoop, samen met de resten stro van de mulchlaag die de hele zomer lang de bodem van de kas beschermd heeft tegen de ergste hitte. De kas heeft dorst. Afrijpende tomaten houden niet van te veel water ineens. Dan gaan ze scheuren. In de nazomer knip ik bovendien zo veel mogelijk loof weg. Er hoeft dan niet zo veel meer gegroeid te worden en elke streep zon helpt met het rijpen van de laatste volgroeide trossen.

Na twintig gieters water worden de wormen die zich in de bodem verstopt hebben wel weer wakker. Waar de tomaten stonden zaai ik een mengsel van verschillende groenbemesters. Rogge, phacelia, borage, japanse haver, wikke. We zullen zien wat er nog opkomt. Met een beetje mazzel geven de groenbemesters een extra boost aan het bodemleven. Dit helpt om verschijnselen als kurkwortel en andere gevolgen van de eenzijdige en gebrekkige teeltvariatie, die zich in de beperkte ruimte van een kas snel voor doen, tegen te gaan. Voor een winterteelt van kool of sla heb ik te weinig weinig zon in de kas.

Bij het opruimen van tomaten leg ik de trossen die nog groen zijn apart. De komende weken kleuren die langzaam rood in de vensterbank. In de salade zijn deze groen geplukte tomaten niet echt lekker meer. Voor in een pastasaus zijn ze prima.

Van groei naar verval naar nieuwe groei. De komende maanden wordt er heel wat cellulose, lignine en polysachariden afgebroken. Op de composthoop en in de bodem. De koolstof verdwijnt grotendeels als koolstofdioxide in de lucht. Een klein deel blijft achter als humus. Samen met de mineralen om zo weer beschikbaar te komen voor een nieuwe groeispurt in het voorjaar.

Hoe meer er vervalt, hoe meer er straks weer kan groeien. Daarom zijn we zuinig op al het organisch materiaal dat de tuin voortbrengt. Onkruid, tomatenplanten, heggensnoeisel, herfstbladeren… het kan allemaal op de composthoop. Als het organisch is, is het te composteren.

De composthoop is de verzamelplek van alles wat organisch is en niet door ons zelf, de kippen of de konijnen gegeten worden, niet naar het wormhotel gaat en ook niet als mulchlaag hoeft te dienen. Dat is nog best veel. Tomaten en andere planten uit de nachtschade familie zijn giftig voor de kippen en konijnen, maar kunnen prima op de composthoop. Fijngehakt als groen tussen twee lagen bruin is er in twee weken vrijwel niets van terug te vinden. Een goed hete composthoop vernietigt ook alle sporen van eventuele plantziekten. Uit voorzorg geen tomaten of aardappelloof composteren is naar mijn idee onzin.

De natuur ruimt zijn eigen rommel op en heeft daarvoor een leger van miljarden schimmels, bacteriën en andere microorganismen voor klaar staan. Ik ben voorlopig klaar in de kas. Laat de natuur zijn gang maar gaan.

 

 

 

 

 

Gefundenes Fressen

Af en toe plukken, rapen en zoeken we iets wilds. Twee weken terug een paar flinke handen vol hazelnoten. Soms een paar mosselen aan het Wad. Een emmertje bramen op een verwilderd plekje.

Wat wild geplukt wordt heeft een wilde smaak. Dat pakt de ene keer beter uit dan de andere keer. De wilde mosselen verdwenen in een heerlijke pasta, waar ik als enige van smulde. Te wild van smaak voor de vrouw en kinderen. Geen zin om die “snotjes” uit de schelpen die ze zelf verzameld hadden ook op te eten.

Blogger met zijn vangst

Beteuterd bleef ik over met een flinke pan pasta frutti di mare. Eten doen we met de mond, maar de smaak en de belevenis van het eten maken we met de geest. Wat mama niet eet, eet haar kroost ook niet. Dat werd me wel duidelijk.

Onze kinderen zijn makkelijke eters. Ze lusten bijna alles, zolang het niet te scherp is. Zoet en zuur zijn favoriet, maar zelfs een flinke portie bitter, zoals groenlof, kunnen ze best aan. Van jongs af aan eten ze wat de pot schaft.

Het helpt dat we enthousiast zijn over eten, dat ze zien waar het vandaan komt en dat ze mee mogen helpen in de keuken.  Soms mag er ketchup op het avondeten, maar dat zijn de uitzonderingen. Iedere smaak standaard onder een laag zoete rommel verstoppen lijkt me niet echt een goede training voor jonge smaak papilletjes. Toch bleven die mosselen een brug te ver. Daar kon geen ketchup iets aan veranderen.

Schelp en ketting

Gelukkig kan je met een mossel nog veel meer. Boormachine, 2 mm boortje, klein gaatje in het schelpje, touwtje er door, nog meer schelpjes er bij. Succes verzekerd.  Scheelt weer een stofzuiger vol glitters en plastic kraaltjes.

 

 

 

 

 

 

 

Bonenburger

Basis voor bonenburger

Afgelopen weekend stond er een etentje op de rol met vega en vegan vrienden. Ik vind dat altijd wel een mooie uitdaging, omdat veganistisch koken me stil doet staan bij een aantal automatismen in de keuken: boter, melk, room, yoghurt, kaas, eieren, honing. Allemaal basisingrediënten waar ik graag mee werk. Het kan zonder en het kan ook lekker zonder. Bovendien is er geen enkel excuus om dan direct naar zo’n lap industrieel geperverteerde, veel te dure soja van de Unilever of een ander multinational te grijpen. De vegan bonenburger maken we lekker zelf.

Zelf zijn we noch veganistisch, noch vegetarisch. We eten bewust wat minder vlees, maar ik vind het te ver gaan om ons dieet flexitarisch te noemen. Als ik een stempel op de morele voedselwetten van ons gezin zou moeten plakken dan is het locavorisch. Vrijwel al ons vlees en een groot deel van onze zuivel komen rechtstreeks van biologische boeren uit de buurt. De honing komt van onze eigen bijen en de eieren, als het even kan, van onze eigen kippen. Over het hoe wat en waarom van groene vlees- en zuivelconsumptie moeten we het binnenkort maar eens hebben. Vandaag hou ik bij het recept voor onze vegan bonenburger.

Recept vegan bonenburger

Voor de betere bonenburger gebruik ik het liefst gedroogde bonen en kikkererwten. Voorgekookt spul uit blik geeft al snel een te kleffe substantie. Dat is funest voor een lekkere burgerstructuur.  Als basis gebruik ik twee tot drie delen bonen op een deel kikkererwten, aangevuld met wat bruine linzen, een hand noten en een paar eetlepels havervlokken. Wel de bonen en kikkererwten ruim van te voren. Een nacht is prima.

Kook de bonen, kikkererwten en linzen een kwartier a twintig minuten, tot ze net beet gaar zijn. Pureer het geheel in een keukenmachine met een hand vol wal-, hazel- of andere noten, een paar eetlepels havervlokken, een scheutje olie, een gesnipperd lenteuitje, een paar tenen knoflook, een beetje limoensap, een klein beetje bruine suiker, flink wat vergemalen specerijen naar eigen inzicht (gemalen komijn, korianderzaad, mosterdzaad, kruidnagel, venkelzaad, spaanse peper, etc.) en een ruime hoeveelheid gerookte paprikapoeder. Breng op smaak met peper en zout.

Vorm hier een stapeltje mooie ronde burgers van en bak deze in een grilpan in een scheutje olie aan beide zijden mooi bruin. Serveren op een huisgebakken burgerbroodje met een rijk assortiment sla, tomaat, komkommer en augurk uit eigen tuin en een sausje op basis van, vooruit dan maar, sojayoghurt, olijfolie en knoflook.

 

 

Gif, piepers en gezondheid

Nieuwe oogst Anaïs

Op 29 juni 2020 kwam de Gezondheidsraad met een advies over het gebruik van landbouwgif en de gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Kort samengevat komt het hier op neer. Spuit uit voorzorg in de landbouw toch maar een beetje minder gif, want er zijn in de internationale wetenschappelijke literatuur sterke aanwijzingen dat gif toch wel, nou ja, … , giftig is.

De timing van het rapport is perfect. We zitten eind juni in een periode met wisselend warm en vochtig weer en dat betekent ideale omstandigheden voor plagen, zoals de schimmelziekte phytophtora. Deze agressieve plantenziekte heeft het vermogen om in een paar dagen een complete aardappel- of tomatenoogst te vernietigen. De aardappelteelt neemt een kwart tot een derde van het gif dat in de Nederlandse landbouw wordt gebruikt voor zijn rekening.

Wij wonen in Noordoost Groningen in aardappelland. Elke avond tuft er een trekker voorbij, met daarachter een spuitinrichting en honderden liters gif. Kalenderspuiten heet het fenomeen. “Onder kalenderspuiten wordt verstaan het regelmatig preventief op een vast moment gebruiken van een gewasbeschermingsmiddel om te voorkomen dat een plaag, ziekte of onkruid zich ontwikkelt…” lees ik in een officiële bekendmaking.

“Proefdieronderzoek en onderzoek naar werkingsmechanismen laten zien dat verbanden tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en de ziekte van Parkinson en ontwikkelingsstoornissen bij kinderen plausibel zijn…” lees ik in de samenvatting van het eerder genoemde advies van de Gezondheidsraad.

“Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren, en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.” dichtte Willem Elsschot.

Aardappels in verhoogde bakken met mulch
Een van de vakken vroege aardappels, half mei

Ik tuinier zonder gif. Tomaten en aardappelen zijn, qua opbrengst, mijn twee grootste teelten. Beide planten uit de familie van de nachtschade zijn gevoelig voor Phytophtora. Dit kan een vloek zijn als je zonder gif wil tuinieren.

Afgelopenweek oogste ik het eerste vak vroege aardappels. Deze aardappels waren van het ras Anaïs. Een heerlijke licht kruimige aardappel, met een behoorlijke resistentie tegen phytophtora. Gepoot in de eerste week van maart, zodat ik vroeg in het seizoen en hopelijk voor de grootste infectiedruk aan, kan oogsten.

De oogst bedroeg 8,9 kilo van een vak van twee vierkante meter met vijftien poters, op een half schaduw lokatie. Omgerekend naar een hectare zou dat uitkomen op een kleine 45 ton. Voor consumptieaardappelen in een extreem droog jaar geen rare opbrengst.

Deze aardappelen zijn amper bemest in de klassieke zin van het woord. Ze groeien in een verhoogde bak die wel wat weg heeft van huegelkultur: een laag halfvergane stammetjes met daarop een ruime hoeveelheid ruwe compost. Het vak heeft een kruiwagen konijnenmest gehad in de winter. De planten zijn opgegroeid in een dikke laag mulch, die in twee fasen is aangebracht; een laag gehakselde beukenhaag in april en een laag ruwe compost in mei.

De planten lieten een krachtige, gezonde groei zien, met een flinke loof ontwikkeling. Na een korte regenbui begin juni groeiden er spontaan paddestoelen tussen de aardappelplanten. Dit duidt op een schimmelgedomineerde stuctuur van het bodemleven. Bij de oogste was het loof gezond, net als de knollen, op een handjevol door wormen aangevreten exemplaren na.

De aardappelziekte Phytophthora verandert. Er zijn nieuwe stammen gekomen die agressiever zijn dan we voorheen gewend waren. (…) Deze nieuwe stammen vormen meer vlekken en sporen en de vlekken groeien sneller. (…) Dit betekent dat bij warm en vochtig weer de interval tussen bespuitingen verkort dient te worden… las ik onlangs in dit bericht in AkkerbouwActueel.

Hoe meer de boer spuit, hoe agressiever de natuur reageert.  Gezonde groei begint in een gezonde bodem; niet in een bodem die is doordrenkt met synthetische meststoffen en gif, met amper organische stof en waar iedere samenhang en leven door overmatige bewerking uit is verdwenen.  Het is opvallend hoe weinig aandacht er is voor bodemvruchtbaarheid, organische stof gehalte en de een gezond bodemleven in de discussie rond landbouwgif. Ook in het rapport van de Gezondheidsraad ontbreekt de link naar een gezonde bodem in het streven naar een vermindering van het gebruik van landbouwgif.  Het chemisch landbouwmodel gaat de wereld niet voeden. Een gezond bodemleven wel.

Gifvrij aardappels telen is niet makkelijk, maar het kan. Wat ik tot nu toe geleerd heb:

  1. Blitzkrieg: vroeg poten en vroeg rooien om de ergste besmettingsdruk in de zomer voor te zijn.
  2. Resistente rassen: gifvrij telen met rassen die bekend staan om hun vatbaarheid voor phytophtora is vragen om problemen. Meervoudig resistente rassen zoals Sarpo Myra zijn een onmisbare strategie en smaken uitstekend, in tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt.
  3.  Levende bodem: een gezonde bodem is een levende bodem. Beperk verstoring, spit niet, voedt het bodemleven met organisch materiaal en diversiteit in het teelplan en werk toe naar een bodem die schimmelgedomineerd is. Gebruik geen kunstmest, maar compost of organische mest, voorkom naakte grond en mulch, mulch, mulch.
  4. Tel uw regenwormen één voor één. Tel ze alle en vergeet er geen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tussen-, combi- en multiteelt

Anderhalve meter; het voelt onnatuurlijk. De mens is een door en door sociaal wezen. Het liefst klitten we op in en aan elkaar op een zo klein mogelijke ruimte, vooral als we jong zijn.

De voorschriften van de  anderhalve meter samenleving geven met lijnen en pijlen aan hoe we ons tot elkaar dienen te verhouden. Demonstreren mag, maar allemaal netjes op je eigen stip.  Voelt ongemakkelijk. Gelukkig hoef ik niet meer zo vaak te demonstreren. Ik heb tussen mijn zestiende en zesentwintigste zoveel gedemonstreerd dat ik een soort van morele ontheffing heb.

De stippen en pijlen doen me aan iets denken. De pictogrammen op zakjes zaaigoed. Bietjes: 30 cm in de rij, 20 er tussen. Kool: 50 bij 40. In de moestuin is de anderhalve meter samenleving voor planten al jaren de norm. Terwijl planten net mensen zijn. Ook zij klitten het liefst op en aan elkaar in een zo klein mogelijke ruimte.

Planten in een monocultuur met de voorgeschreven afstand voelen zich eenzaam. Eenzame en depressieve planten worden in de moestuin al snel opgeruimd door het slakkenvolk.

Ui en wortel, een klassieke combinatie

Rijtjes en afstanden zijn er zo ingeramd in de moestuin, dat het moeilijk afscheid nemen is. Het doorbreken van een monocultuur met combinatieteelt is een klassieker. Naast wortelen hoort ui, want die helpen elkaar van hun plagen af. Een andere, minder bekende zijn de drie gezusters: mais, pompoen en bonen. Tussenteelt is ook geen onbekende voor de doorgewinterde moestuinier. Tussen twee rijen bonenstaken past best een rijtje andijvie of sla. Als de timing goed is, is de sla klaar als bonen gaan klimmen en de zon wegnemen.

Klaver met prei?

Het blijft allemaal wat magertjes en onbeholpen als je het afzet tegen de radicale diversiteit, die de standaard is in de natuur. In de moestuin is het voor mij nog een grote zoektocht naar de kracht van die radicale diversiteit. Tussen de rijtjes door groeien de experimenten. Snelle groeiers doen het goed tussen snelle groeiers. Zo is mosterd en phacelia prima te combineren met peultjes en capucijners. Klavers met prei? Geen idee, maar we gaan het proberen.

Snelle groeiers
Saladebar!

De salade bar is in ieder geval een doorslaand succes. Dit is een mix van twee vierkante meter snijmoes, rucola, veldsla, biet en andere gebladerte voor de dagelijkse salade. Elke avond een flinke bak en er lijkt geen einde aan te komen. De rucola staat nu bijna in bloei en de snijmoes krijgt wat de overhand. Binnenkort alles één keer afknippen en de weelde begint weer van voren af aan.