Nachtvorst

Effect van microklimaat: zelfde soort, zelfde grond, zelfde zaai- en verspeen datum, ander microklimaat

Het is de tweede Koningsdag op rij zonder vrijmarkt. Normaal sta ik op 27 april met tomatenplantjes op de vrijmarkt in Loppersum. Voor de vaste klanten en de verkoop langs de weg heb ik wel wat planten staan, maar die hebben het moeilijk. Een koud voorjaar. De helft van de nachten nachtvorst. Stevige hagelbuien die drie, vier dagen aanhouden. Ouderwets aprilweer, waar wij bleke kasplantjes niet meer aan gewend zijn.

Ik moet toegeven dat ik er flink chagerijnig van kan worden. Geduld in het voorjaar is nu eenmaal niet mijn sterkste kant. De hele winter wacht ik tot ik weer los mag. In maart begin ik met de tomaten. Dat is vroeg, maar geeft bij een normaal tot mild voorjaar prima planten op 27 april, zonder dat daar een warmgestookte kas voor nodig is. Een paar nachten met lichte vorst overleven ze wel in de koude kas. Sterker nog, daar worden ze hard van.

Dit jaar hebben de tomatenplanten het moeilijk gehad. Normaal heb ik amper uitval van planten. Nu zit ik op zo’n 15% klimaatslachtoffers. Het weer kan ik moeilijk de schuld geven. Uiteindelijk ben ik degene die verzint dat hij al in maart met zijn tomaten in de weer wil. Volgend jaar beginnen we twee weken later. Aan de andere kant laat zo’n koud voorjaar ook zien welke tomatensoorten relatief meer en minder gevoelig zijn voor zo’n koude, stressvolle start. Extremistan is er om van te leren.

Een paar observaties

Om te beginnen de kas. Mijn doe-het-zelf kas is de afgelopen jaren flink gebutst geraakt. Het is een mooi ding, maar hij loopt na acht jaar op zijn laatste benen. Bij het ontwerp heb ik een paar fouten gemaakt, die de kas wat meer natuurlijke ventilatie geven dan de bedoeling is. Dat is mooi in een extreem hete zomer, maar een nadeel in een koud voorjaar.

Door enkele ontwerpfouten geen gebrek aan natuurlijke ventilatie

De tocht in combinatie met de schaduw van de buren zorgt voor verschillende in microklimaatjes in de kas. Ik heb de indruk dat vooral deze microklimaatjes bepalend zijn geweest voor het verschil in de mate waarin de plantjes de kou van het voorjaar het hoofd hebben weten te bieden. Ook het soort potje waar ze in staan draagt bij aan dit microklimaat. Klein potje, lager bij de grond, meer kou, groter potje, hoger van de grond, minder kou.

Dit effect van microklimaat is nog sterker bij de mobiele aardappels die al de hele maand april in cementkuipen buiten staan. Alleen de bakken die onbeschut tegen de noordenwind staan hebben noemenswaardige vorstschade opgelopen. Die schade is vooral ontstaan door de vier dagen hagel aan het begin van de maand.

Geen beschutting: aardappelplant met vorstschade
Beschut tegen de zuidmuur: aardappelplant in volle groei

De tomatensoort lijkt invloed te hebben, maar minder dan ik had verwacht. Twee soorten die ik nog maar één of twee jaar zelf vermeerder hebben op het oog meer last van de kou gehad en ook de uitval zat vooral bij deze twee soorten. Maar ook bij de soorten die ik al langer zelf vermeerder zijn er kleine verschillen, die op het oog op de soort zijn terug te voeren. De vleestomaten Purple Calabash en Black Seaman ogen me net wat vitaler dan de rest.

Alles bij elkaar is zo’n koud voorjaar misschien ook weer een geluk bij een ongeluk. De planten die de koude start in onze kas hebben overleefd, leveren het zaad voor de planten van volgend jaar en dat maakt ze net weer een tikje robuuster en meer aangepast aan onze lokale omstandigheden. Een plant die nooit wat meemaakt heeft geen karakter. Dat proef je. Toch had iets minder karakter dit voorjaar ook wel gemogen.

 

Ravioli

De ravioli van Lotte

Er zijn van die gerechten die ik te weinig maak. In mijn hoofd zijn ze teveel gedoe en gepiel. Ravioli is zo’n gerecht.  In de praktijk valt dat best mee, zeker als ik het grootste deel van het pielen overlaat aan mijn dochter. Lotte mag graag meehelpen. Pastadeeg maken we vaker samen, maar na tien tagliatelles werd het tijd de lat wat hoger te leggen. Ravioli dus.

Het moest een bijzondere ravioli worden voor een speciale gelegenheid. Voor de vulling had ik een pesto gemaakt van wilde hazelnoten, de zongedroogde tomaatjes van afgelopen zomer, Russische rode boerenkool uit de voortuin, huisgerookte knoflook en een flinke scheut olijfolie. De verhoudingen houd ik nooit zo bij. Een handje dit, een handje dat, een paar teentjes. Dat werk.  Regelmatig proeven helpt natuurlijk ook. Voor de pesto snijd ik alles eerst in stukjes en dan flink stampen in de vijzel.

Voor het pastadeeg gebruik ik het basisrecept van drie drie drie: 300 gram bloem op drie eieren met drie eetlepels olijfolie. Een snufje zout. In de pastamachine uitrollen tot een mooie lap deeg. Er zijn verschillende hulpstukken voor het maken van ravioli verkrijgbaar,  maar gewoon met een lap deeg waar je een paar plukjes vulling op legt en die je vervolgens omvouwt, aandrukt en uitsnijdt met een rond deegvormpje werkt het ook. Na het uitsteken de randjes nog even dichtdrukken met een gebaksvorkje en bewaren op een bebloemde theedoek.

De ravioli hoeft maar een paar minuten gekookt te worden. Om de ravioli af te maken gaat er botersausje over. Smelt een klont roomboter rustig in een steelpan. Klop hier het sap van een citroen door en een scheut huisgeperste walnootolie en giet dit over de ravioli. Afmaken met een beetje versgemalen zwarte peper.

 

 

 

 

Zuider Lopsterweg

De spoorwegovergang aan de Zuider Lopsterweg, toen er nog chloortreinen reden

De spoorlijn Groningen – Delfzijl speelt een belangrijke rol in het landschap van mijn herinneringen. Ik herinner me vaag nog de Blauwe Engel die er reed, voordat die werd vervangen door de nikszeggende Wadloper.

Het landschap rond het dorp Loppersum, waar ik ben opgegroeid, was kleinschalig. We speelden vaak op het Zwarte laantje. Toen een onverhard landweggetje aan de zuidrand van het dorp, dat tussen tuinderijen en weilanden omzoomd met holle wilgen doorliep. In droge sloten tussen het riet stookten we fikkies en vochten we denkbeeldige veldslagen uit.

Later speelden we vaak bij de spoorbrug, iets verderop  aan het Maar. Een andere mooie plek was de onbewaakte spoorwegovergang bij de Zuider Lopsterweg, aan de oostkant van het dorp. Een vergeten en verwilderd hoekje, waar in die tijd nog wel eens wat puin werd gestort. Ideaal om je crosfiets te testen, fikkies te stoken en kwajongen te zijn.

Ruilverkaveling

In de jaren 90 van de vorige eeuw ging de buldozer over het landschap van mijn jeugd. De ruilverkaveling brak los. Lijnen en landschapselementen die het geografisch geheugen van een eeuwenoud cultuurlandschap markeerden, werden zonder pardon geofferd op het altaar van de vooruitgang.

Het Zwarte Laantje werd een strak betonpad, het Juisterpad werd verbreed en rechtgetrokken. De rommel bij het spoor verdween en maakte plaats voor een bosje. Verder veranderde er niet zoveel aan de Zuider Lopsterweg. Deze plek overleefde wonderwel de kaalslag van de ruilverkaveling. Dit weggetje bleef een kronkelend en onverhard met een onbewaakte spoorwegovergang, waar twee keer per uur de boemel naar Delfzijl en een paar keer per week de chloortrein naar Rotterdam langs trok.

Het is een mooie plek om te wandelen, stil te staan en je ogen langs de horizon te laten gaan. Met je neus naar het noorden zie je de Jacobus Kerk van Zeerijp (begin 14e eeuw). Achter je ligt dan de boerenkathedraal van de Petrus en Pauluskerk van Loppersum (13e-16e eeuw). Iets naar het noordoosten het bescheiden scheve kerkje van Eenum. (12e eeuw). Acht eeuwen cultuurgeschiedenis in één oogopslag. Mooier wordt het cultuurlandschap in Nederland niet.

Chloor, spoor en veiligheid

Die chloortrein had een gevaarlijke reputatie en was de lokale politiek jarenlang een doorn in het oog. Een ontspoorde chloortrein in een grote stad als Groningen zou van de inzet van chloor bij Ieper in 1915 een lachtertje hebben gemaakt. Maar zoals dat ging in die jaren gingen de financiële belangen van de industrie boven de veiligheid van de Groningers. Niet alleen de firma Shell, ook de firma Akzo, de producent van het Groningse chloor, was goed vertegenwoordigd in de bestuurlijke top van Nederland. Die Groningers moesten niet zeuren. Er was niks om je zorgen over te maken. De risico’s van de chloortrein waren verwaarloosbaar.  Waar kennen we dit toch van en zou er inmiddels iets veranderd zijn?

Pro Rail

De chloortrein is inmiddels verleden tijd. Toch is men wakker geworden bij de spoorwegen. Die onbewaakte overweg ten oosten van Loppersum, aan dat slingerende landweggetje, waar de tijd lijkt stil te staan. Die moet weg. Die is levensgevaarlijk. Pro Rail wil van de overweg af en sluiten is volgens hen de enige optie. Twee andere onbewaakte overgangen aan de spoorlijn worden wel beveiligd en daarmee is de pot geld leeg.

Dat er geen geld is om de spoorwegovergang te beveiligen, is natuurlijk een leugen, waar Mark Rutte nog een puntje aan kan zuigen. Er is in Groningen ongeveer 400 miljard euro aan de gaswinning verdiend. Van dit geld is ongeveer 0,3% naar Groningen gegaan. Het overige is verramsjd door politiek Den Haag en omgezet in asfalt en beton in randstedelijke infraprojecten. In dit licht lijken me de kosten nog het zwakste argument om deze spoorwegovergang te sluiten.

Zo ver zal het gelukkig niet komen, want ik weet dat iedereen die dit stukje  leest van verontwaardiging van zijn stoel zal vallen en de petitie voor het openhouden van de Zuider Lopsterweg zal tekenen. Delen mag. Graag zelfs.

Teken hier de petitie voor het openhouden van de Zuider Lopsterweg:

https://petities.nl/petitions/behoud-de-zuiderlopsterweg-in-loppersum-voor-wandelaars?locale=nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorjaar

En dan opeens is het voorjaar. Het groen schiet de grond uit. Bloesem knalt open. Er bloeit nog niet zoveel, maar toch vond één van de boompjes op de nieuwe tuin het nodig om uitbundig te gaan bloeien. Ik kon niet direct zien wat voor boompje het is. `Ik dacht even een krent,  die zijn er ook vaak vroeg bij, maar daarvoor lijken me de bloemblaadjes wat te rond. Wie het weet mag het zeggen.

Er is een hoop gebeurd de afgelopen weken. We hebben de wilg geknot en van de tenen moest natuurlijk een hut gebouwd. Met een beetje mazzel slaan de tenen aan en groeit de hut lekker dicht.

Er moest natuurlijk een hut gebouwd worden

Gespreid bedje

De bedden van slootmaaisel die we in januari hebben gemaakt, hebben deels hun werk gedaan. Na een week of acht is het grootste deel van de grasmat onder de bedden vergaan. Niet overal natuurlijk. Op plekken waar de strooilaag net iets minder dik was, prikken het speenkruid en enkele verdwaalde graspollen door de mulch. Het resultaat is naar mijn idee voldoende om er uien en aardappels in te zetten. In de half vergane zode prikken we met een stok een ondiep pootgat en daar verdwijnen de vroege aardappels  en plantuitjes in. Het geheel dekken we weer af met de laag slootmaaisel die we er net van af hebben geschoven.

Tegen mei zullen de eerste aardappel- en uienspruiten door de mulchlaag heen komen. Gedurende het voorjaar en de zomer vergaat de mulchlaag steeds verder en zullen de laag aanvullen met een nieuwe laag gemaaide ruigte. Op deze manier ontstaat een mooie, kruimige bodem onder de mulchlaag met, naar we hopen, een redelijke oogst aardappelen en uien.

Dit seizoen gaat het vooral om het vormen van een mooie losse bodem, zonder frezen en spitten.  De bodembiologie heeft tijd nodig om zijn werk te doen.

Onder de mulch van slootmaaisel is de zode aardig vergaan

Deze manier van aardappels verbouwen zonder ruggen of spitwerk is een  variant op de zogenaamde Ruth Stout methode. Deze Amerikaanse dame was een van de pioniers van het tuinieren zonder spitten met behulp van permanente mulchlagen.  Zij zaaide rechtstreeks op een onbewerkte bodem en dekte deze vervolgens af met een dikke laag oud hooi.

In 2018 heb ik met de aardappelen voor het eerst met deze methode ge-experimenteerd. In plaats van hooi gebruikte ik stro. De resultaten waren gemengd. De planten deden het uitstekend, ondanks een record droogte. Onder de mulchlaag kwam prachtige grond te voorschijn, maar de oogst viel tegen.

Sindsdien ben ik verder gaan experimenteren, met wisselende resultaten. In plaats van op de grond, zoals Stout adviseerde, plant ik de aardappels net in de grond. Ik heb de indruk dat de knollen dan net wat beter tot ontwikkeling komen. Het type mulch is ook van belang. Het diverser, hoe beter. Compost is prima, versnipperd heggesnoeisel werkt ook prima, net als een dikke laag gemaaid gras. Of een combinatie van deze.

Ongestoorde bodem

Houtige mulch, zoals heggesnoeisel, bevordert de vorming van schimmels en deze schimmels zijn cruciaal op de plant te voorzien van de nodige voedingsstoffen. De plant wisselt met de schimmels suikers voor de nodige mineralen, die de schimmels met hun netwerk van ondergrondse draden uit de wijde omgeving kunnen halen. Dit fenomeen heet mycorrhiza associatie en krijgt de laatste tijd steeds meer aandacht. Zoveel aandacht zelfs dat fabrikanten verzonnen hebben om deze schimmel in een potje te stoppen, dat je voor veel geld kan kopen en bij je planten strooien.

Dikke onzin, als het mij vraagt. Mycorrhiza ontstaat vanzelf als de omstandigheden gunstig zijn. Schimmelsporen zijn overal aanwezig. Geef een schimmel de goede omstandigheden en hij gaat groeien. Ongestoorde bodems in combinatie met houtige mulch zijn naar mijn ervaring een uitstekende uitnodiging voor de vorming van mycorrhiza netwerken. Intensief spitten helpt deze associatie om zeep. Vandaar dat ik de bodem het liefst zo min mogelijk verstoor.

Karton en compost

Het nadeel van slootmaaisel is dat het nogal grof kan zijn. Aardappels kunnen dat wel hebben, maar voor de schare tuinbonen, peultjes en broccoli en ander spul dat voorgekweekt in de kas staat te wachten  om uitgeplant te worden is het toch wat te grof. Daarvoor werkt een andere niet-spit methode prima. Deze werkt met een combinatie van karton en compost. Je legt een laag karton rechtstreeks op het  gras en over die laag karton gaat een laag van  minimaal tien centimeter compost. Vervolgens kan je voorgekweekte planten rechtstreeks in de compost uitplanten.

Afgelopen zaterdag legden we op deze manier een eerste compostbed aan. Tussen de hagelbuien door deden we ons best het karton niet te laten wegwaaien in de stevige maartse bries.

 

 

 

 

 

 

Enten

Na drie jaar wekelijks bloggen heb ik dit jaar de teugels iets laten vieren.  Een blogpost kost me gemiddeld een halve dag met uitschieters naar boven en beneden. Met de kinderen weken lang in het thuisonderwijs en een reeks andere klussen werd het me wat te veel. Niet dat er niks te schijven viel. Genoeg beleefd in de tuin, de keuken en op het nieuwe land.

Hoe om te gaan met kippen, konijnen en olijfbomen bij min 15? De ontdekking van risotto, maar dan anders. De geboorte van vier kuub slootmaaiselcompost, slaketende slakken, kippenkroos en andere avonturen.

We pakken de draad weer op bij fruitbomen. Rond het huis hebben we zes appelboompjes, drie peren, drie pruimen en twee kersenboompjes staan. De meeste zijn kleine boompjes op een zwak groeiende onderstam, naast een hoogstam en een halfstam. Meer kon ik er echt niet kwijt en eigenlijk is dit al veel te veel voor de ruimte die we rond het huis hebben.

Met een nieuwe stuk land is er ruimte voor nieuwe bomen. Met jonge bomen is het net als met voedsel; je kan ze bij de bomensupermarkt, de  bomenspeciaalzaak of de lokale bomenboer kopen. De meeste bomen die we hebben komen van de bio-dynamische kwekerij De Vrolijke Noot.

Nu kan je fruitbomen natuurlijk ook zelf laten groeien. Bij klein fruit zoals bessen en bramen is dat heel simpel: je snoeit een jonge tak af, die steek je in de grond en daar schiet hij vanzelf wortel.

Bij fruitbomen is dat lastiger. Die schieten niet zo snel wortel. Ook brengen spontane, wilde wortels niet per se de beste eigenschappen in een appel of peer naar boven. Daarom gingen kwekers de eigenschappen van twee bomen combineren door ze letterlijk op elkaar te laten groeien: een onderstam met de gewenste groei eigenschappen en een bovenstam met het gewenste fruitras.

De onderstam is bepalend voor de groeikracht van de boom. Je hebt zwakkere, middelmatige en sterke groeiers. Bij fruit telen is de combinatie van de eigenschappen van de onderstam, het fruitras en de bodemgesteldheid van belang.

Met nieuwe ruimte voor fruit leek het mij een mooie uitdaging zelf eens wat fruitbomen te enten. Voor mijn doe-het-zelf fruitbomen kwam ik uit bij wat zwakker groeiende onderstammen. M26 voor de appels, St. Julian A voor de pruimen en Kwee Adams voor de peren. Deze heb ik bij een kweker besteld. De eerste werden deze week geleverd. Op deze onderstammen heb ik diverse fruitrassen uit de tuin geënt.

Enten is een secuur werkje. Een tak is opgebouwd uit verschillende lagen. Eén van die lagen, het cambium, is in staat om te groeien. Door het cambium van de ent op het cambium van de onderstam te zetten kunnen deze met elkaar vergroeien.

Voor het enthout gebruik je eenjarige twijgen. Dat is het hout dat zich het afgelopen jaar gevormd heeft. Deze zijn gemakkelijk te herkennen. Ze hebben nog geen vruchtknoppen en vaak is de groeiring, de plek waar het eenjarige hout overgaat in het hout van het jaar daarvoor, goed zichtbaar.

Twijgen die je voor enten wilt gebruiken moeten nog volledig in ruste zijn, dus dit is een klus om uit te voeren voor de sapstroom eind maart op gang komt. Ook is het van belang dat de enttwijgen dezelfde diameter hebben als de onderstam.

 

Verschillende enttechnieken: A plakent, B verbeterde plakent, C oogent, D driehoeksent, Afbeelding Publiek Domein, Bastian

Er zijn verschillende ent technieken. Een goed scherp mes is onontbeerlijk. Wikipedia heeft een aardig overzicht. Ik ging voor een redelijk recht toe recht aan schuine ent, die ik met gastape aan elkaar heb bevestigd. Van het enthout snoei je terug tot ongeveer drie knoppen.

De geënte boompjes heb ik een mooie tijdelijke plek in de moestuin gegeven.  Nu is het afwachten of de ent geslaagd is.

Wordt vervolgd…

PS

Voor wie meer wil weten over onderstammen, fruitrassen, bestuivers, snoeitechnieken, etc. is de website van de boomgaard Langeveld in Kruishoutem een interessante plek.

Nieuwe horizon

Vlak voor de kerst kochten mijn echtgenote en ik een weiland. Het ligt twee dorpen verderop. Het is ruim eenderde hectare groot en heeft een beetje de vorm van een sok met de punt naar het zuiden. Om het weiland ligt een sloot. Er staat een oude wilg en een lage haag met een paar jonge fruitboompjes en bramen deelt het perceel door midden.

Er is jaren niet zoveel met het landje gebeurd. In het najaar is er nog een keer gemaaid en zijn de sloten schoongemaakt. De grasmat is doorgroeid met verschillende soorten onkruid. Veel brandnetel, her en der wat distel, speenkruid. Die brandnetels wijzen op stikstof. Molshopen verraden de aanwezigheid van ondergrondse gravers. Waar mollen zijn, zijn wormen.  Een teken dat er aardig wat leven in de bodem zit. Niet zo verwonderlijk. Als je jarenlang de boel de boel laat, keer het bodemleven langzaam terug.

Zo’n molshoop geeft ook een aardig beeld van de toestand iets dieper onder de grasmat. Ik heb een balletje klei van een molshoop mee naar huis genomen en thuis een slaketest uitgevoerd. Je droogt dan een kluit aarde en legt die droge kluit op een grof rooster in een bak met water. Een biologisch actieve bodem zal stabiele bodemagregaten bezitten met veel micro-poriën die door glomaline bij elkaar worden gehouden. Deze glomaline is zeg maar een bioplaksel dat door mycorrhiza schimmels geproduceerd wordt.

Deze bodemaggregaten zorgen er voor dat water makkelijk de bodem kan infiltreren, dat plantenwortels hun weg kunnen vinden en een samenwerking aan kunnen gaan met die mycorrhiza schimmels. In die samenwerking ruilen planten suiker, dat ze maken met behulp van fotosynthese, voor allerlei mineralen, die ze niet zelf kunnen maken, maar die de schimmels in hun uitgebreid ondergronds netwerk wel weten te vinden.

De slake-test kan je eenvoudig thuis uitvoeren en geeft een goed idee hoe het met de stabiliteit van je bodemaggregaten is gesteld. Dit filmpje op youtube geeft goed weer hoe zo’n test werkt. Onze kluit bleef een week of drie stabiel en viel daarna pas uit elkaar. Dat zijn aardig stabiele aggregaten.

Verderop in het veld kwam ik een paar paddestoelen tegen. Nog een aanwijzing die duidt op bodemleven en de ruime aanwezigheid van organisch materiaal in de bodem.

Vrienden en bekenden beginnen meteen over trekkers en ploegen als ik ze over onze nieuwe aanwinst vertel. Ik heb het niet zo op ploegen en spitten en  kom dan met een ingewikkeld verhaal over schimmels en aggregaten en het belang van observeren. Het gesprek gaat dan vaak al snel over iets anders. Mensen zijn doeners. De schop erin, actie, plannen, ten aanval!

Op naar vijftig meter mulch

Die plannen zijn er. Scherp observeren is de eerste stap. De afgelopen weken heb ik het maaisel uit de berm gevist, een composthoop aangelegd, vijftig meter toekomstige groentebedden van een dikke laag rietmulch voorzien. Het plastic dat her en der rondzierf opgeruimd. Stap voor stap, met een compostvork en een kruiwagen. Mijn kop in de januarizon, wind in de rug, handen uit de mouwen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dag 2020, hallo 2021

Het was een ziek jaar, 2020. Daar kunnen we kort over zijn. De perenboom in de voortuin vat het goed samen. Die begon het jaar vol in de knop en viel later in de zomer ten prooi aan een verwelkingsziekte. Ik vermoed bacterievuur. We hebben het boompje in het voorjaar van 2010 geplant, toen we ons huis net gekocht hadden. Na een paar jaar kwamen de eerste peren. Na vijf jaar hing de boom vol. Deze zomer was het afgelopen. In twee weken tijd verschrompelde het blad en verdween het leven uit de boom. Op één tak na. Ik heb alles weggesnoeid. Die ene tak weerhield me ervan het hele boompje te rooien. Misschien loopt hij komend voorjaar weer uit.

Na de kerst was ik zaadbommen aan het maken voor een groot, nieuw project. Daarover binnenkort meer. Nog voor de klei goed en wel droog was begonnen de eerste zaden te ontkiemen. Niet helemaal de bedoeling, maar ik kan het ze niet kwalijk nemen. Zin in een nieuw voorjaar. Zin in een nieuwe zomer. We laten 2020 achter ons; 2021 wordt beter.

 

Olijfolie

Olijfolie, rechtstreeks van de boer

Extra vigine olijfolie is een basisingrediënt in de keuken. Pak een pak pasta en een fles olijfolie en je kan koken. Een kilo tomaten en een scheut olijfolie en je hebt een salade. Beetje karig, maar het is een basis. Teentje knoflook, verse kruiden, beetje zwarte peper, scheutje wijn… en het feest kan beginnen.

Olijfolie is zo veelzijdig en elementair dat het loont om in kwaliteit te investeren. In de post Snelle pasta van een paar maanden terug had ik het kort over onze zoektocht naar een betaalbare goede biologische extra virgine olijfolie. Dat valt nog niet mee. Olijfolie is een product waar veel mee gefraudeerd wordt. Deze fraude is inmiddels lucratief genoeg om de interesse van de georganiseerde misdaad te trekken. De boeven lengen extra vigine olijfolie aan met goedkopere zonnebloemolie en, kwalitatief mindere, geraffineerde olijfolie.

Smaaktesten

Voor 5 euro per liter kan je geen kwaliteitsolie verwachten. Maar in de levensmiddelenindustrie is een hogere prijs niet direct gerelateerd aan een hogere kwaliteit.  In smaaktesten  in de media voor olijfolie komen de A-merken er niet per definitie beter uit dan goedkopere huismerken. De boodschap over de hele linie: het is een rommeltje, tot ranzig aan toe.

Nu valt er op smaaktesten in de media best wat af te dingen, zeker als je het testpanel vol Italianen zet. Geen volk zo chauvinistisch als het op voedsel aankomt als de Italianen. Afgelopen zomer hebben we een hoop verschillende merken olijfolie uitgeprobeerd. De oliën die ons het best bevielen waren een Spanjool en een Griek, die allebei dan weer niet biologisch waren.

Van etiketten kan je een hoop afleiden. De aanduiding extra vierge is een beschermde kwaliteitsaanduiding. De term extra extra vierge is marketing. De herkomst van het product staat er ook op. Een mengsel van oliën uit de Europese Unie lees je soms. Een handige menger met dollartekens in de ogen, denk ik dan al snel.

Nu zijn er genoeg winkels die zich specialiseren in olijfolie. Voor de betere wijn ga ik ook niet naar de supermarkt, maar naar een wijnhandel. Dan zeg ik wat ik ga koken en dan zoekt de handelaar er een leuke fles bij. Hoewel de olie doorgaans uitstekend is heb ik bij die speciaalzaakjes vaak het idee dat mij een nog grotere poot wordt uitgedraaid dan in de supermarkt. Ik betaal als consument liever niet voor een marketingconcept en de torenhoge huur van een winkelpand op een A-lokatie.

Cut out the middle man

Rechtstreeks van de producent kopen is een prima strategie om meer waar voor je geld te krijgen. Het aantal initatieven en platforms om rechtstreeks bij de boer te kopen is de laatste jaren enorm gegroeid. De energie die boeren besteden aan het blokkeren van distributiecentra van supermarkten kunnen ze beter stoppen in de directe verkoop aan de consument. Melk, vlees, kaas, meel; voor een hoop basisingrediënten die ik niet uit de tuin kan halen hebben we inmiddels onze lokale adresjes. De pest van olijfolie is, dat die bomen pas in Zuid-Frankrijk een beetje fatsoenlijk beginnen te produceren. Dat is wat ver voor een zoektocht op de zaterdagnamiddag.

Crowdfarming

Zoals vaker biedt internet uitkomst. In mijn zoektocht naar een biologische olijfolieboer die rechtstreeks aan de consument verkoopt kwam ik op de website van Crowdfarming. De website is een initiatief van een paar Spaanse boeren die een manier zochten om hun producten rechtstreeks aan de man te brengen. Een online boerenmarkt dus, met, jawel, een ruim aanbod van lokale olijfboeren die hun olie rechtstreeks aan ons willen verkopen. Soms voor de hoofdprijs, soms voor een heel schappelijke. Your purchase decisions generate an impact lees ik op de eerste pagina. Elke euro is een politieke keuze, blogte ik een paar jaar terug. Dat moeten geestverwanten zijn. Het mooie van rechtstreeks bij de producent kopen is dat het tevens je beste garantie is op een eerlijk product. Vertrouwen gebaseerd op persoonlijk contact is een beter kwaliteitssysteem dan een keurmerk of een laboratoriumtest. Toch opvallend dat in een recent proefschrif uit Wageningen over detectiemethoden van fraude in olijfolie het alleen over chemische analyse gaat.

Nevero

Voor de olijfolie kwam ik uiteindelijk bij de  boerderij van Juan Olivares Fernández terecht, die onder de naam Nevero een biologische Arbequina en een biologische Pical olie in de aanbieding had. Voor de vorm adopteer je een boom en bij die boom komt dan een doos olie. Je kunt inschrijven tot het moment van oogsten. Daarna gaat de deur op slot en moet je wachten tot de volgende oogst. De boom die je adopteert, geeft recht op vier blikken olijfolie  van een liter voor een kleine 50 euro. Prima prijs voor een prima olie van een jonge boer met een helder verhaal over duurzaamheid. Betalen kan via een bankmachtiging. Verzending met de post. Gister werd de olie bezorgd. De Arbequina hebben we inmiddels geproefd. Heerlijke olie met een scherp randje zonder dat het onaangenaam wordt.

 

Homage aan de bricolage

Opeens stonden ze er weer. Twee tassen met schoolboeken, schriften, tablets en werkinstructies voor een nieuwe ronde thuisonderwijs. Nederland gaat in een lock-down en anders dan in maart moeten “alle niet essentiele winkels” er nu ook aan geloven.

Dat betekent ook de deur op slot voor de bouwmarkt. Dat is natuurlijk erg sneu voor iedereen die tussen kerst en oud en nieuw een doe-het-zelf projectje gepland had. En ik moet eerlijk toegeven, ik ben niet zo van het shoppen, maar de afdeling ijzerwaren van de bouwmarkt oefent op mij altijd een bijzondere aantrekkingskracht uit. Toen ik nog op een kantoor werkte heb ik ooit mijn eindejaarsbonus in de vorm van een A-kwaliteit afkortzaag (in plaats van als i-pad of een andere gadget) laten uitkeren.

Improvisatiekunde

Met de bouwmarkt op slot worden we teruggeworpen op ons improvisatietalent. Improviseren is niet alleen een talent. Je kan het ook leren. Mensen die van koken houden weten dat. Als de rozijnen liggen te wellen, terwijl het recept krenten vermeldt, hebben die rozijnen dan zinloos geweld? Dit zong cabaretformatie De vliegende panters ooit in hun theatershow HYPE.

Die krenten zijn natuurlijk prima in te wisselen voor rozijnen. Ieder recept kan je in die zin opvatten als een vriendelijke suggestie over de wijze waarop een bepaald gerecht bereid kan worden.  Daar zit natuurlijk wel een grens aan. Een ei bakken is niet hetzelfde als een ei koken. Met verhoudingen van ingredienten is veel te spelen, maar ook weer niet altijd. Een roux is ongeveer de helft boter en de helft bloem. Daar is niet zoveel mee te marchanderen, net zoals 1:2:3 een beproefd recept voor beton is. Sommige dingen zijn basaal. Met andere kan je eindeloos klooien.

Voor dit klooien, uitproberen, knutselen, improviseren en prutsen heeft het Frans een prachtig woord: bricolage. Iemand die veel aan bricolage doet is dan een bricoleur. Het Engelse tinkering heeft ongeveer dezelfde lading, maar vind ik een minder mooi woord.

De lockdown doet bij uitstek een beroep op de bricoleur in ons. De kunst van de bricolage gedijt in tijden van schaarste. Ik las ooit een mooi artikel over heimwee naar de knutsel, leen en ruilcultuur die in de DDR onder Trabant bezitter was ontstaan. Wie tien jaar op een nieuwe  kartonnen auto met een walmende tweetakt motor moet wachten doet er alles aan om zijn of haar exemplaar rijdend te houden.

Recht op reparatie

Tegenwoordig moeten consumenten hun recht op repareerbaarheid van spullen bij de rechter afdwingen. De gekste dingen worden hermetisch afgesloten en als onrepareerbaar verkocht. Laatst kocht ik per ongeluk een wegwerp rookmelder à vijf tientjes met een uiterste houdbaarheidsdatum van 2030. Batterij niet vervangbaar las ik in de kleine lettertjes toen ik het ding installeerde. Niet vervangbaar? Dat zullen we nog wel eens zien. Van vrachtauto’s tot mobiele telefoons; de gekste dingen worden tegenwoordig hermetisch dichtgelast met alleen een dure sleutel voor de merkdealer. De EU bereidt inmiddels wetgeving voor op het gebied van het repareren van consumentenelektronica, terwijl de VS reeds een Motor Vehicle Owners’ Right to Repair Act kent.

Schaarste

Schaarste maakt creatief en dwingt tot improviseren. Als de Nederlandse consument ergens een gebrek aan heeft, dan is het wel schaarste. De coronacrisis heeft ons collectief weer kennis laten maken met dat fenomeen. Schaarste is niet mooi op zich. Het is altijd lullig als het wc-paper op is op het moment dat je een boodschap aan de wereld wilt achterlaten.

Schaarste is dus een voorwaarde voor succesvol klooien. Het is wel van belang dat de schaarste relatief is. Je hebt een minimale hoeveel dingen nodig om iets mee te kunnen maken. Laat altijd minimaal één oude fiets, één oude stofzuiger, een stapel houtjes van divers pluimage, diverse stukken pvc, elektra- en koperleiding en vijf bakken ongesorteerde schroefjes in je werkplaats rondslingeren om mee te kunnen improviseren.

Voor de rest: leef je uit. De mogelijkheden zijn eindeloos. Om in de stemming te komen enkele lockdownproof knutselprojecten van de afgelopen jaren:

  1. Voederhuisje
  2. Compostzeef
  3. Pannensteel
  4. Trapleuning
  5. Leemstuc
  6. Leem en vlechtwerk
  7. Stammen splijten

Vergeleken met de echte grootmeesters van de bricolage zijn mijn eigen projecten een soort kleutertje knutsel. Bezoek voor de Grand École du Bricolage eens het youtube kanaal van de Fransman Chaillot Barnabé of de Ieren Sandra en Tim van Way Out West Blow-in Blog

 

 

Griesmeelpudding

Ik maak niet zo vaak toetjes. Geen idee waarom eigenlijk niet. Soms ontwikkel je ongemerkt van die blinde vlekken. Na drie jaar bloggen staat er nog geen toetje op de site. Daarom hoog tijd voor een klassieker: griesmeelpudding!

Als kind aten we vaak griesmeelpudding met een sausje van gebonden sinaasappelsap. Vandaag heb ik met Lotte, onze jongste, een variant met zwartebessenjam uit de tuin gemaakt.

Recept griesmeelpudding met zwarte bessen jam

Voor vier bescheiden porties griesmeelpudding gebruik ik 600 mililiter melk, 60 gram griesmeel, 50 gram suiker en een vanillestokje. Een zakje vanillesuiker kan ook, maar is natuurlijk niet hetzelfde.

Breng de melk aan de kook, roer het griesmeel, de suiker en vanille erdoor en laat het geheel een paar minuten doorkoken. Doe één of twee eetlepels zwarte bessenjam of een andere zelfgemaakte jam of siroop in een stevige beker of een vormpje.

Bij het jam maken heb ik soms van die jam die wat wat minder stijf wordt.  Juist die jam is ideaal voor dit soort toetjes, omdat ie wat meer uitloopt.

Giet er een portie warme griesmeel pudding op en laat het geheel even afkoelen. Voor het serveren de beker of het vormpje omdraaien op een dessertbordje. Als je een beker gebruikt dat blijft de pudding wel eens plakken. Als iedereen aan tafel daar last van heeft kan je er een wedstrijdje van maken: wie het eerst zijn pudding heel uit de beker heeft.

Verder opleuken van het toetje kan, maar is naar mijn idee niet echt nodig. Dat leidt alleen maar af van de jam. Die speelt de hoofdrol.